In de kerk
Belijdenis doen
Als we zeggen 'in de kerk' dan bedoelen we heel concreet: de Nederlandse Hervormde Kerk.
Als we spreken over 'belijdenis doen' denken wij allereerst aan de jaarlijks weerkerende gebeurtenis, meestal op een zondag voor Pasen, waarbij een aantal (meestal) jonge mensen, in een kerkdienst plechtig hun ja-woord geven op de hun gestelde vragen, die spreken over het 'volgen van de Heere Jezus Christus' en de bereidheid om Hem te 'dienen', ook in het gemeentelijke leven. Toch gaat er aan déze vorm van belijdenis doen als het goed is een andere vorm van belijdenis doen vooraf, te weten: het persoonlijk belijden van de naam des Heeren, het geven van het hart aan Hem. En daaraan gaat dan nog weer iets anders vooraf, te weten: de christelijke doop, het opgenomen zijn in de gemeente, het delen in de weldaden van het verbond der genade.
Al in de prilste levensjaren is er de kerk; als we openbare belijdenis doen is er weer de kerk, immers wij doen dit in het midden van de gemeente; en daartussenin ligt het strikt persoonlijke: het geven van het hart aan Hem die onze Heere is en dat eeuwig wezen wil. De kerk is er dus steeds bij betrokken. Geen wonder: God de Heere heeft zich niet slechts enkelingen tot het eeuwige leven verkoren, maar een gemeente. We worden niet op ons eentje behouden, maar samen met een hele menigte. In de hemel zingt niet iedereen op zijn eigen wijs, maar is er de eeuwige koorzang.
Daarom mag niemand zich op zichzelf houden, zoals onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, maar moet ieder zich afscheiden van hen die niet van de kerk zijn, dat wil zeggen: de wereld, en zich voegen bij de gemeente Gods.
Al tijdens Jezus' omwandeling op aarde toen er nog maar een handvol discipelen waren, sprak de Heiland van een 'gemeente'. Hij vormde zich een discipelenkring van 12 mannen, zij zouden de vertegenwoordigers en grondleggers zijn van de nieuwtestamentische kerk, die de oude van de 12 patriarchen zou voorzetten als het nieuwe Israël Gods. Dat wil zeggen: Er zou een gemeente zijn en blijven. Zo doen wij dus belijdenis van Christus' naam en van ons geloof binnen de gemeente Gods, die er is, die blijft, die de belofte Gods heeft, die nimmer overweldigd zal worden door de satanische machten. We willen de betekenis hiervan nu in de volgende punten uiteenzetten. We doen de belijdenis in de kerk, met de kerk en van de kerk.
In de kerk
Als we zeggen 'in de kerk' dan bedoelen we heel concreet: de Nederlandse Hervormde Kerk. We hebben niet het recht om de 'zichtbare kerk' en de 'onzichtbare kerk' zozeer uit elkaar te rukken, dat we niet meer heel concreet kunnen spreken van deze of die, met name te noemen, kerk. Was de Hervormde Kerk niet meer een ware kerk, die voluit verdient de naam van de kerk van Jezus Christus, dan zou ik in haar midden niet de naam van Christus kunnen of mogen belijden, dan zou ik mij van haar moeten afscheiden. Hoe vele zonden, gebreken en dwalingen deze kerk ook mag hebben, zij is toch de kerk van Jezus Christus. Op die grond heb ik de vrijmoedigheid om als predikant van de jonge mensen, die zich op het belijdenis doen hebben voorbereid, hun ja-woord te vragen. We ontkennen waarlijk niet dat zichtbare en onzichtbare kerk elkaar niet dekken, dat het gezelschap dergenen die onder het woord Gods leven groter is dan het getal der ware gelovigen, maar dat betekent niet, dat wij van de zichbare en onzichtbare kerk twee aparte kerken zouden mogen maken en de jongelui alleen maar als leden van een 'uiterlijkinstituut' zouden accepteren. De jongelui doen belijdenis in de kerk van de Heere Jezus Christus, en die heeft voor hen de gestalte van de Nederlandse Hervormde Kerk. Zij nemen daardoor in het openbaar een stukje verantwoordelijkheid voor die kerk op zich. Al wat de Hervormde Kerk overkomt, raakt voortaan ook hen. De zorgen van die kerk dienen ook hun zorgen te zijn, de strijd van die kerk hun strijd, de zegeningen in die kerk mogen zegeningen zijn waarin ook zij delen. Het wel en wee van die kerk moet hun ter harte gaan. Hun blik moet verder reiken dan alleen maar de plaatselijke gemeente. Die plaatselijke gemeente staat niet op zichzelf, maar is opgenomen in het grote geheel van de Hervormde Kerk, en is op duizenderlei wijze bij dat grote geheel betrokken. Dat alles brengt niet alleen maar vreugde met zich mee. Wel stel ik de vreugde voorop. Ik durf het aan om, hoe droevig de omstandigheden vaak ook zijn, toch te zeggen dat het een voorrecht is om tot de oude Hervormde Kerk te behoren. Maar: er zijn ook de grote zorgen, er is de strijd, er is het verval, er is de secularisatie, er is het verlaten van God en Zijn Woord. Er 'huist' wat in die oude kerk! Het kan voor ieder die wil leven bij het Woord en de belijdenis der kerk weleens een aanvechting zijn om tóch te blijven, om de post niet te verlaten en elders onderdak te zoeken. Maar dan helpt ons onze roeping er overheen. Wij zijn hier geroepen en daarom zullen wij ook hier blijven!
Met de kerk
We belijden ook 'met de kerk'. Met de kerk van alle eeuwen, maar ook met de kerk der Reformatie, zoals die gestalte gekregen heeft in ons land in de Hervormde Kerk. Haar belijdenis nemen we over. We verzinnen niet een eigen belijdenis, neen wij zeggen ja en amen op de al bestaande belijdenis, die de belijdenis der kerk is.
Het is goed om in deze tijd van individualisme en subjectivisme dat eens extra te onderstrepen. Het is heden de tijd van 'ieder voor zich'. Er is weinig oog op de gemeenschap. Er is geen waardering voor traditie. Men haakt bewust af van het verleden. Men is schuw voor rechtzinnigheid. Er kan niets wezen of men vraagt ons: Wat vind jij er van? Wat voel je? Hoe wordt dat door jou ervaren? Dat het alles buiten ons ligt, zoals onze Formulieren zo treffend zeggen, dat neemt men ons niet in dank af. Dat is ter linkerzijde in de kerk zo, en, helaas, ter uiterst rechterzijde ook. Men heeft zoo weinig besef er meer van wat 'geloven' is. Geloven is amen zeggen, het zal waar en zéker zijn. Ik stem ermee in. Ik doe dat van harte. En zie dat geloven nu brengt tot het ware belijden. Dan wordt de belijdenis beleden. Op een onovertroffen wijze heeft de kerk in het verleden haar geloof beleden. Haar geloof in God de Vader, haar geloof in God de Zoon en haar geloof in God de Heilige Geest. Haar geloof in Christus' geboorte, Zijn lijden, Zijn sterven. Zijn opstanding. Zijn hemelvaart en Zijn wederkomst. Haar geloof in het werk van de Heilige Geest, die ons toepast hetgeen wij in Christus hebben (Doopsformulier). Dit geloof is zo groot en zo heerlijk dat ik het niet allemaal aankan. Ik heb hiermee een levensopdracht ontvangen. Luther bleef een leerling van de Catechismus zijn leven lang. En diezelfde ware christelijke bescheidenheid vind ik ook bij Calvijn. We blijven op school. De Schrift blijft onze leerschool, maar ook de belijdenis der kerk, waarin die Schrift als een summa (hoofdsom) is samengevat. Wij belijden dus mét de kerk. Dat doen we op de zondag van onze openbare belijdenis, en dat doen wij steeds, ook daarna, ons leven lang. Niet voor het minst in elke kerkdienst, waarin ons de Geloofsbelijdenis wordt voorgelezen.
Van de kerk
We doen ook belijdenis 'van de kerk'. De kerk is niet alleen subject van geloof, maar ook object. Dus: zij belijdt zichzelf. Ik geef toe: Dat lijkt zeer pretentieus. Is dit niet kerkelijke zelfverheffing? Als de kerk zegt: Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk - gaat dat dan niet over de schreef? Moet de kerk niet volstaan met het belijden van haar Heere en Hoofd, Jezus Christus en zichzelf dus geheel vergeten?
Als jonge mensen belijdenis doen, is er dan wel reden om aan de kerk te denken? Zij moeten toch denken aan de Heere Jezus Christus en aan Zijn genade?
Ik geef toe: Dat in de eerste plaats. Zij belijden in de eerste plaats Jezus' naam. Zij belijden hun geloof in Hem! Maar: tegelijk belijden zij toch ook de kerk. Deze Koning, die Jezus Christus is, kan namelijk niet zonder onderdanen zijn. Waar een 'Hoofd' is moet ook een 'lichaam' zijn. Wij belijden ook niet de kerk omdat wij die kerk zien als óns werk, maar juist omdat we haar zien als Zijn werk! Als de kerk zichzelf belijdt, gaat het haar in die belijdenis om Hém, en niet om zichzelf. Zou het de kerk gaan om haarzelf, dan is zij bezig met afgoderij. Want het is waar: ook met de kerk kan afgoderij bedreven worden.
Maar anderzijds: nimmer zal men Christus en Zijn gemeente van elkaar mogen scheiden. Hij én de kerk zijn één. Ik kan niet Hem belijden zonder tegelijk ook de kerk daarbij te betrekken. En daarom doen wij ook belijdenis 'van de kerk'.
Dat doen wij, als het goed is, als een levend lid van die kerk. Ingelijfd in Hem die de ware wijnstok is. Een vruchtdragende rank. Onze levenssappen trekken wij uit Hem. Uit onszelf hebben wij niets, zijn wij zelfs dood, maar het leven hebben wij in Hem en uit Hem. En het geloof doet niets dan dat leven zuigen uit Hem. Hoe meer wij dat doen, des te meer gloed ligt er in ons geloven en belijden, des te meer doet de kracht van Christus zich in ons gelden. En dan: samen met anderen. De dag van het openbare belijdenis doen is bij uitstek een dag van kerkelijke gemeenschap. Een kerkelijke feestdag. Heel de gemeente; heel de kerk is erbij betrokken. Het is niet een strikt individuele aangelegenheid; ook niet een specifieke familie-aangelegenheid. Het is een kerkelijk gebeuren. Ik geloof in de Heere Jezus Christus; én in Zijn gemeente, de kerk der eeuwen, die, naar Zijn belofte, de eindpaal halen zal, de dag van Zijn verschijning; de gemeenschap der heihgen; en ik wens een levend lid van die kerk te zijn, en eeuwig te blijven.
Ieder jong mens die straks belijdenis zal doen, moet zeggen: Ik, dat is het persoonlijke, maar dat persoonlijke staat in de ruimte en breedte van een kerk van vele eeuwen, wier grondslag al ligt in Gods eeuwige verkiezing. Dat geeft aan ons geloven vastigheid en aan ons belijden ruimte. Zo gaat niets verloren van hetgeen ons in het verleden geschonken is, en houden wij een toekomst open van steeds meer en meer. Want ik ben er nog niet; en de jongelui zijn er ook nog niet. Gods Woord is onuitputtelijk en wat de kerk daaruit opgevangen heeft is altijd nieuw. Wie vaten aansleept en van deze olie gaat gieten, zal ontdekken dat de stroom niet ophoudt, en wie van dit meel gaat bakken, zal ontdekken dat de voorraad onuitputtelijk is. Dat is het wonder van het Woord Gods en dat is het wonder van hetgeen de kerk uit dat Woord beleden heeft. Belijdenis doen is nog maar beginnen. Binnen een gemeenschap die de belofte Gods heeft. Die de tijd verduren zal. Die de eeuwigheid vóór zich heeft. Want het geldt tot in alle eeuwigheid: Jezus Christus is een Koning die niet zonder onderdanen kan zijn, een Hoofd dat niet zonder lichaam kan zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's