De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften (slot)

Bekijk het origineel

De kerk in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften (slot)

11 minuten leestijd

Van de ware kerk mag niemand zich afscheiden, van degenen die niet van de kerk zijn móet ieder zich afscheiden.

Afscheiding

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis in de artikelen die over de kerk gaan het woord 'scheiden' of 'afscheiden' meer dan eens voorkomt. Af en toe wordt waarschuwend de vinger opgeheven en ons als het ware toegeroepen: niet afscheiden! Wel heel kras is dat het geval in art. 29, het artikel waarin de 'kenmerken der ware kerk' worden beschreven, als de 'reine predikatie des Evangelies', de 'reine bediening der Sacramenten' en de 'kerkelijke tucht', en dan de resolute bewering gedaan wordt: 'Hierdoor kan men zekerlijk de ware Kerk kennen en het komt niemand toe, zich daarvan te scheiden'. Intussen is echter al eerder, in art. 28, gezegd dat het het 'ambt aller gelovigen' is 'zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn' en zich te voegen tot de Kerk.

Er is dus, zo zou men kunnen zeggen, een afscheiding die verboden is en een afscheiding die verplicht is. Van de ware kerk mag niemand zich afscheiden, van degenen die niet van de kerk zijn móet ieder zich afscheiden. Afscheiding is dus in geen geval een zaak van willekeur. Men kan met de kerkkeuze niet nonchalant omgaan. Men kan niet een kerk, die gehouden mag worden voor een ware kerk, op grond van de 'kenmerken', om een of andere bijkomstige reden verlaten. De oude Gereformeerde (Hervormde) kerk, waarin deze belijdenis eens is geaccepteerd, en uit wier boezem zij ook is voortgekomen, duldde niet dat men zich van haar afscheidde. Diep was zij ervan overtuigd, dat zij een 'ware Kerk' mocht heten. Zij riep alle gelovigen ertoe op, zich bij haar te voegen, om zo aan de eenheid der kerk een zichtbare gestalte te geven.

Onder 'degenen die niet van de Kerk' waren, en van wie men zich wél moest afscheiden, verstond zij degenen die behoorden tot een valse kerk, heel concreet de kerk van Rome. Onze vaderen lieten de keus: rooms of protestant niet vrij. Zij gingen er niet vanuit: omdat ook roomsen zalig kunnen worden, mogen zij blijven waar zij zijn. Neen, alle ware gelovigen riepen zij op deze kerk te verlaten. Zulk een afscheiding was niét alleen wettig, maar zelfs noodzaak, plicht, behorend tot het 'ambt' van alle gelovigen!'

Dé Afscheiding

Het zal wel bekend zijn, dat met name op grond van deze formule, in art. 28, in de vorige eeuw, in 1834, en ook later, telkens weer wanneer er een 'afscheiding' van de Hervormde Kerk plaatsvond, men zich tegenover allen die zulk een stap veroordeelden, verdedigd heeft! Dé Afscheiding en alle volgende afscheidingen zouden, steeds naar eigen besef, niet anders zijn dan een legitieme toepassing van art. 28 van de Ned. Geloofsbelijdenis. En men stelde dan de Gereformeerden die in de Hervormde Kerk bleven in gebreke. Zij zouden tekort schieten in het toepassen van het 'ambt der gelovigen'. Zij zouden wel in allerlei opzicht de naam van 'gereformeerden' verdienen, maar toch niet wat hun kerkelijke houding betreft, daarin zouden zij óngereformeerd zijn. Tot op de dag van vandaag is deze aanklacht aan het adres van de hervormd-gereformeerden te horen. Wat moeten we daarop antwoorden? Mijn eerste opmerking in dezen is: er is al vaak op geantwoord! Hugo Visscher, die reeds kort na de Doleantie, zich gedwongen zag intensief zich bezig te houden rnet het kerkelijke vraagstuk, heeft ettelijke malen herhaald, dat hij, hoeveel waardering hij ook had voor de 'afgescheiden broeders', en die had hij, het in dezen toch niet met hen kon eens zijn.

En wat mij betreft, ik sluit me hier gaarne bij aan. Zowel bij het een als het ander. Dus bij de waardering én de kritiek. Waardering, want we zullen, nu nog meer dan in de tijd van Hugo Visscher, moeten letten op hetgeen samenbindt. Al wat, waar dan ook, binnen en buiten de Hervormde Kerk, naar de Schrift en de Belijdenis is, verdient onze hartelijke steun. Al wie, binnen en buiten de Hervormde Kerk wil spreken en leven naar die Schrift en naar die Belijdenis, zijn broeders en zusters. Niemand is zonder schuld als het gaat over de kerk en haar verval, en als het gaat over 'blijven' of 'gaan'.

Maar anderzijds: de woorden 'degenen, die niet van de kerk zijn', als aanduiding van degenen van wie wij ons móeten afscheiden, zijn niet te betrekken op de 'hervormden', zonder meer, en dus ook niet op de Hervormde Kerk. Dat zou alleen het geval zijn als de in het volgende artikel, art. 29, gegeven kenmerken van de valse kerk, waarin gesproken wordt over een machtsaanmatiging tegen Gods Woord indruisend, en zelfs een vervolging van de ware christenen, op deze hervormd-gereformeerden en dus ook op de Hervormde Kerk toepasselijk zouden zijn.

Doch maar zelden zal men het tegenkomen, dat men van de Hervormde Kerk in haar geheel durft te zeggen dat zij een valse kerk is, en dat men haar daarmee op één lijn stelt met de kerk van Rome, die hier speciaal in de Belijdenis, als zij spreekt over de valse kerk, bedoeld is.

Overal?

Men zou ons kunnen tegenwerpen: Maar niet overal in de Hervormde Kerk wordt de reine predikatie van het Woord Gods en de reine bediening der sacramenten en de kerkelijke tucht beoefend! Ons antwoord is dan: Is dat wel overal zo, waar zich kerken bevinden die uit Afscheiding en/of Doleantie enz. zijn ontstaan? En vervolgens: Men mag niet vergeten, dat onze Belijdenis niet speciaal en zeker niet in de eerste plaats, denkt aan landelijke verbanden. Een landelijke Hervormde kerk was er nog niet eens, toen onze Belijdenis in 1561 door Guido de Brés werd opgesteld; dat landelijk verband is van later datum. Wat er wél was, waren de diverse gemeenten, als in Doornik, Valenciennes, Antwerpen, en enkele andere plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. En de kerk van Rome, hier gedoodverfd als de valse kerk, was een hiërarchie die niet aan bepaalde landsgrenzen was gebonden. Onze vaderen dachten bij de kerk van onderop, en niet van bovenaf. Vanuit de gemeente naar de synode, en niet vanuit de synode naar de gemeenten. Dat laatste vindt men later meer bij de Hoedemakerianen. De plaatselijke sitatie mag dus een belangrijk woord meespreken, wanneer men ernst wil maken met de bekende woorden van de Belijdenis, dat wij ons móeten afscheiden van degenen die niet van de Kerk zijn. Maar natuurlijk niet zó dat wij daarbij het landelijk geheel uit het oog zouden willen verliezen. Het gaat mij niet om een óf-óf, maar een én-én, waarbij we ons uitgangspunt nemen in de plaatselijke gemeente. Dat hebben gereformeerden, die kerkrecht doceerden, als Voetius, ook altijd gedaan.

Recht van afscheiding

Het lijkt mij nuttig om in dit verband ook nog eens te wijzen op hetgeen Calvijn in zijn Institutie over 'afscheiding' heeft geschreven. Naar twee kanten heeft Calvijn, zoals hij zelf zegt, behoedzaam willen zijn (IV.I.II). De naam 'kerk' is een naam waardoor wij ons niet mogen laten misleiden. Elke 'vergadering' (congregatio) die de naam 'kerk' (ecclesia) draagt, zegt hij, moeten wij aan de 'kenmerken' toetsen. Houdt zij in Woord en Sacrament de orde die de Heere in Zijn Woord geboden heeft, dan erkenne men haar als kerk. Mist zij Gods Woord en mist zij de zuivere bediening der sacramenten, dan is zij geen kerk, ook al matigt zij zich die naam wel aan.

In de volgende paragraaf zegt Calvijn: Zo'n kerk, waarin dus het Woord en de Sacramenten zijn, mag nooit verworpen worden, zolang zij daarbij blijft, ook al heeft zij overigens vele gebreken! Ja, zó ver gaat Calvijn, dat hij hierbij niet aan slechts enkele bijkomstigheden wil denken, maar ook aan de 'bediening van de leer' (administratio doctrinae) en de bediening der sacramenten. Want niet alle hoofdstukken van de christelijke leer zijn van gelijke betekenis. Calvijn acht het nodig, dat we allen eensgezind zijn, maar hij wil anderzijds niet alle christelijke dogma's over één kam scheren. Hij wil er rekening mee houden dat er hier en daar 'een nevel van onwetendheid' hangt, en daar moet men dan niet een reden in zien om de eenheid van de kerk te verbreken. Dan zal men eerder moeten trachten de zaak te beteren. Niet, zegt hij, dat ik ook maar de kleinste dwaling in bescherming zou willen nemen, maar: om een klein verschil mag men niet de kerk verlaten! En wat de zonden en gebreken in de kerk betreft, daarin wil Calvijn, zoals hij zegt in IV. 1.13, nog toleranter zijn. Men mag in de tucht niet met 'onberaden ijver' te werk gaan. De kerk is nooit zonder vlek of rimpel. Hoe afkerig Calvijn van 'afscheiding' is, blijkt als hij zegt (IV.1.16) dat afscheiding meer ontstaat uit 'hoogmoed' (superbia) dan uit ware heiligheid. Hij noemt ook allerlei teksten uit de Schrift die zijn visie moeten ondersteunen. Ten tijde van Jesaja was Jeruzalem aan Sodom en Gomorra gelijk geworden; en toch richtten Jesaja en de andere profeten geen nieuwe altaren op, maar temidden van de goddelozen hieven zij reine handen tot God op. Christus en de apostelen gingen op naar de tempel, hoezeer dp tempeldienst ook verdorven was.

Eigenlijk zijn er bij Calvijn, zoals blijkt uit hetgeen hij verder zegt, maar twee redenen die wettigen, zich van de kerk af te scheiden. Wanneer er geen enkele ruimte meer is voor Gods Woord, en het zelfs verboden is dat Woord te preken, zoals Calvijn en de hervormers persoonlijk in de kerk van Rome hadden ervaren; én wanneer de dienaren van de kerk en alle gelovigen gedwongen worden tot handelingen die regelrecht tegen het Woord van God indruisen, en daarbij is bijvoorbeeld te denken aan wat de hervormers eveneens zelf ondervonden hadden, namelijk dat de kerk van Rome van hen eiste dat zij de mis, die zij, op grond van Gods woord, hielden voor een vervloekte afgoderij, bedienden en bijwoonden.

In het licht hiervan moet men lezen wat er staat in art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis: 'Aangaande de valse kerk, die schrijft zich en haar ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan het Woord Gods en wil zich aan het juk van Christus niet onderwerpen; zij bedient de sacramenten niet gelijk Christus in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af, gelijk het haar goeddunkt; zij grondt zich meer op de mensen, dan op Christus; zij vervolgt degenen, die heilig leven naar het Woord Gods en die haar bestraffen over haar gebreken, gierigheid en afgoderijen'.

Ik wil hier eerlijk aan toevoegen, dat het mij bedroeft én irriteert wanneer deze woorden, toegepast hier op de Kerk van Rome, van afgescheiden zijde worden toegepast op de Hervormde Kerk! Zó zal men met enig goed recht over die kerk niet mogen spreken!

Hoe dan wel?

Hoe zullen we dan wél over de Hervormde Kerk moeten spreken? Als een zondige, verdorven kerk, met talloze gebreken en dwalingen, en nochtans de kerk van de Heere Jezus Christus. Een ware kerk! Niet de énige ware kerk. De zaak ligt gecompliceerder dan vroeger. Hoewel: toen was er ook de Lutherse Kerk. En die was niet een valse kerk. Dat is bij mijn weten door de gereformeerden nooit gezegd. De ware kerk was toen al verdeeld. Zij is het nu ook, en nog meer.

Dat is een reden tot droefheid. En een aansporing tot actie. Er lopen tegenwoordig verschillende onderscheidingen dwars door elkaar heen; die van ware en valse kerk, die van moederkerk en afgescheiden kerken. Steeds zullen wij die verschillende onderscheidingen voor ogen moeten houden. Zo meen ik in de geest en lijn van de Belijdenis te blijven. Eenzelfde kerk kan tegelijk een ware kerk én een afgescheiden kerk zijn. De Hervormde Kerk heeft vóór, bij al wat zij verder tégen heeft, dat zij de kerk der Reformatie in ons land is, direct op de Reformatie teruggaat en als zodanig de eer én verantwoordelijkheid heeft van een 'moederkerk' te zijn, en dat zij ondanks al haar dwalingen en gebreken nog een ware kerk is. Ik zou op haar met nadruk willen toepassen wat Calvijn zegt en wat de mannen van de Nadere Reformatie hem hebben nagezegd: We moeten haar beteren! Dat is geen kleine opdracht. Vanwege onze zwakke krachten. Maar de opdracht is wel dringend. Want élke kerk, ook de Hervormde Kerk, kan een valse kerk worden. Hetzij alleen of samen met anderen.

Intussen vergeten wij de andere kerken niet. De verdeeldheid der kerk is geen rijkdom, we roemen niet in pluriformiteit, al is er, dat geven we Kuyper en Bavinck toe, een zekere wettige pluriformiteit, maar de verdeeldheid is armoede. Onze Belijdenis spreekt over het enige Hoofd Christus. Hij moge ons allen onder Hem, als inderdaad het énige Hoofd, verzamelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's