De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘Toen ik een kind was...'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Toen ik een kind was...'

12 minuten leestijd

De Heere kent geen minimum leeftijd. Heeft Hij niet gezegd, dat Hij zelfs uit de mond der kleine kinderen en der zuigelingen Zijn lof wil bereiden? !

Inleiding

De wijze raadgeving van Prediker 'Gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap' nemen wij tegenover onze jongeren vaak over. Gedenken is ons aller roeping. We mogen de Heere en Zijn weldaden niet vergeten. Wanneer we iets hebben leren verstaan van wat de genade Gods is, dan gunnen we dat zeker ook aan onze jongeren. En dan niet alleen de catechisanten, maar ook de jongsten mogen in die genade delen. De Heere kent geen minimum leeftijd. Heeft Hij niet gezegd, dat Hij zelfs uit de mond der kleine kinderen en der zuigelingen Zijn lof wil bereiden? ! Hebben we bij de doop van onze kleintjes ook niet 'ja' gezegd op de vraag, of we ze bij het opgroeien in de zaken van het geloof 'naar ons vermogen zouden onderwijzen en te doen (en te helpen) onderwijzen'. Met 'juffen en meesters' van een aantal zondagsscholen hebben we nagedacht over ons bezig-zijn met de kinderen, opdat ook zij leren gedenken. Op verzoek heb ik deze inleiding bewerkt en voor publicatie gereedgemaakt.

Een terugblik op het kind-zijn

'Toen ik een kind was...'. Ongetwijfeld herkent u die woorden. Ze zijn ontleend aan dat machtige hoofdstuk 1 Corinthe 13. Paulus, een volwassen man werd een kind van God. Trouwens, daar worden wij ook toe geroepen: 'Indien gij u niet verandert en wordt gelijk een kindeke...'. De apostel is niet óvergeestelijk. Hij is zijn jeugd, zijn kindertijd niet vergeten. Alle indrukken van die tijd zijn mede-bepalend geweest voor de tijd van nu. Daar kunnen we wat van leren. Als volwassenen hebben wij het kind-zijn wel achter de rug maar we mogen niet vergeten dat we kind geweest zijn met alle indrukken van die periode. Zo kunnen we er onze winst mee doen wanneer we met onze kleinen, bijzonder op de zondagsschool, optrekken. We richten onze aandacht op kinderen zo tussen de 4 en 12 jaar.

Reeds in het paradijs wordt tot de mens, naar God's Beeld en Gelijkenis geschapen, gezegd dat hij vruchtbaar dient te zijn en dat kinderen een erfdeel des Heeren zijn. In het Koninkrijk Gods worden de onderdanen niet buitengesloten of buitengehouden, omdat ze te jong zijn. Integendeel: de Zaligmaker neemt het tegenover de Farizeeën voor de kleintjes op met een beroep op psalm 8: 'Hebt gij nimmer gehoord, dat er geschreven staat: Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij Uw lof toebereid?' Ja, Hij nodigt ze uit en waarschuwt ouderen - ook Zijn eigen discipelen! - hen niet te verhinderen. Hij legt ze de handen op en zegent ze. Het is niet zonder reden, dat dat in ons Doopformulier wordt benadrukt.

Het moet ons opvallen, dat de Heere ons als volwassenen oproept om te worden gelijk een kind en dat Hij ons wijst op onze kleinheid, wanneer wij 'mensenkinderen' worden genoemd (Zie o.a. Ezechiël, Prediker en het boek der Psalmen). Er wordt onder ons graag gesproken over krachtdadige bekeringen, zoals dat te zien is in het leven van de moordenaar aan het kruis, Paulus en de stokbewaarder van Filippi. Maar dat is onjuist. Het gaat daar om plotselinge bekeringen. De Heere heeft door Zijn Geest niet minder krachtdadig gewerkt in de levens van o.a. David, Samuel, Izaäk, Obadja, Timotheüs, die van kindsbeen af bij de dienst en het Woord des Heeren zijn opgevoed! Al behoorden de kleine kinderen te worden geteld als bij Israël ingelijfd, het gebeurde vaker niet dan wel! Als David (II Samuel 24) het volk gaat tellen, dan telt hij alleen de strijdbare mannen. De 'kinderkens' zijn over het algemeen heel de geschiedenis door in de meest letterlijke betekenis on-aanzien-lijk geweest. Door de mensen wel, maar door de Heere niet over het hoofd gezien, ook al ergerden zich velen aan de kleinen.

Zoek ook maar in de preken der Reformatoren of der Nadere Reformatie, dan zult u bar weinig tegenkomen, dat op de kleinsten der Gemeente gericht is. Jeugdwerk en zondagsschool lagen volledig buiten het blikveld. We weten slechts van de kinderkruistocht af, maar de leeftijd van die jongeren lag hoger dan waar wij ons nu op richten. Eén ding is echter schokkend, namelijk dat ook op dit terrein de kinderen der wereld, de vijanden van God, méér rekening hielden en houden met de kleintjes dan 'de kinderen des lichts'. Farao begon reeds alle jongetjes van Israël te laten ombrengen. Herodes zorgde voor de kindermoord te Bethlehem. Om op de brandstapels te worden gebracht of voor de wilde dieren geworpen te worden, gold geen minimum leeftijd! In de zgn. Bartholomeüsnacht in Frankrijk gold eertijds netzomin een ontheffing voor de kleinsten als in de afgelopen oorlog, waarin ook de kleinsten via de kogel of gaskamer de eeuwigheid in gingen. In de moderne theologie van onze dagen, of het nu de drammerige feministische theologie of bevrijdingstheologie is of welk soort ook, er is geen ruimte voor het kind. Neen, ik pleit niet voor een aparte theologie van het kind, dat ook in de kerk kind van de rekening is geworden, maar ik constateer vragenderwijs: Ze horen er toch bij!?

Persoonlijk heb ik grote moeite met de zogenaamde kindernevendiensten of met een zondagsschool, die tijdens de kerkdienst plaats vindt. Laat ons toch als gezin opgaan naar God's Huis en laten de voorgangers, die het Woord en/of de Doop bedienen, de kleine kinderen aanspreken en erbij betrekken. Dat gaat niet in mindering op onze zorg om de leiding van het jeugdwerk en van de zondagsschool te steunen en te stimuleren. Immers, ook voor de kleinsten geldt wat we wel eens zingen met psalm 115 'Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weidaan deelgenoot; Hij zal ze groter maken en z' u, zowel als 't kroost dat gij bemint, dat nevens u zich aan God's Wet verbindt, in dubbele maat doen smaken'.

Als we zo bezig mogen zijn met 'ons zaad', met de volwassenen-in-wording, brengt dat een aparte zegen mee. We mogen ze begeleiden met en vanuit Gods's woord. Maar ik durf ook te zeggen: we mogen van hen leren. Leren aan kinderen betekent evenzeer leren van kinderen. De omgang met de kleintjes en het Bijbels onderricht vraagt van ons iets wat wij missen en zij (nog) bezitten, namelijk de kinderlijke gezindheid. Paulus zegt in I Corinthe 13 'Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind...' Willen wij onze jeugd benaderen op een doeltreffende wijze, dan moeten wij ons leren aanpassen aan hun spreken, aan hun gezindheid en aan hun denken. Nogmaals: 'de wereld' houdt meer rekening met de belangrijkheid van het kinderleven dan wij vaak doen. De medische wetenschap heeft apart ruimte gemaakt voor kinderziekten en de behandeling ervan. Ook in de psychologie krijgt de jeugd, het kind ruime aandacht. Nee, we behoeven als leiding van de zondagsschool niet eerst Jung en Freud bestudeerd te hebben of de denkpsychologie van Külpe of 'Gestaltpsychologie' ons eigen te hebben gemaakt om vruchtbaar met de kinderen bezig te zijn. We moeten allereerst hart voor de kleintjes hebben.

Maar dat sluit niet uit wat de psychologie ons aanreikt over de ontwikkelings- en levensfasen van het kind. In grote lijnen kan men drie van zulke fasen onderscheiden. De zogenaamde baby-/kleuterfase (vanaf de geboorte tot ca. 6 jaar), de schoolkindfase (ca. 7 tot 11 jaar) en de puerale fase, welke de overgang naar de puberteit vormt (ca. 11 tot 14 jaar). Elk van deze ontwikkelingsstadia wordt gekenmerkt door bepaalde verschijnselen, die we ook in onze taak op de zondagsschool moeten verdisconteren. Dat brengt een stuk oefening mee, waarvan de vreugde en de zegen niet gering zal zijn. Zo komen we tot dat andere:

Het kind-geweest zijn

Ik citeer nogmaals Paulus: 'Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind en overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik teniet gedaan hetgeen eens kinds was'. Het kind-zijn is dus voorbij. Er is iets teniet gedaan. Nee, dat is geen vernietiging van zijn jeugdjaren. Dat kan trouwens niet. Maar het 'natuurlijke' is teniet gedaan. Wij spreken niet meer als kinderen en kleden ons niet meer als kinderen. Nochtans.... toen ik een kind was... Het is een welbewust herinneren, te binnen brengen dat je een kind geweest bent. Tussen het man-geworden-zijn en het kind-geweest-zijn liggen jaren van vorming en studie aan de voeten van Gamaliel, ervaringen, karakter en bekering. Er zijn indrukken opgedaan, die niet meer vergeten worden en later nog medewerkten ten goede. Zie ook maar eens hoe David in psalm 25 en psalm 37 terugblikt. Hoor eens wat de dichter van psalm 71 (bijzonder de verzen 5 en 6 en 17) mag getuigen!

Als kind leerling geweest is hij als volwassene leraar geworden. Als kind opgevoed bij de Wet en haar gerechtigheid, kon hij te scherper waarschuwen en zeggen, dat uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd zal worden. Als William Booth, de stichter van het Leger des Heils, als lijfspreuk had: 'Gered om te redden', mogen wij wel zeggen: 'Geleerd om te leren'. Zo heeft David (psalm 34) genodigd: 'Komt, gij kinderen, hoort naar mij en ik zal u des Heeren vreze leren'.

De opvoeding en het onderwijs, ook of juist op de zondagschool, moet dat als grondslag en doel hebben! Lees ook maar hoe de Heere Zelf geboden heeft: 'En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn; en gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken als ge in uw huis zit en als gij op de weg gaat en als gij nederligt en als gij opstaat. (Deut. 6; vergelijk ook de inzet van psalm 78 maar!).

Het gaat daar niet om verstandskennis op zichzelf, maar hartezaak. De eerste paar jaar onderrichte moeder in Israël haar kind, al had ze geen 'kweekschool' of pedagogische akademie gedaan. Trouwens, dat gold evenzeer voor de vader, die de taak van het onderwijs overnam, wanneer zijn zoon zo rond de 10 jaar werd. Er werd een stuk geschiedenis verteld. De geboden en inzettingen des Heeren werden onderwezen en de jongeren leerden stukken opzeggen, die ook letterkundig veel waarde hadden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de klaagzang van David op de dood van Saul en Jonathan (II Sam. 1). Behalve het vakonderwijs, zoals Jezus van zijn aardse vader Jozef leerde timmeren, was er nog het zogenaamde 'vrije onderwijs', dat in de stadspoort door de oudsten werd gegeven in rechtspraak en handel. Dat sloot het onderwijs van profeten en priesters niet uit, maar het vulde elkaar aan.

Laat het tot bemoediging zijn, dat - nogmaals gezegd - al deze 'onderwijskrachten' geen speciale opleiding hadden genoten, al kan dat wel een pluspunt zijn. Maar in het zondagsschoolwerk is het een eerste vereiste, dat wat we vertellen voor onszelf hartezaak is. We moeten er als het ware zelf doorheen kruipen. We moeten er 100% achter, staan. Onlosmakelijk daarbij is de aanpassing; spreken als een kind - gezind zijn als een kind - overleggen als een kind, zonder kinderachtig te zijn, maar wel kinderlijk! Die aanpassing aan het leefklimaat, aan de voorstellings- en gevoelswereld van het kind, ligt allereerst in ons taalgebruik. Wij moeten van de kleintjes geen oude mannekes en oude vrouwtjes maken. Om maar één heel eenvoudig voorbeeld te noemen: Laat niemand van ons spreken over 'een iegelijk, die de stem des profeten hoort'. Het klinkt misschien wat scherp, maar ik zeg: 'Iemand die zo spreekt, behoort als rondleider in een museum van oudheden, maar niet tussen de kinderen'. Nog sterker moeten we erop letten, dat we in ons taalgebruik en de beelden, die we weergeven, sober zijn. Ga niet hel en hemel breed uitmeten. Als het ons bevattings- en voorstellingsvermogen al te boven gaat, hoeveel te meer de kinderen! Een ouderling vertelde me eens, dat hij in zijn kinderjaren catechisatie had gehad van een ouderling, aangezien er in hun kleine gemeente nooit een dominee was. Deze ouderling had, goed bedoelend, gezegd dat eenmaal in de hel een gierigaard altijd gesmolten goud moest drinken. En er waren meer van die ondubbelzinnige beelden gebruikt . Echter meer aan de fantasie dan aan het Woord ontsproten...

Laten wij de kleintjes, die straks kind geweest zijn, nu iets trachten mee te geven, dat hun hele leven bijblijft, namelijk de begeerte om de Heere van alle genade te mogen kennen en dienen. Dan mogen we gebruik maken van wat door de psychologie is aangereikt inzake de ontwikkeling van het kind, zoals we die op zondagsschool tegenkomen. Een kind tot ca. 6 a 7 jaar heeft behoefte aan liefde en verlangen naar geborgenheid. Er is in die tijd een drang om alles te onderzoeken, maar het neemt vrijwel kritiekloos allerlei dingen, die ze krijgen aangereikt over. Het kind, dat op school gaat en zo tussen de 6 en 10 jaar is, ervaart sterker dan op de kleuterschool de beperking van vrijheid en de tucht. Het kan daardoor onder een bepaalde spanning staan. De fantasiewereld maakt plaats voor een zeker realisme. Alles wat vreemd is. komt onder kritiek te staan. De puerale fase van ca. 10 tot 14 jaar geeft versterking en verzelfstandiging van het 'ik' te zien. Je ziet dat vriendschappen veel hechter gaan worden. Er is in toenemende mate een vragen naar het 'waarom' en het 'hoe' van de dingen, die samenhangt met een drang tot actief handelen'.

U voelt, dat goede voorbereiding en op het bovenstaande inspelen hoogst noodzakelijk zijn. Niemand behoort te denken dat hij of zij voor eigen genoegen de vertelling doet, maar voor het kind. Doe het dan zo, dat het voor hen een genoegen is. Benader het kind als kind met z'n eigenheid in karakter en ontwikkeling. Niet onze ervaringen op weg naar de volwassenheid moet het kind op weg helpen. Dan probeer je de kinderen een sprong te laten maken naar ons toe. Probeer zelf een of meer stappen terug te doen en naast het kind te gaan staan en dat tot uitdrukking te laten komen in onze vertelling.

Laten het kind-zijn en het kind-geweest zijn zoveel als het mogelijk is, samen mogen vallen. De Heere zal het niet ongezegend laten naar Zijn eigen Woord (Psalm 115 : 13). 'Hij zal zegenen, die de Heere vrezen, de kleinen (die het eerst genoemd!) met de groten'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

‘Toen ik een kind was...'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's