De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De armen hebt gij altijd met u... maar Mij...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De armen hebt gij altijd met u... maar Mij...

7 minuten leestijd

De geschiedenis van de vrouw met de albasten fles wordt ons in drie evangeliën verteld.

De geschiedenis van de vrouw met de albasten fles wordt ons in drie evangeliën verteld, in Mattheüs 26, Marcus 14 en Johannes 12. Vlak vóór het verraad van Judas is er die vrouw die, ter voorbereiding van de begrafenis van Jezus - zegt de Heiland zelf in het Marcusevangelie - de kostbare zalf over Zijn hoofd giet. Een duidelijk eerbetoon, tot ongenoegen van de discipelen overigens, die het maar geldverspilling vinden. Het geld had beter besteed kunnen worden, ten dienste van de armen, zegt Judas.

Calvijn merkt hier het volgende, op: 'het verwondert ons dat Christus, wiens gehele leven een voorbeeld van matigheid en soberheid was, thans een buitensporige weelde goedkeurt, die schijnbaar aan verspilling en overdaad grensde'. Maar - zegt hij - God keurt soms sommige bijzondere dienstbetoningen goed, die men niettemin niet tot een algemene regel tellen moet. Maria werd door 'een verborgen aandrijving van de Geest' gebracht tot het zalven van Christus. Daarom lag de goedkeuring des Heeren over dit gebeuren. Zo kan het in het leven van Gods kinderen voorkomen - aldus Calvijn - dat zij door bijzondere aandrijving van de Geest tot een daad komen, die niet geboden is, waar de mensen de schouders over ophalen of kritisch op reageren, maar waar de Heere Zijn goedkeuring over geeft.

Het is intussen duidelijk dat het niet vanzelfsprekend is wat hier gebeurt, geen algemeen geldende regel. Dat laat Calvijn blijken als hij ingaat op de tegenwerping van Jezus: 'De armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd'. (Matth. 26 vers 11).

Niet eenzijdig

Jezus laat in deze reactie de slinger niet naar de andere zijde doorslaan. De discipelen zeiden dat wat die vrouw deed overbodig was; het geld kon beter naar de armen. Jezus zegt niet: zó is het goed, de armen doen er niet toe. Hij zegt wèl: de armen zijn van later zorg, maar dan ook helemaal van later zorg. De armen hebt gij namelijk altijd bij u! Daar legt de Heere Jezus toch uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor na zijn heen gaan, namelijk naar de armen toe.

Al te gemakkelijk laten we de boodschap van dit hoofdstuk soms steken in de zalving als zodanig, zijnde immers een uiting van liefdebetoon van deze vrouw aan haar Heiland. Calvijn doet echter anders. Hij laat de uitdrukking 'de armen hebt gij altijd met u' in volle zwaarte staan. Telkens weer valt het op hoe zorgvuldig en evenwichtig Calvijn met de Schriftgegevens omgaat. Hij vergeestelijkt niet waar de Heere Christus een boodschap heeft voor intermenselijk hulp- en dienstbetoon (eerder wezen we al eens op de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan). Hij vereenzijdigt nergens waar de Schrift met twee woorden spreekt. Ten aanzien van deze zalving zegt hij dan ook dat we deze niet op een verkeerde wijze moeten navolgen.

Hout of goud

Hoe zullen we God eren; de Heere Christus hulde brengen, nu Hij niet meer op deze aarde is? Christus wil niet door uitwendige praal worden gediend, zegt Calvijn. En het is duidelijk dat hij dan doelt op de pracht en praal van Rome, die 'Gode een veeleisende dienst' toebrengt.

'Dezen toch - namelijk de Roomsen - vernemende dat Christus zich wel door Maria heeft laten zalven, begonnen nu te menen dat Hij behagen schept in wierook, waskaarsen, prachtige gewaden en soortgelijke pronkerij. Vandaar al die pracht bij hun plechtigheden; ook menen zij dat zij geen rechte dienaars van Christus zijn, wanneer zij geen overbodige kosten maken. Doch Christus laat hier duidelijk gevoelen, dat hetgeen Hij eenmaal wilde laten gebeuren. Hem in vervolg van tijd niet aangenaam zou zijn.'

Na Zijn Opstanding moet het geld vooral naar de armen. 'Willen wij ons geld aan ware offers besteden? Laat het ons onder de armen uitdelen, want Christus zegt, dat Hij niet bij ons is, zodat wij Hem door geen uitwendige praal kunnen dienen.'

Me dunkt dat in dit alles een beknopte ethiek voor kerkbouw, voor de inrichting van het gemeentelijke leven en de eredienst ligt. Bekend is de uitdrukking 'kerken van hout, harten van goud; en kerken van goud, harten van hout'.

Als we de kracht van het gemeentezijn zoeken in het gloriëren met mooie gebouwen en prachtige inrichting van kerken, terwijl ons dienstbetoon aan de armen (vandaag ook ver weg) bovendien mondjesmaat is, dan zou dat wel eens waar kunnen zijn. De lofzegging heeft een plaats in de eredienst, maar deze kan in de meest sobere gebouwen plaats vinden, en in de duurste gebouwen ten diepste - ondanks de vormen - ontbreken.

Tenslotte gaat het ten diepste om het vermaan uit de Hebreeën-brief: 'Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden'. Waarop dan overigens ook direct volgt: 'en vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want aan zodanige offers heeft God een welbehagen' (Hebr. 13 vers 15 en 16). Reeds in de psalm wordt het uitgezongen: 'de offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten' (Ps. 51 vers 19).

Tegenstellingen

Mij trof dezer dagen de korte impressie, die drs. P. Koeman en ds. J. D. van Roest gaven over hun bezoek aan het zendingsterrein van de GZB in Latijns Amerika. We weten hoe groot daar de tegenstellingen zijn tussen arm en rijk. Het is van de straten op te scheppen. Ze geven één voorbeeld van de schrijnende toestanden: duizenden ontrechte en berooide gezinnen sloegen hun 'tenten' op op een braakhggend terrein buiten de stad Santiago en kregen zo voor het eerst als gezin 'een eigen onderkomen' (vijfduizend gezinnen op een oppervlak van 12 hectare), maar tachtig procent van de mensen is werkloos.

Is het een wonder als daar met argusogen naar de rijke kerk gekeken wordt, met alle pracht en praal van de cathedralen? De scribenten merken op dat de Rooms Katholieke Kerk nu duidelijk bezig is meer oog te krijgen voor de problematiek van deze armen, maar tegelijkertijd blijken de protestantse kerken nu (nog) zeer gesloten te zijn, met name de grote Pinksterkerken. Intussen is 'Das Kapital' van Marx er te koop op de hoeken van de straat, voor de prijs van één gulden...!

We kunnen hier van ver ach en wee roepen over zoveel gebrek aan dienstbetoon en solidariteit met de armen daar in Chili en Peru. Maar rest dan de vraag of wij hier in alle gemeenten voldoende doordrongen zijn van de noodzaak om dienstbaar te zijn aan de armen, aan de letterlijke armen, ook daar. Of hebben we steels toch liever meer over voor opsier van gebouwen?

Natuurlijk is vandaag een kerkgebouw nodig naar de eisen van onze tijd. Maar het gaat om de intentie. Gebruiken we Nardus, die verspild wordt, of laten we het woord van de Meester gelden: de armen hebt gij altijd met u?

Zijn offer

We gedenken dezer dagen het offer van Christus. Hij had geen plek waar Hij het hoofd op neerleggen kon. Hij was om zo te zeggen de Armste van de armen. Hij had de heerlijkheid, die Hij bij Zijn vader had, verlaten en Zijn laatste woning werd Kruis en Graf. Tegen de achtergrond daarvan - ook al weten we dat het van Kruis tot Heerlijkheid ging - vloekt elke luxe en overdaad in de dienst des Heeren. Zeker als de opdracht van de Meester wordt vergeten inzake de armen.

We pleiten niet - integendeel! - voor een Evangelie van de armen, wel voor een Evangelie vóór de armen. En dat geldt dan zowel de geestelijke als de stoffelijke kant. Door Kruis en Opstanding is het Leven in onze dood verschenen. Daardoor is ook het leven van elke dag nog te leven. Voor de christelijke gemeente gave èn opgave!

Nog één keer Calvijn over de geschiedenis van de zalving: 'Het hoofddenkbeeld, in deze plaats uitgedrukt, is dat, al beveelt de Heere ons onszelf en al het onze aan Hem te wijden, Hij toch voor Zichzelf geen andere dan een geestelijke dienst eist, die ons geen kosten veroorzaakt; maar dat Hij liever wil, dat wij, wat het bijgeloof dwaselijk in zijn eigen dienst verspilt, aan de armen ten koste leggen'. Ontdekkende en appellerende woorden!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

De armen hebt gij altijd met u... maar Mij...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 april 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's