Boekbespreking
Wijkende Horizon, facetten van Nederland in de periode 1958/1983; redactie drs H. G. Leih, uitg. J. H. Kok, Kampen, prijs ƒ 17, 50.
De bundel, die met dit boek voor ons ligt, is bedoeld als eerbewijs voor de huidige directeur van de uitgeverij Kok te Kampen, mr. W. E. Steunenberg. Deze is nl. 25 jaar aan de zaak verbonden. Door een vijftal schrijvers wordt na een korte verantwoording een bepaald facet van Nederland in de jaren 1958/1983 aan de orde gesteld. Prof. dr. H. N. Ridderbos schrijft over 'De kerk in het krachtenveld van de tijd'. Prof. dr. W. Albeda over 'Vijfentwintig jaar sociaaleconomische ontwikkeling'. Drs. M. Geerink Bakker over 'Keuzen uit een kwart eeuw media in Nederland'. Drs. H. G. Leih over 'Toekomst of ondergang? ' en drs. T. M. Gilhuis over 'Tussen traditie en situatie'. Op allerlei vragen die nu te stellen zijn is, zo wordt in de korte verantwoording opgemerkt, "niet zomaar een antwoord te geven. Hoogstens kan en proberen enkele lijnen te vinden in een wirwar van ontwikkelingen en gebeurtenissen." Daartoe is nu in deze bundel een poging gedaan en dan in de genoemde facetten. Wie hierover in kort bestek, aan de hand van de visie van de schrijvers, wenst ingelicht te worden, kan in deze bundel terecht. Allerlei belangwekkende verschijnselen en ontwikkelingen uit de bedoelde periode worden aan de orde gesteld. Op oorzaken en achtergronden wordt ingegaan, ik denk hier vooral aan de artikelen van Ridderbos, Leih en Gilhuis. Hoewel prof. Ridderbos zich onthoudt van het vellen van een oordeel over allerlei reacties op ontwik kelingen en invloeden, verzwijgt hij niet, dat hij wel denkt, 'dat er in heel deze ontwikkeling zaken aan de orde zijn, die men niet enkel vanuit een 'evenwichts'-constructie kan benaderen, maar waarbij de eigenheid en ongereptheid van het christelijk geloof op een zeer ingrijpende wijze op het spel staat.' Daarvan geeft hij dan in het kort enige rekenschap met betrekking tot de twee punten, die hem in zijn artikel hebben beziggehouden en wel de omslag in de geloofs-aandacht en de crisis van de oude zekerheden. Daarover worden ons behartenswaardige dingen voorgelegd. In het artikel over de media zou nu ook op pag. 84 de journalistenopleiding aan de Ev. Hogeschool in Amersfoort genoemd kunnen worden. Zonder aan enige andere bijdrage uit deze bundel tekort te doen wijs ik op het zeer instructieve artikel van de heer Leih over toekomst of ondergang. Had hierin toch niet wat meer gewezen kunnen worden op het Koninkrijk Gods dat is en komt en komen zal, op Gods werk dat in Christus doorgaat? Temidden van dit alles heeft de christelijke opvoeding een geweldige taak en een positieve betekenis. Met Gilhuis zijn we het eens dat bij geloofsoverdracht een voortdurende en goede samenwerking tussen gezin, school en kerk dringend geboden is. Heel wat meningen van vele personen worden ons voorgelegd om ons duidelijk te maken wat voor de opvoeding zoal nodig wordt geacht. We erkennen volledig dat van alles geprobeerd mag en moet worden om de christelijke opvoeding zo goed mogelijk te maken. In dat opzicht zal er wel altijd heel wat te doen zijn en bijgesteld moeten worden. Door Gilhuis wordt ook zo het een en ander op tafel gelegd. Toch moet wel bij dit alles onze eerste zorg zijn en blijven dat de gehele Schrift aan het woord komt en blijft als het betrouwbare Woord Gods en dat wij ons door Woord en Geest laten leiden. Daar moeten we toch wel bij onze opvoeding en bij de indentitiet van onze scholen bijzonder op letten. En daarbij de gereformeerde belijdenis en haar betekenis voor nu niet vergeten. Wie zich in kort bestek wil laten voorlichten kan in deze bundel terecht.
Jac. V.
C. Vonk, Hosea-Maleachi, 352 biz., geb. ƒ 57, 50, uitg. Liebeek & Hooijmeijer, Barendrecht, 1983.
Met de verschijning van dit dertiende deel komt de voltooiing van de bijbelverklaring van het Oude Testament 'De voorzeide leer' in het zicht. In dit stuk over de prediking van de zgn. kleine profeten komt theologisch en historisch zoveel aan de orde, dat op de vraag: verstaat gij hetgeen gij leest? meer dan eens het antwoord luidt: oe zou ik kunnen zo mij niet iemand onderricht? De schrijver zorgt ervoor, dat de lezer niet in details blijft steken en zo het overzicht over het geheel kwijt raakt, als voorbeeld noem ik het eerste boek Hozea: én paragraaf over Hozea en zijn tijd (Israels verbondsbreuk, bestraffing en bekering) en één paragraaf over Hozea's prediking (in 15 onderafdelingen uiteengezet). De uitvoerige stof dwingt de schrijver tot beperking. Het is ook nauwelijks mogelijk bijv. de schakeringen of de ontwikkeling van het begrip Dag des Heeren, dat in deze profetieën zulk een bijzondere gol speelt uit te werken (Joel 1 : 15 e.a., Am. 5 : 18, Zef. 1 : 14, Mal. 3 : 23, Stv. 4:5). Om een indruk te geven van de wijze van uitleg volgen nu een aantal verklaringen: et wil mij voorkomen dat de schrijver terecht de opdracht in Hz. 1 : 1 niet symbolisch of allegorisch wil verstaan. Het gaat om reële gebeurtenissen uit het leven van Hozea. (Droom of vizioen bij Maimonides e.a., parabel of allegorie bij Rasji, Hieronymus e.a.) Het lijkt mij ook juist toe, dat de uitdrukking vrouw der hoererijen proleptisch is (hoewel de gedachte dat deze zegswijze zou wijzen op het afgodische van de vruchtbaarheidscultus in Israël). De schrijver veronderstelt, dat h. 3 over een andere vrouw spreekt dan over Gomer. Aan de priester wordt verweten dat zij aan Israël de kennis van Gods verbond en woorden hebben onthouden. Onderstreept wordt het wij in de klachten van de profeet (h. 6 : 1 e.a.; in h. 12 : 5 houdt hij vast aan ons, in verscheidene vert. veranderd in met hem). Terecht wordt Jareb weergegeven met grote koning (van Assyrië). Overh. 13 : 14: aulus laat in 1 Kor. 15 Hoz. 13 : 14 het omgekeerde zeggen van de oorspronkelijke betekenis 'Dat kon en mocht hij doen'. Tenslotte over Hozea: . 2 leert ons nooit de moed op te geven ten aanzien van Gods heilsplan. Ten aanzien van de moeilijke vertaling van Joel 2 : 23 (Stv.) schrijft de auteur: e profeet ziet al voor zich hoe Jahwe Isr. straks van Zijn reddende gerechtigheid zal laten onderwijzen door een leraar in de gedaante van de vroege regen (moreh). Amoswaarschuwt het volk voor de onjuiste conclusie uit 'het eigendom van alle volken'. Men meende, dat God Israël moest helpen in zijn chauvinisme, in zijn politieke aspiraties alsof God niet van Zijn volk afkan. Aangrijpend blijft altijd de geschiedenis van de profeet Jona, die voor God op de vlucht ging en dwars door alles heen de onbegrijpelijke goedheid Gods heeft ervaren. Jona ergert zich bovenmate daaraan, dat God Nineve heeft gespaard. De Allerhoogste is te goed voor Nineve en niet goed genoeg voor de profeet. De schr. vermaant: Laat toch nooit ons oog boos zijn, omdat Hij goed is'. Maar deze uitkomst voor Nineve is uitstel van executie: Nahum spreekt ervan, dat het Nineve zal vergaan als eens No-Ammon in Egypte.
Ook Micha, tijdgenoot van Jesaia, richt zich tegen de leiders van het volk; de leiders van het volk worden aan de kaak gesteld (3 : 12 e.e.). Het volk moet niet menen, dat de zonde door brandoffers goedgemaakt kan worden. De wonden zijn ongeneeslijk (h. 1 : 9). Ook Jerusalem zal verwoest worden, een profetie, die het volk niet accepteert, maar die wel een diepe indruk maakt en waarvan een echo weerklinkt in de dagen van Jeremia (h. 26 : 18). Maar ook hier is het oordeel niet laatste woord: sraël blijft het volk van het verbond en het zal de 'trouwe liefde' (chesed, goedertierenheid, verbondstrouw) van de God van het verbond ervaren.
Het is zeer opmerkenswaard te lezen, hoe het volk betrokken is in de gehele wereldgeschiedenis van die dagen. Het gaat niet buiten de 'kerk' om: wat was Habakuk een gekweld man. Wat is de nood van het volk groot als gevolg van het hoogmoedig optreden van het volk der Chaldeeën. Tegenover de hoogmoed staat de belofte Gods, een woord in het N.T. aangehaald in Gal. 3 : 11 (e.e.) tegenover de dwaalleer waartegen de apostel sterke weerstand biedt: de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Het weinig bekende boek Habakuk heeft zoals hier (H. 2 : 4) blijkt grote dingen te zeggen, ook in het wel bekende gebed h. 3 : 16 v.
Schrijvende over Haggai en de tweede tempelbouw verdedigt de auteur bij h. 2 : 8 in plaats van de Wens aller heidenen (zo o.a. de Statenvert. waar de kantt. luidt: e weten Christus) met kostbaarheden, kleinoden met Calv. die zich beroept op het verband waar sprake is: an Mij is het zilver... (vs 9) In verband met de profetie over de heerlijkheid van de tweede tempel waarschuwt de schrijver tegen scherpzinnige vondsten met behulp waarvan men de H. Schrift Christocentrisch wil maken.
Het tweede gedeelte van de profeet Zach. stelt de uitlegger van alle tijden voor ernstige moeilijkheden. Ik noem alleen Zach. 12 : 10. Hier houdt de schr. zich aan de St. v.: zij zullen Mij aanschouwen. 'Zij zullen tot mij opzien'. Bij de vertaling Geest der genade en der gebeden denkt de auteur aan een hendiadys (één begrip met twee woorden aanduiden), 'bidden om genade, bidden om vergeving'. Dat lijkt mij niet juist: de onbegrijpelijke genade maakt het gebed mogelijk. - Chiliastische verklaringen wijst de schrijver in dit stuk uitdrukkelijk af - . Dit goed verzorgde werk is een behoudende verklaring, populair geschreven. De schrijver valt niet telkens de bijbel in de rede, maar hij vraagt naar wat in een bepaalde tijd de profeet in opdracht van zijn Zender aan het volk heeft doorgegeven. Als naslagwerk is het zeer bruikbaar, maar het nodigt eerder uit om telkens een gedeelte (bijv. Hab. 15 blz., of Hagg. 17) grondig te bestuderen.
Bt.
Henk van As, Ons duister hart Uw lichte woning. Kampen 1983. Ing., 35 p., ƒ 8, 90.
Dit is een bundeltje religieuze poëzie van Henk H. J. van As, die als redacteur en literair criticus verbonden is aan het Reformatorisch Dagblad. Het is zijn debuutbundel. Enige titels: 'Petrus na Pinksteren', 'Gebed voor mijn zoon', 'Bedevaart'. Een zekerevoorkeur voor ongewone en archaïstische woorden/vormen viel mij op: vermaking, gadert i.p.v. vergadert, geluw, arke, christene zielen, lief wicht, etc. Is dit invloed van Bilderdijk, Da Costa en Gossaert? De vormgeving is traditioneel, de thematiek veelal eigentijds. Over het algemeen begrijpelijke poëzie en qua strekking verantwoord, zoals de titel reeds doet vermoeden.
J. de Gier
Mit-Leiden, Russiche Christen und Atheisten im Dialog, herausg. Eugen Voss, G2W Verlag, Zoliikon 1983, 133 S. Fr./DM. 14.
Het boekje bevat een aantal brieven uit Rusland, in duitse vertaling, die eerder in het maandblad Glaube in der 2. Welt verschenen. 264
Het geeft een interessant overzicht van een discussie tussen christenen en niet-christenen die nog steeds doorgaat. Allerlei vragen komen aan de orde en tegenstellingen gaat men niet uit de weg. Ook de christenen blijken heel verschillend in hun denken over God en Zijn. dienst. Opvallend is, dat de diepe sporen die het atheïsme trekt, toch de indruk van Gods Woord niet uitwissen kunnen. Duidelijk is de invloed van filosofen als Berdjajew en Sjestov op het denken van de christenen.
De brieven behandelen twee thema's. De eerste serie is geschreven naar aanleiding van een opmerking van de dichter Lev Druskin, dat christenen het gemakkelijker hebben dan atheïsten, omdat zij geloven. De tweede serie gaat over de zin van het lijden. In de discussie klinkt de stem van het existentialisme duidelijk door. We missen het denken over schuld en verzoening en de rechtvaardiging van de goddeloze. Sommige christenen raken in hun denken ver van de Schrift verwijderd. Voortdurend zou men met hen in gesprek willen raken om andere, bijbelse thema's ter sprake te brengen. Toch verdient deze bundel onze aandacht. In een land, waarin elk gesprek over godsdienst taboe is, blijken in stilte wel degelijk diepgaande discussies gevoerd te worden. Daarbij denken we aan wat de apostel zegt: 'Opdat zij de Heere zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet ver van ieder van ons is. 'In dat licht bezien is het de moeite waard van deze brieven kennis te nemen, hoewel de inhoud moeilijk leest en niet gemakkelijk te begrijpen is zonder enige kennis van theologie en filosofie. De brieven worden ingeleid door Lew Kopelew en een gedichtencyclus van Lev Druskin besluit de bundel. De prijs is niet laag, maar de oplage zal niet groot zijn. Tegelijk mogen we bedenken, dat de uitgever zich op allerlei publicistisch terrein voortreffelijk inzet voor christenen in Oost Europa.
A. W. van der Plas
Het Gereformeerd Onderwijs: Identiteitsbezinning, red. A. Joh. Kisjes, P. A. te Velde; J. H. Kok, Kampen, 1983.
Deze bundel is verschenen ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan van de Vereniging voor Gereformeerde Onderwijsgevenden, G.V.O.L.K.In deze lustrumuitgave ligt het hoofdaccent op de vraag naar het kenmerkende van het Vrijgemaakt Gereformeerde onderwijs. Naast de grote zuilen in de Nederlandse onderwijswereld neemt ook het Vrijgemaakt-Gereformeerde onderwijs inmiddels een belangrijke plaats in. In deze kerkelijke kring keist men consequent voor eigen scholen en men is niet bevreesd om daarvoor financiële offers te brengen.
Een aantal auteurs schrijft over de diverse aspecten van de identiteit van dit onderwijs. Poogt men vanuit de verschillende artikelen een totaalbeeld te vormen dan zou men de eigen identiteit van het gereformeerd onderwijs met de volgende kenmerken kunnen omschrijven. De basis van het onderwijs is de Bijbel; het gezag van de Bijbel wrdt onverkort gehandhaafd. Er is een duidelijke binding aan de belijdenis. De scholen zijn strikt kerkgebonden in toelatingsen benoemingsbeleid, zodanig dat één artikel is genoemd 'drieërlei catechese', in het gezin, op school en in de kerk. Deze exclusiviteit beleeft men als noodzaak. Onderwijs is onderwijs aan verbondskinderen, waarbij een ijzeren consequentie wel heel sterk de stolp van het verbond over het mens-en kind zijn trekt. Er is weinig besef van tweeërlei uitkomst.
Geen wereldmijding, maar een krachtig benadrukken van ieders roeping in de wereld geeft een aktieve toewending naar het brede front van aktiviteiten. Daarbij is de antithese tussen kerk en wereld vooropgesteld. Naar het onderwijs toe: onderwijs is primair een taak van de ouders, dat betekent een zo gering mogelijke plaats voor de overheid.
Als men al tegenwerpt dat met bovenstaande omschrijvingen nog niet zoveel gezegd is over het onderwijs zelf, dan moet bedacht worden dat nuanceringen in levensovertuiging vertaald worden naar het onderwijs en van invloed zijn op onderwijsinhouden en zeker bepalend zijn voor sfeer op scholen. De rechtlijnige betoogtrant kan nader worden aangetoond aan de hand van de stelling: het onderwijs is een zaak van ouders. Een diepgravend opstel over 'onderwijs en grondwet', (de uitvoerigste bijdrage van deze bundel) is vanuit deze overweging geschreven. Zeer nauwkeurig is nagegaan waar in wetgeving en in formulering van het bekende artikel uit de Grondwet afwijkingen zijn te constateren en waar de overheid de plaats van de ouders inneemt. Met overtuiging wordt gekozen voor het bijzonder onderwijs. Een opstel over Groen van Prinsterer (op wie men zich graag beroept) laat even de verlegenheid zien wanneer het gaat over de gedachte van Groen omtrent de nationale school. Begrip voor theocratische noties als het ideaal van de openbare school met de Bijbel is volstrekt afwezig. De overheid heeft hier geen taak, het zijn alléén de ouders.
Mocht men op grond van het bovenstaande kunnen denken dat de geboden identiteitsbezinning alleen maar uitdrukking geeft aan een zelfverzekerd en rechtlijnig groepsdenken, dan zij verwezen naar de bijdrage van prof. Van Bruggen 'Het christelijk karakter van een gereformeerde school'. Uit deze bijdrage klinkt ook kritiek naar binnen toe vanuit de vraag of de gereformeerde zede in eigen kring nog wel volledig aanwezig is in de praktijk van alle dag.
Samenvattend: dit boek geeft een goed overzicht van de bedoelingen van het (Vrijgemaakt) Gereformeerde schoolleven, het laat de eenzijdigheden onverhuld kennen, maar roept ook respekt op voor al datgene wat aan denkarbeid, aan offers, aan onderwij saktiviteiten gedaan wordt terwille van gereformeerde scholen en de kinderen der gemeente.
M. Burggraaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's