Uit de Pers
Christelijk voortgezet onderwijs - hoe verder?
De Unie 'School en Evangelie' heeft in het maartnummer van haar bulletin een aantal gegevens over de situatie binnen het christelijk voortgezet onderwijs op schrift gesteld in de vorm van reacties van leerlingen, oud-leerlingen en docenten. Dit materiaal is aan een aantal vertegenwoordigers uit kerk, onderwijs, politiek en samenleving toegezonden, met het verzoek dit materiaal van commentaar te voorzien en in te gaan op de vraag naar de mogelijkheden om in de scholen inspiratie voor jongeren te (her)vinden in het Evangelie, het onderwijs- en vormingsaanbod tot iets te maken, dat voor hen en hun toekomst zin heeft en als docententeams meer saamhorigheid te ervaren en samen inspiratie op te doen uit de Bijbel?
We geven hier enkele fragmenten uit de ingezonden reacties. Prof. dr. H. Berkhof is van mening dat de opdracht binnen het christelijk onderwijs zich primair moet richten op geborgenheid en dan op verantwoordelijkheid. Alleen wie zich veilig weet, zegt hij, kan zijn nek uitsteken. Belangrijk is dat de leraar zelf in die dubbele genade van geborgenheid en verantwoordelijkheid, rechtvaardiging en heiliging mag ademen. Berkhof wijst ook op de betrokkenheid van de gemeente.
'En ik zou zo graag willen, dat de leraren hun werk in hun kerkelijke gemeente meer in het gebed en in de gespeksthema's betrokken zouden zien. Waarom altijd die eenzijdige aandacht voor de zieken, en zo weinig voor de opvoeders, de uitkeringstrekkers, de mensen met grote verantwoordelijkheden, de overgeslagenen enz.? Juist voor degenen die aan de plus- en aan de minus-zijde de lasten te dragen hebben? Maar wie neemt, het initiatief? De kerken hebben ten aanzien van de frontsituatie van de chr. scholen voor v.o. nog heel erg verstek laten gaan. Onze leraren staan aan het front - plaatsvervangend - voor ons allen. Daarom zou ik tegen hen tenslotte nog willen zeggen: gewoon doormodderen zonder u te laten ontmoedigen !'
'k Meen dat dat laatste bijzonder belangrijk is: betrokkenheid van de kerk. Omgekeerd zou ik wel erbij willen zeggen: Laten allen die als leraar bij het onderwijs betrokken zijn die verbondenheid met de gemeente ook zoeken. Soms schrik je wel eens van de gedistantieerdheid die je bij leerkrachten opmerkt ten aanzien van het kerkelijk leven. Uiteraard mogen we niet generaliseren. Maar het is van eminent belang dat kerk en school elkaar steunen, stimuleren en dragen. B. Keuning, bestuurslid van een christelijke scholengemeenschap in Woerden, wijst op de betekenis van het vak godsdienst. Sprekend over de bijdrage van de lessen godsdienst zegt hij:
'Indien dat overigens algemeen wordt onderkend, dan zal aan het vak godsdienstonderwijs wel meer gewicht moeten worden toegekend. De inrichting van het vak godsdienst zal moeten worden opgenomen. (De opmerking van een oud-leerling "Godsdienstles is het aanhoren van kletspraatjes'' spreekt duidelijke taal en sluit ook aan bij mijn eigen ervaring). Een "echt'' vak telt mee en kan derhalve ook geen facultatief karakter hebben. Het godsdienstonderwijs zal allereerst een brede basis moeten leggen voor wat de bijbelkennis betreft - laat de school maar een "leerhuis'' zijn, zeker in de lagere klassen. In de hogere klassen kan daarna meer aandacht worden gegeven aan de praktische toepassing, aan andere godsdiensten en aan een maatschappelijke oriëntatie. Daarnaast zullen allen die lesgeven op scholen voor christelijk voortgezet onderwijs de uitdrukkelijke bereidheid moeten hebben om een bijdrage te leveren aan de opvoeding van de leerlingen gebaseerd op de evangelische boodschap. Tijdens hun opleiding zullen toekomstige docenten van het voortgezet onderwijs hieraan aandacht dienen te besteden. "Het uit overtuiging kiezen voor het christelijk onderwijs'' is uitermate belangrijk, doch zonder didactische vorming onvoldoende.'
Het is van grote betekenis dat aan de opleiding van godsdienstleraren in het voortgezet onderwijs zo veel aandacht wordt gegeven, zowel vanuit theologisch als paedagogisch/didactisch punt. Anderzijds zien we hoe door de voortgaande bezuinigingen op vele scholen ook het vak godsdienst zijn tol moet betalen. Het blijkt in de praktijk vaak erg moeilijk leerlingen hiervoor te motiveren. Of opheffing van het facultatieve karakter een remedie is? I. A. Kole, adjunctdirecteur van 'De Driestar' wijst op samenwerking in verbondenheid met de grondslag in een persoonlijk ernst maken met de boodschap van de Schrift:
'Ik pleit niet voor levensvreemd onderwijs geven, maar voor veiligheid en geborgenheid, voor confrontatie én leiding en begeleiding. Voor goed onderwijs gedragen door beginselen die stoelen op de hoofdzaken van het christelijk geloof, zoals die b.v. verwoord zijn in de drie formulieren van enigheid. Ik pleit voor een goed overleg tussen de collega-docenten over de algemene levensbeschouwelijke uitgangspunten, ingeleid door een collega niet van buiten, maar uit de collega's zelf. Voor presentatie van het eigen vak aan de collega-docenten waarin aangegeven wordt op welke wijze de uitgangspunten te herkennen zijn op de vloer van het onderwijs. Zodat we samen werken aan de zaak, waarvoor we van de Schepper van ons leven gaven ontvangen hebben.
Ik pleit voor een goede weekopening en -sluiting waar een thema vanuit een bijbelgedeelte kort toegelicht wordt, er gebeden en gezongen wordt tot de eer van Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is, Christus naar wiens Naam onze scholen genoemd zijn. Ik pleit voor een dagelijks beginnen met Schriftlezing en gebed, soms wel, soms geen toelichting, laat de situatie bepalend zijn. Zodat we in alles laten zien dat onze verwachting is van Hem die alle macht heeft in hemel en op aarde en die nooit laat varen wat Hij beloofd heeft. Ik pleit voor het minstens één keer per jaar opzetten van een gezamenlijke actie, waarbij de hele schoolgemeenschap betrokken is en de baten bestemd zijn voor b.v. een project in de Derde Wereld. Misschien als afsluiting van de cursus, waarin elke klas elke maand geld meebracht voor een adoptieproject via de Unie "School en Evangelie'', Tear Fund of Woord en Daad.
Als we gezamenlijk onze schouders zó onder het werk mogen zetten, dan moeten onze leerlingen toch benieuwd zijn waar we onze kracht en wijsheid vandaan halen en moeten ze toch zien dat onze levens gedragen worden door het gebed: Leer ons naar Uw wil te handelen. Dan zullen we in Uw waarheid wandelen.'
De christelijke school als gemeenschap is een veel geprezen (en terecht) ideaal. De praktijk laat zien hoezeer we met vallen en opstaan onze weg moeten gaan. Wij hebben in ons land nog grote mogelijkheden. En dit nummer laat zien hoe er bij alle zorgwekkende verschijnselen toch geen reden voor fatalisme of doemdenken is. Want er is ons een schat toevertrouwd: het Evangelie van Christus. Daarin mag voor elk die zijn bijdrage levert binnen het onderwijs ook een bron van bemoediging liggen.
***
Overheid en zedelijkheidswetgeving
In 'De Wekker' van 6 april schrijft prof. dr. W. H. Velema over de taak van de overheid ten aanzien van de zedelijkheidswetgeving, d.w.z. het gebied van goed en kwaad in de omgang met elkaar. Welke norm hanteren we? En hoever gaat de overheid in haar regelgeving? Zedelijkheid vraagt een positieve instelling met betrekking tot het leven van de naaste. Welke rechtsbescherming kan de overheid op dit punt bieden? Om welke vragen gaat het dan?
'Met zedelijkheidswetgeving hebben we een heel bepaald terrein van de zedelijkheid op het oog. Het gaat bij de vraagstukken van de zedelijkheidswetgeving vooral om seksualiteit en alles wat daarmee samenhangt. Ik noem enkele concrete onderwerpen: pornografie, verkrachting, seksueel contact met minderjarigen (pedofilie). Ik zou in dit verband ook willen noemen de vragen rond huwelijkswetgeving en echtscheiding. Huwelijk en echtscheiding vormen in de wetgeving een terrein op zichzelf. Men onderscheidt de huwelijkswetgeving van de zedelijkheidswetgeving.
Heeft de overheid in de vraagstukken van de zedelijkheid een taak? Die taak heeft zij ongetwijfeld. Die taak raakt de publieke kant van deze problemen. Ik spreek over de publieke kant, omdat de overheid de taak heeft de burgers te beschermen tegen geweld, misbruik en onrechtvaardige behandeling van de zijde van een medeburger.
De plicht om onderdanen te beschermen houdt in, dat de overheid aanranding en verkrachting strafbaar moet stellen. Bij aanranding en verkrachting wordt de een (meestal zal het een vrouw zijn) door de ander onder bedreiging of met gebruikmaking van fysieke overmacht (dat is dan met geweld) misbruikt. Het gaat om het dulden of plegen van seksuele handelingen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Iets dergelijks geldt van seksueel contact, dat een volwassene met een kind pleegt. Ook daarin zit iets van overmacht van de volwassene jegens het kind. Soms zal verlokking en verleiding de plaats innemen van het fysieke geweld. Soms gaan deze samen. De overheid heeft de taak kinderen te beschermen tegen zulke door de een aan de ander opgedrongen of afgedwongen contacten.
Welke normen moet de overheid hierbij hanteren? Uit de weergave van de standpunten blijkt dat velen zeggen: De meningen veranderen. Die verandering voltrekt zich in een snel tempo. De overheid loopt in haar wetgeving eigenlijk steeds achter bij wat de mensen ervan vinden en denken. Derhalve moet de overheid zich tot een minimum beperken. Zij kan eigenlijk nauwelijks meer vaste regels stellen.
Dit vind ik een hachelijke redenering. Zij komt er immers op neer, dat mensen uitmaken wat goed en kwaad is. De overheid zou zich bij die onderling verschillende en zich sterk wijzigende opvattingen omtrent goed en kwaad moeten aanpassen.
Met een dergelijke onduidelijkheid en onzekerheid valt niet te leven. De taak van de overheid is juist te midden van onduidelijkheden en tegenstrijdige meningen, bij botsingen van begeerten en belangen, recht te doen. Dat recht moet mede hierin uitkomen dat de ene mens geen slachtoffer mag worden van het geweld, de begeerte of de kwade wil van de andere mens. De overheid heeft tot taak duidelijke grenzen te trekken, ter bescherming van de burgers, die leden zijn van een rechtsgemeenschap. Dit betekent met name, dat de overheid de taak heeft om haar onderdanen te beschermen tegen inbreuk op hun vrijheid. Dat is tegen ongewenste seksuele contacten. Als de overheid inbreuk op de vrijheid van anderen strafbaar stelt, dan is ze niet betuttelend, of zedemeester-spelend bezig. Dan doet ze wat de onderdanen van haar mogen verwachten. De een moet tegen de ander beschermd worden. Dat is mede een taak van het recht. Waar de overheid die taak verwaarloost, zal het recht van de sterkste gaan regeren. Dat recht staat gelijk met de tyrannie van de sterkste. Deze plicht van de overheid geldt het beschermen van een volwassene tegen misbruik van fysieke overmacht door een ander.
Deze beschermingsplicht geldt ook kinderen, die ten opzichte van volwassenen niet in een positie van gelijkheid verkeren. Zij zijn wat hun psychische ontwikkelingen, wat hun mogelijkheid om zelfstandig in het besef van hun volle verantwoordelijkheid te kiezen, niet de gelijke van een volwassene. Daarom dient de overheid kinderen te beschermen tegen hun verleidelijk opgedrongen of zelfs afgedwongen seksuele contacten.
De waarde die de overheid aan deze beschermingstaak toekent, zal mede daaruit blijken, dat de overheid misbruik van psychische of fysieke overmacht tot een zaak van het strafrecht maakt. Als de overheid dergelijke handelingen strafbaar stelt, neemt zij het op voor haar taak van bescherming van burgers. Dat doet ze duidelijker en directer dan wanneer ze deze zaken civielrechtelijk regelt. In dat geval moet de benadeelde, overweldigde partij een klacht indienen en bewijzen dat zij schade heeft ondervonden. Naar mijn oordeel dient de overheid op dit punt duidelijkheid te scheppen door overtreding in het strafrecht strafbaar te stellen. Geweldpleding is meer dan een zaak van een procedure tussen twee burgers. De rechtsbescherming van de zijde van de overheid is in het geding. Derhalve dient de overheid overtreding van de regels strafbaar te stellen. Daarmee begeeft zij zich op het gebied van de zedelijkheidswetgeving. Het is haar taak dit te doen. Ten onrechte zou ze van betutteling beschuldigd worden als ze overtreding strafbaar stelt.
De taak van de overheid: niet pragmatisch maar principieel.
Een samenleving kan niet zonder duidelijke regels, zonder vaste normen. Het getuigt van weinig zicht op de taak van de overheid, als men stelt, dat de wal het schip wel keert. Daarmee zegt me dan: De ervaring leert dat er regels moeten zijn. Als de ene groep in de bevolking van standpunt verandert, dan is er wel weer een andere groep die voor de regels opkomt. In het genoemd geval van de progressieve vrouwen.
Een overheid moet niet opportunistisch te werk gaan. Ze mag niet uitgaan van de vraag: waaraan bestaat behoefte? Wat wil het volk? Dat zou neer komen op een pragmatische aanpak. De overheid heeft recht te doen ook via de zedelijkheidswetgeving. We zouden een gelijke redenering oo kunnen volgen op het gebied van de huwelijkswetgeving. Ook daarin heeft de overheid te maken met de zedelijkheid. Die komt aan de orde via de rechtsbescherming van mensen in het huwelijk, en via de bescherming van het huwelijk zelf in het recht. De overheid kan er niet onderuit er zake van de zedelijkheid partij te kiezen. De geboden vijf tot en met negen zijn daarbij ook vandaag een rechtvaardig en heilzaam richtsnoer.'
Het zal niet eenvoudig zijn in een tijd waarin een sterke tendens tot individualisering aanwezig is en velen op dit punt een houding van onbeperkte vrijheid propageren voor deze inzichten gehoor te vinden. Er is verschil tussen recht en zedelijkheid. Men kan zeggen dat de zedelijkheid dieper graaft en ook let op de gezindheid. Maar zedelijkheid en recht hebben veel met elkaar te maken. De overheid dient in een rechtsstaat een beschermend schild op te heffen. En vanuit de calvijnse traditie is het goed daarbij te wijzen op de betekenis van de Wet Gods ook voor een democratie. Zonder rechtsbeginselen verwordt een democratie. Het is overigens een merkwaardige ontwikkeling.
Enerzijds bepleit men zo min mogelijk regelgeving ten aanzien van de zedelijkheidswetgeving, en anderzijds roept men om sancties tegen discriminatie, d.w.z. tegen hen die op grond van hun overtuiging neen zeggen tegen bepaalde visies en dat ook door willen laten werken in een benoemingsbeleid. Meer dan ooit is het van belang dat christenen zich bezinnen op de bijbelse opdracht die er ligt voor de overheid opdat we niet ons laten meeslepen door de afgod 'maatschappelijke ontwikkeling'.
Het is niet goed altijd trendvolger te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's