De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Als mensen geen uitweg meer zien... (4)

Bekijk het origineel

Als mensen geen uitweg meer zien... (4)

Over suïcide

9 minuten leestijd

De Heere is voor ons de hoogste Autoriteit en we leggen ons leven en ons sterven in Zijn hand (Romeinen 14 : 7-9).

Waardering van de suïcide

Kuitert geeft in zijn boek 'Suïcide: wat is er tegen?' een uitvoerig overzicht van de waardering van suïcide in de loop van de geschiedenis. Hij laat het niet daarbij, maar laat zijn evaluatie uitlopen op een beslist pleidooi voor herwaardering van de zelfdoding. Ik volg hem nu maar op de voet met van tijd tot tijd kritisch kommentaar op zijn bewering of stellingname. De schrijver merkt op dat zowel het Neen tegen suïcide als het (minder vaak voorkomende) Ja een zekere mate van eenvormigheid vertonen: dezelfde argumenten keren telkens terug. Thomas van Aquino (overleden 1274) neemt een spilpositie in bij de vertolking van het klassieke Neen. Enerzijds grijpt hij terug op wat eerder door Plato en binnen het christendom vooral door Augustinus over de kwestie te berde was gebracht. Anderzijds wordt er tot op de huidige dag toe voortgeborduurd op de door Thomas op een rij gezette argumenten. Thomas voert met name drie argumenten tegen suïcide aan:

a) de handeling is in strijd met de natuurlijke neiging tot zelfliefde en zelfbehoud, alsook met de bovennatuurlijke liefde die een christen zichzelf verschuldigd is (vooronderstelling hierbij is dat het leven een goed is en de dood een kwaad);

b) de handeling moet gekwalificeerd worden als onrecht jegens de gemeenschap waartoe wij behoren;

c) de handeling is zonde tegen God, Wiens eigendom wij zijn en aan Wie het recht om over leven en dood te beslissen, toekomt (Deuteronomium 32 : 39).

Wie de beslissing over leven en dood in eigen hand neemt, schendt Gods rechten. Zo kon Plato het ook schrijven in zijn Phaedo: zoals een slaaf niet eigenmachtig kan optreden tegenover zijn heer, zo moeten wij wachten totdat de godheid ons uit dit leven wegroept.

Van deze drie argumenten heeft het laatste in de loop der historie eigenlijk steeds meer gewicht gekregen. Het werd bij christelijke denkers en moralisten het hardste argument dat tegen suïcide in het veld gebracht kan worden. Er is meer en meer sprake van een concentratie van het Neen op het godsdienstig argument. Zo in de twintigste eeuw bij iemand als G. Brillenburg Wurth die spreekt van 'de heilige roeping om het leven als een heilig geschenk tot het einde lief te hebben'. Dietrich Bonhoeffer erkent dat de mens de vrijheid heeft om zijn leven te geven of te bewaren. Die vrijheid is volgens hem wezenlijk voor het menszijn. Maar hij legt sterke nadruk op het motief tot zelfdoding, op het rechte gebruik van deze menselijke vrijheid. De suïcide als offer is aanvaardbaar, maar de suïcide die de vernietiging van eigen leven als doel heeft, is opstand tegen God. Een mens voltrekt dan het oordeel over zichzelf in plaats van het aan God over te laten. In een atheïstische ethiek zou zelfmoord zeer wel verdedigbaar zijn, maar vanuit godsdienstig gezichtspunt is suïcide een misgreep. Bij Bonhoeffer zien we dus een volstrekte concentratie op het godsdienstig argument. Dat geldt ook van Nils Soe, leerling van Karl Barth. Wie gelooft in God, gelooft in de zin van het leven en kan nooit bij een negatieve balans uitkomen. Karl Barth zelf spreekt eveneens een ondubbelzinnig 'neen' uit. Wij zijn het eigendom des Heeren en niet van onszelf. De diepe problematiek van de zelfdoding is dan ook het zichzelf soeverein achten. De mens wil God niet Gód laten zijn. Typisch voor Barth is dat hij suïcide niet met Thomas als verkeerde keuze tegen de natuur beschrijft, maar als verkeerde keuze tegen de genade! Pas als we God kennen en prediken als de genadige God, blijkt de volstrekte verwerpelijkheid van de zelfdoding. God gunt ons het leven. Wie uit het leven stapt, vergist zich in zijn oordeel over het leven: het is sedert de genade verschenen is geen last meer, maar een geschenk. Kuitert spreekt bij dit overzicht van 'het Neen van de theologen' van 'een zich terugtrekken op de onaantastbare burcht van de godsdienst' en 'een betreurenswaardige versmalling van de discussie over zelfdoding' (blz. 65). Het moet mij van het hart dat hier een christelijke erfenis van vele eeuwen wel erg negatief gewaardeerd wordt! Heel andere geluiden klinken wat dat betreft bij Douma en Exalto, naar wie ik graag verwijs voor een brede weergave van wat van gereformeerde zijde in de loop der eeuwen over suïcide gezegd en geschreven is. Met name Exalto geeft veel historisch materiaal. Zijn conclusie uit dit materiaal is: 'Alle vingers wezen naar de woorden zonde, schuld en oordeel Gods. Hierover is in de christelijke traditie geen onenigheid geweest. Anders licht de zaak ten aanzien van de vraag, of alle zelfmoordenaars moeten gacht worden verworpenen te zijn geweest, die verloren zijn gegaan. Daarover heeft binnen de christelijke kerk wèl een controverse bestaan' (blz. 61, 62) Lang niet altijd is in de christelijke traditie beweerd dat alle zelfmoordenaars voor eeuwig verloren zouden zijn. Daar is dan ook géén Schrift-bewijs voor. Maar terug naar Kuitert, die laat zien dat ook van niet (bij uitstek) christelijke zijde een Neen tegen suïcide is uitgesproken. Zo was Immanuël Kant (1724-1804) tegen zelfdoding, hoewel hij toch wilde redeneren vanuit de vrijheid die de mens toekomt. Maar: wie zichzelf doodt, heft zichzelf als vrijheid op. Die kan niet meer op vrije wijze mens zijn! Zelfdoding is verraad aan de plicht die we als mensen tegenover onszelf hebben. En daarom - zo wil Kant er aan toevoegen - is het ook zonde tegenover God.

Ja tegenover suïcide

Er is echter niet alleen het Neen, er is ook vanouds het Ja tegenover suïcide. Hiervoor leveren wijsgerige stelsels uit de oudheid het model (met name de Stoa). Zelfdoding behoort hier tot de rechten van de (wijze!) mens. De denkende geest kent de Wereldgeest - hij weet signalen op te vangen om niet in opstand tegen maar in gehoorzaamheid aan de godheid, op de rechte tijd dit leven te verlaten. Exitus patet, de uitgang staat open! Deze gedachte wordt vooral in de tijd van de Verlichting (tweede helft van de achttiende eeuw) weer opgepakt, hoewel zij altijd wel ondergronds aanwezig is geweest. Montesquieu kon schrijven: 'het leven is mij bij wijze van gunst gegeven; ik kan het dus teruggeven wanneer het geen gunst meer is. Wanneer ik zelfmoord pleeg, maak ik slechts gebruik van het recht dat mij gegeven is?' David Hume citeerde met instemming Seneca: 'laten wij God danken dat niemand tegen zijn zin in het leven kan worden gehouden'. Deze gedachte-lijn heeft in onze tijd opnieuw veld gewonnen, soms zelfs in extreme vorm (F. Nietszche, Jean Améry). Wat is nu Kuiterts positie? Hij acht suïcide niet per definitie een immorele handeling. Niet elke zelfdoding kan als een daad die strijdig is met ons mens-zijn worden bestempeld. Het is waar dat de meeste mensen het leven niet willen verkiezen. Zij geven de voorkeur aan het leven boven de dood (een zogenaamde 'empirische generalisatie'). Het verbod om te doden is dan ook niet willekeurig. Menselijk leven vertegenwoordigt voor ons een zeer hoge waarde. Maar daarmee is nog niet gezegd dat élke vorm van menselijk leven de moeite van het beschermen waard is! Wat te doen als de betrokkene zélf zijn leven niet meer de moeite van het leven waard vindt? Heeft hij dan ook nog een keer het recht om niet te leven? Er bestaat volgens Kuitert geen absolute plicht tot leven. Mensen kunnen dan ook goede redenen hebben om hun leven te beëindigen. De mens mag een afweging maken waarin sommige zaken hoger kunnen worden gesteld dan eigen leven. Dat behoort tot de vrijheid van de mens, in de zin van zijn recht op zelfbeschikking. Met dat woord 'zelfbeschikking' is een kernwoord uit heel het betoog van Kuitert genoemd. Zelfbeschikking is de rode draad die zijn boekje over suïcide met dat over euthanasie verbindt. Terecht heeft dr. S. Meijers Kuiterts visie getypeerd als 'de moraal van het zelf-beschikte sterven'. Voor Kuitert is suïcide niet altijd een mo­reel kwaad, al is het wel altijd een ramp. Hij wil er niet lichtvaardig over spreken, maar nog minder in bijvoorbaat veroordelende zin. Wie de hand aan zichzelf slaat, moet volgens Kuitert goed overwegen dat hij een ramp over zich heen haalt: hij berooft zichzelf vrijwillig van mogelijkheden tot verdere ervaring en ontplooiing en daarmee van die dingen die het leven de moeite waard maken. Bovendien: 'er bestaat geen prettige suïcide'. Maar... je kunt een ramp verkiezen om een nog grotere ramp te vermijden. Dat is een afweging waarover te praten valt. Ook anderen zijn bij een suïcide betrokken, zij worden geheel ongewild en ongevraagd in de ramp meegesleurd. Degene die zelfdoding overweegt moet zich afvragen: wat doe ik anderen aan en wat onthoud ik ze door heen te gaan? Maar... de omgeving mag iemand niet beroven van zijn vrijheid tot zelfdoding. Iemand heeft recht op respekt voor zijn eigen afweging, hij kan 'een afspraak met de dood' hebben. Geloof is volgens Kuitert géén contra-argument tegen suïcide. In dit verband vloeit er een enormiteit uit zijn pen. Naar aanleiding van Filippenzen 1 : 23 schrijft hij dat Paulus een consistent en duurzaam verlangen naar de dood ten toon spreidde. Zo zou het harde Neen tegen suïcide door het geloof gerelativeerd worden! Maar, mij dunkt, een kind in de gemeente van Christus kan toch wel begrijpen dat Paulus niet naar de dood, maar naar de volle en ongestoorde gemeenschap met Christus verlangde! Bovendien is het nimmer bij Paulus opgekomen om eigenmachtig de post waarop de Heere hem gesteld had, te verlaten, ook al zag hij soms verlangend uit naar de aflossing van de wacht.

Kuitert heeft het spoor van de christelijke ethiek verlaten. Met zijn beklemtoning van de autonome, dat is de eigenwettelijke, over zichzelf beschikkende mens heeft hij zich vereenzelvigd met de positie van de heidense Stoa. Helaas beleven we een cultuurfase waarin de gedachte van een onbepaalde en haast onbeperkte vrijheid van de mens zo ongeveer gemeengoed is geworden. Vanuit het christelijke geloof zullen we ons daarvan echter ten principale moeten distantiëren. Het moet ons te doen zijn om een theonome moraal. Dat wil zeggen dat de Heere voor ons de hoogste Autoriteit is en dat we ons leven en ons sterven in Zijn hand leggen (Romeinen 14 : 7-9).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Als mensen geen uitweg meer zien... (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1984

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's