Waar bevinden zich de nazaten van 1834?
Met andere woorden, in een drietal kerken in ons land zijn directe lijnen tot op de Afscheiding aanwijsbaar...
Veel aandacht wordt dit jaar gegeven aan het feit, dat het 150 jaar geleden is dat de Afscheiding - met Hendrik de Cock in Ulrum - plaats vond. De jaarvergadering van de Gereformeerde Bond stond vorige week ook in het teken van bezinning op de Afscheiding. We kunnen ons intussen de vraag stellen waar vandaag de échte nazaten van 1834 zijn te vinden. Dit vanwege het feit dat de Afscheiding kerkelijk nogal heel verschillend is uitgekristalliseerd. Duidelijk is dat van meet af na de Afscheiding gepoogd werd kerkelijk orde op zaken te stellen door het vormen van een geordend kerkelijk verband. De Christelijk Afgescheiden Gereformeerde Kerk bundelde een groot deel van de afgescheidenen. (Na 1869 de Christelijke Gereformeerde Kerk.) In 1892 verenigde een groot deel van deze kerk zich met de kerk van de Doleantie, die in 1886 was ontstaan en vormden verder de Gereformeerde Kerken in Nederland, waarbij de Christelijke Gereformeerde Kerken weer terzijde bleven en zo de kerk van de Afscheiding zelfstandig voortzetten. In 1944 scheidden de Vrijgemaakt-Gereformeerde Kerken zich van de Gereformeerde Kerken af.
Met andere woorden, in een drietal kerken in ons land zijn directe lijnen tot op de Afscheiding aanwijsbaar, namelijk de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken en de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerken, waarvan nog weer eens zijn afgescheiden de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Vraagt men nu wat het geestelijk spoor is van deze kerken, stammend uit de Afscheiding, dan moet worden gezegd dat er sprake is van grote verscheidenheid. Afgezien van het feit dat van huis uit deze kerken getypeerd kunnen worden door binding aan de belijdenis, in geestelijk opzicht - en we denken dan met name aan de spiritualiteit - zijn er grote verschillen. Wie de Afscheiding bijvoorbeeld wil typeren met nadruk op de bevinding, op het innerlijk werk van de Heilige Geest, die vindt in genoemde kerken nu niet direct één omlijnd patroon.
Maar bovendien, daar zijn dan nog die andere kerken, die op een of andere wijze uit de Afscheiding stammen, namelijk die kerken, die ontstaan zijn als een samenvoeging van de ledeboeriaanse en kruisgezinde gemeenten; die gemeenten die los van enig kerkelijk verband zelfstandig (voort)bestonden. Door ds. G. H. Kersten werden ze evenwel in 1907 verenigd tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en N. Amerika, zodat ook deze gemeenten een geordend kerkverband vormden, zij het dat ook toen oud-gereformeerde gemeenten zelfstandig bleven. In 1953 vond ook hier weer een afsplitsing plaats toen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland ontstonden met dr. C. Steenblok c.s.
Krabbendijke
Aanleiding tot het schrijven van dit artikel is een boek, dat uit de kring van de ledeboerianen en kruisgezinden afkomstig is. Het is getiteld 'Vergeet zijn grote daden niet' en bevat 'schetsen uit het kerkelijk leven en de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente te Krabbendijke'. Hoewel dit boek uiteraard geconcentreerd is op genoemde gemeente, bevat het toch een breder stuk kerkgeschiedenis over de Afscheiding en het ontstaan van afgescheiden gemeenten, die niet direct in de Christelijk Afgescheidene Kerk een plaats kregen, voornamelijk in Zeeland.
Het kan niet onze bedoeling zijn uit het geschiedkundige deel met betrekking tot de Afscheiding te citeren. Daarover zijn genoeg handboeken beschikbaar. Uiteraard komt aan de orde de aanklacht van ds. A. P. A. du Cloux te Vierhuizen tegen ds. H. de Cock te Ulrum vanwege het feit dat De Cock twee kinderen uit Vierhuizen doopte, met gevolg: schorsing van ds. De Cock en de beslissing van ds. De Cock op 14 oktober 1834 om zich af te scheiden.
Verder komen uiteraard de andere 'vaders' van de Afscheiding aan de orde, t.w. H. P. Scholte, G. F. Gezelle Meerburg, S. van Velzen, A. Brummelkamp en A. C. van Raalte.
Ds. H. J. Budding
Uitvoerig aandacht wordt echter gegeven aan 'de man die in Zeeland werd gebruikt om de kerk te doen terugkeren naar de aloude gereformeerde belijdenis', iemand die 'zowel in gaven als karakter en levensloop sterk verschilde met de andere vaders der Afscheiding', t.w. ds. Huibert Jacobus Budding, die als kandidaat in het Zeeuwse Biggekerke begon, maar die, toen de processen tegen de afgescheidenen begonnen, het voor de afgescheidenen opnam en tenslotte ook brak met het Hervormd Genootschap en daarna de Afscheiding in Zeeland zeer heeft bevorderd.
Toen gemeenten zich echter aaneenvoegden en bereid waren de 'Vrijheidsaanvrage voor de Afgescheidenen' bij koning Willem I in te dienen, keerde hij zich van de afgescheidenen af, waarna zijn leven een wonderlijk verloop kreeg. Nadat hij naar Groningen vertrokken was, was de vrijheidsaanvrage kennelijk geen probleem meer omdat hij daar de Christelijke Afgescheiden Gemeente ging dienen en de 'nieuwe psalmen' (berijming van 1773) wel liet zingen in tegenstelling tot in Zeeland, waar hij aan Datheen vasthield. Later is hij uitgeweken naar Amerika, daar boer geworden, en weer teruggekeerd in Nederland is hij afvallig geworden, met name toen hij de Drieëenheid ging loochenen. In Goes werd hij begraven. De lijkkoets werd begeleid door een protestantse, een joodse en een roomse lijkdienaar.
Intussen had ds. Budding in Krabbendijke ook de stoot gegeven tot de uiteindelijke vorming van een Afgescheiden Gemeente (9 oktober 1836). Toen de kwestie van de vrijheidsaanvrage ging spelen volgde de gemeente te Krabbendijke ds. Budding en ging zich (oud)gereformeerde gemeente noemen. Men hield verder vast aan de psalmen van Datheen. En zo kwam deze gemeente - zoals ook elders op verschillende plaatsen het geval was - op een spoor los van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk. De gemeente kwam daarna op het spoor van ds. L. G. C. Ledeboer, de predikant van Benthuizen, die daar vanwege het gezangenboek in conflict kwam met het Hervormd Genootschap. En dan volgt in het boek verder de geschiedenis van deze ledeboeriaanse gemeente, vandaag een gemeente behorend tot de kring van die gemeenten, die door ds. G. H. Kersten bijeenverzameld werden uit de verstrooiing.
Boeiend
Dit boek overstijgt, als gezegd, de grenzen van een plaatselijke gemeente. Het brengt een tijdsbeeld tot leven, een tijdsbeeld gekenmerkt door een hartstochtelijke strijd tussen verlichten en orthodoxen, tussen hen, die afkerig waren van de 'oude waarheid' en hen die deze waren toegedaan. Met schaamte namen we ook uit dit boek weer kennis van de onheuse bejegeningen van de afgescheidenen door het Hervormd Genootschap, door middel van de overheid. Al moet óók gezegd dat het optreden van bepaalde afgescheidenen niet altijd zo hoogstaand was. Met respect mag echter worden omgezien naar die oprechte vromen, die stonden voor hun zaak en - ondanks al het menselijk gedoe en gekrakeel dat er óók was - in de vreze des Heeren leefden en stonden naar een prediking, die de diepten van het menselijk hart in schuld voor God blootlegt en het oneindig erbarmen van God in ontfermende genade uitlegt. De generatie van nu kan winst trekken uit een boek als dit, omdat er onverzettelijkheid in doorstraalt als het gaat om het bewaren van het volk bij de leer van de souvereine genade.
En toch . . .
Toch zou het onjuist zijn als ook niet een aantal kritisch-bezinnende kanttekeningen werden gemaakt bij een boek als het onderhavige, opmerkingen die óók een plaatselijke situatie (in dit geval met betrekking tot Krabbendijke) overstijgen.
In de eerste plaats valt het mij op, dat in het voorwoord bij deze bundel, geschreven door de kerkeraad van de Gereformeerde Gemeente te Krabbendijke, de klacht wordt geuit dat - tegen de achtergrond van de getuigenissen uit vroeger jaren - we thans een donkere tijd beleven, waarin 'zo weinig wordt waargenomen van het werk der waarachtige bekering en van de leidingen van de Heilige Geest in het leven van Gods volk'. Zonder het waarheidselement dat daarin schuilt te miskennen, moet dan tóch gevraagd worden of er misschien ook in de prediking hier en daar wijziging is gekomen. Zou het ook kunnen zijn dat de prediking van de oude afgescheidenen evangelischer, onbevangener, ongekunstelder en minder systematisch, minder beschrijvend-bevindelijk was dan nu soms het geval is, waardoor de Geest ook in de prediking kan worden tegengestaan?
Maar in de tweede plaats, zou alles wat uit vroeger tijd voor klaar getuigenis werd aangemerkt wel zo klaar geweest zijn? Is de klacht over 'donkerheid der tijden' niet een klacht van alle tijden? En is de geloofszekerheid - zo krachtig beleden en aanwezig in de Reformatie - in de orthodoxie van de laatste eeuwen soms ook niet overschaduwd door het zoeken naar kenmerken, die uiteindelijk slechts bij weinigen werden gevonden? Ik weet namelijk niet of de schrijvers gelijk hebben als zij zeggen dat in Zeeland de gereformeerde waarheid nog voortleefde en schrijvers als à Brakel, Smytegelt, Comrie, Myseras en Appelius naast Calvijn en Uginus geliefd waren. Ik denk dat we zeggen moeten dat Calvijn namelijk door bepaalde oude schrijvers vaak in de schaduw is gesteld en derhalve de gereformeerde leer toch ook geflankeerd is geworden door verschijnselen uit de na-tijd van de Reformatie, die niet bevorderlijk zijn geweest voor de geloofszekerheid in de gemeenten. Waarmee ik overigens aan de betekenis die genoemde oude schrijvers hebben gehad niets af wil doen. Als dan ook de schrijvers zeggen dat in de dagen van de Afscheiding de gereformeerde waarheid in de Hervormde Kerk ver te zoeken was - en wie zal tegenspreken dat er grote ingezonkenheid was - dan denk ik dat het boekje 'Zij die bleven' (drs. K. Exalto e.a.) een correctie te zien geeft op de gedachte dat er in de vorige eeuw zo goed als géén gereformeerd leven in de Hervormde Kerk meer gevonden werd.
Zou het niet kunnen zijn dat óók gemeenten, waar de prediking wel belijnd gereformeerd in de zin der belijdenis was, soms onder het oordeel vielen van niet meer gereformeerd te zijn, omdat de prediking niet bevindelijk genoeg heette te zijn?
Als zodanig geeft dit boek overigens ook wel reden om vraagtekens te zetten bij bepaalde uitingen van bevindelijkheid of ook bij bepaalde uitingen van gereformeerd zijn, die niet direct aan de Schrift of aan de belijdenis der vaderen zijn ontsproten. Er is soms ook sprake van gewoon crue woordgebruik. Eén voorbeeld. Ds. Ledeboer doopt een kind, dat 'een lint aan het mutsje draagt' en zegt: 'Vrouw des huizes, heb je geen schaar dat we de wimpels van de hel er eens afknippen, want het gaat niet gepaard om ze zo de Heere op te dragen.' Zo'n uitdrukking is meer markant dan gereformeerd.
Bekering
Ten slotte nóg een punt van bezinning. In dit boek klinkt telkens door de noodzaak van de waarachtige bekering tot God. Een zaak, die in onze tijd ook in veel rechtzinnige prediking helaas te veel ontbreekt. Maar de Heidelbergse Catechismus wijdt er een volle zondag aan. De waarachtige bekering bestaat uit de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens (zondag 33). En toch, opvallend is dat in dit boek nogal eens gesproken wordt over bekering van - zoals dat heet - van de kroeg naar de kerk, met name ook bij voorgangers uit die dagen. Als eerst een 'goddeloos leven' werd geleid is de bekering kennelijk insnij dender. Nu is het een grote zaak als de Heere een kroegloper bekeert en deze zelfs nog in Zijn dienst neemt. Maar de normale orde in de gemeente des Heeren is dit niet en we moeten altijd oppassen om aan zulk een bekering een extra waardering toe te kennen. Ook de geschiedenis in de ledeboeriaanse en kruisgezinde gemeenten heeft geleerd dat latere roepingen tot het ambt gewoon kwamen tot hen, die tot de gemeenten behoorden en van jongs af in de Schriften waren onderwezen. De Heere wekt bekering binnen het kader van het Verbond. Verder is het zo dat niet-bedréven zonden ook niet behoeven te worden betreurd in het leven.
Van ds. L. Boone - de sympathieke, markante oud-gereformeerde predikant, die in Zeeland en ver daarbuiten bekend en geliefd was - die echter niet met de vereniging van gemeenten van ds. G. H. Kersten meeging - wordt overigens vermeld dat hij reeds jong diepe geestelijke indrukken had. Op 20-jarige leeftijd behaagde het de Heere hem Zijn eeuwige liefde te openbaren. 'Korte tijd later wist hij met bewustzijn van zijn ziel, dat God in Christus zijn God was.' Op zijn grafsteen staat: Ach mijn Vrienden, treurt toch niet, Als Gij hier mijn grafsteen ziet. Nu ik hier rust beneden. Mijn levensloop die is ten end. Ik heb het oog op Hem gewend. En heb den strijd gestreden. Mijne ziele is reeds voor den Troon En heeft den kroon.
Ontwikkeling
Genoeg over dit boek. De plaatjes in het boek tonen overigens aan dat de tijd niet stilstaat. Vroomheid is niet te vereenzelvigen met ouderwetse kledij van vroeger of ook met de groeven in het gelaat of de gekromde ruggen vanwege de noeste arbeid. Het leven is moderner geworden. Dat blijkt ook in dit boek uit gelaat en gewaad, hoe ingetogen verder ook. Maar de vreze Gods is en blijft een zaak van het hart, waaruit de uitgangen van het leven zijn.
We begonnen dit artikel met de vraag waar de nazaten van de Afscheiding zich vandaag bevinden. Welnu, de gemeenten ontstaan uit de oorspronkelijke kruisgezinde en ledeboeriaanse gemeenten vormen er een spoor van. Maar slechts een smal spoor. En daarom, als we de Afscheiding ook typeren willen met de nadruk die gelegd werd op de waarachtige bekering en de bevinding, dan lopen de lijnen toch tot vandaag nog wel heel erg uiteen. Intussen, een boek om te lezen!
N.a.v. M. J. Goud en J. P. Sinke, Vergeet Zijn grote daden niet. Uitgave drukkerij Van Velzen B.V., Krabbendijke, 299 pag., ƒ 39, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1984
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 mei 1984
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's