Globaal bekeken
De heer Koudijs was dertig jaar lang ouderling van de hervormde gemeente van Ederveen. Na het overlijden van zijn vrouw heeft hij een aantal ervaringen, op pastoraal gebied maar ook in breder verband, aan het papier toevertrouwd en als meditatieve schetsen uitgegeven bij Van Horssen te Barneveld, voorzien van een voorwoord van de oud pastor loci ds. G. H. Abma. Het zijn stukjes kris kras door elkaar maar aansprekend geschreven, echt en ongekunsteld. Hier volgt een stukje onder de titel 'Te veel of te weinig?'
De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.
Johannes 7:46
'Er was eens een ouderling. Wanneer hij voorging in gebed en het einde naderde, sprak hij menigmaal: Heb ik teveel gevraagd of gesproken, neem het weg. Heb ik te weinig gevraagd, vul het aan. Hij vroeg om het één en om het ander. Wij hellen zo licht over naar te veel of te weinig, althans voor ons gevoel. Wie gaat er niet schuldig uit? Wel mogen we denken aan het woord van de Prediker: Wees niet te snel met uw mond en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht, want God is in de hemel en gij zijt op de aarde. Daarom laat uw woorden weinig zijn. Waarom moeten onze woorden weinig zijn? Ik denk, dat Jezus daar het antwoord op heeft gegeven. Van elk ijdel woord moeten wij rekenschap afleggen. God is in de hemel en wij zijn op de aarde. Al onze woorden komen terecht tegen het klankbord van de hemel. Hij hoort ze allemaal. Wat worden er door ons al niet een woorden gesproken, waarvan geldt dat ze maar veel beter binnensmonds hadden kunnen blijven.
Ook in het gebed gaat de mens schuldig uit. Dominee Leenmans zei wel eens al biddende: In onze heiligste verrichtingen gaan wij nog het schuldigste uit.
Eén is er geweest hier op aarde, die nooit struikelde in zijn woorden, biddend of dankend uitgesproken. Ook in het openbaar sprak Hij nooit teveel en ook niet te weinig. Maar wel goed. Dienaars hebben zelfs gezegd: Nooit heeft een mens gesproken gelijk deze Mens.'
In totaal bevat het boekje 110 dergelijke stukjes.
***
Adolphe Monod was in de vorige eeuw predikant in Frankrijk. Hij leefde van 1802-1855. Hij was de meest welsprekende franse prediker uit de negentiende eeuw. Toen hij zich in onvervalst rechtzinnige zin ging uitspreken werd hij door de 'Grote Ban' in zijn kerk getroffen, waarna hij in een zaaltje in Lyon verder preekte en daar een grote toeloop van mensen kreeg. Evenwel kreeg hij in 1836 een benoeming tot hoogleraar in de theologie aan de universiteit te Montauban, de toenmalige enige hogeschool voor gereformeerde belijders.
Zijn ziekbed, dat zijn sterfbed werd, is hem een kansel geworden. Gedurende de laatste zes maanden van zijn leven kwam 's zondags een kring van vrienden en familie om zijn ziekbed. De gedachten, die hij dan verwoordde, werden door één der aanwezigen opgetekend. Ze zijn na zijn heengaan in het frans uitgegeven.
In 1937 verscheen een nederlandse vertaling met een voonwoord van ds. J. J. Knap Gzn, getiteld Laatst Vaarwel. In dit boek staan vijf stukken getiteld 'Zelfverwijt van een stervende'. Daaruit de volgende passage over 'het gebruiken van onze tijd'.
'Als gij nauwkeurig het leven bestudeert van mensen, die veel hebben tot stand gebracht, als Calvijn, Luther, Bossuet, dan ziet gij, dat zij hebben aangevat, wat zich gaandeweg op hun weg aan hen voordeed; gij ziet, dat zij door de omstandigheden, als het ware, geroepen werden tot het werk, dat zij verricht hebben. Bossuet werd er toe gebracht zijn beste werken te schrijven in het belang van de opvoeding van de franse kroonprins; Calvijn en Luther schreven hun meest betekenende geschriften, door de omstandigheden daartoe genoopt. En omgekeerd, onder de meer gewone mensen zijn zij, die niet veel tot stand brengen, juist degenen, die de gelegenheden niet benut hebben; misschien hadden zij evenveel kunnen doen, als de anderen, maar zij verstonden niet de kunst om gelegenheden waar te nemen.
Het is ook eigenlijk een Christelijke kunst, altijd de ogen op de Heere gericht te houden en ieder werk aan te vatten, naar het zich voordoet; en als het klaar is, met het volgende te beginnen. Het is verwonderlijk, wat er van een mensenleven te maken is, waarin men eenvoudig de weg volgt, die de Heere voor elk onzer opent.
Wij moeten ordelijk en met overleg te werk gaan en het gebruiken van de tijd, die God ons geeft, niet van toevalligheden laten afhangen. Ik zei enige dagen geleden, dat wij niet zelf ons levensplan moeten maken. Daarmede is geenszins in strijd, dat wij methodisch te werk behoren te gaan, mits deze methode in 's Heeren gemeenschap ontworpen is.
Het is plicht orde en regel te brengen in ons handelen, als wij doen zullen, wat de Heere ons geeft te doen. Zo is het aan te bevelen, dat wij regel hebben voor ons opstaan en voor ons werk; dat wij stipt zijn op het punt van maaltijden en van verschillende bezigheden, voor zover dit mogelijk is; daardoor wordt het leven zoveel eenvoudiger, zoveel rustiger, zoveel makkelijker te vullen, er is zo een kader gereed, dat de Heere met zijn werk kan vullen. De mensen die hun leven rustig en stevig hebben weten te regelen, hebben het meeste kunnen doen, vooral wanneer zij aan die vaste regelmaat een levendige geest, een warm gemoed paarden, die niet altijd samen gaan met zin voor orde en regel, maar die, zo zij hand aan hand gaan, de mens tot verwonderlijke prestaties bekwamen.
Men vertelt van de wijsgeer Kant, dat hij zijn bediende wel eens riep om te getuigen, dat hij 40 jaar lang elke dag om 4 uur was opgestaan. Stel u voor, iemand die elke morgen om 4 uur opstaat, wat kan zo iemand veel uitvoeren!
Ga ook eens na, waartoe het methodisch leven in staat stelt, daargelaten nu, hoe laat men precies opstaat. Alleen al door steeds op hetzelfde uur op te staan, heeft men meer tijd om aan de Heere te wijden, reeds om deze eenvoudige reden, dat, wanneer ik een vast uur heb, om de dag te beginnen, dat ik dat uur biddend vastgesteld heb, voor Gods aangezicht, daarbij rekening houdend met de Christelijke voorzichtigheid en wijsheid. Sta ik daarentegen op, ongeregeld, zoals het valt, dan hangt het uur af van de inval van het ogenblik, d.w.z. van allerlei omstandigheden, die ik had kunnen beheersen: van luiheid, of van de begeerte naar "een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende, zo zal de armoede u overkomen, als een wandelaar. Spreuken 24 : 33 en 34". Dan zullen wij niet alleen arm worden aan aards bezit, maar ook arm aan geest, aan arbeid in de dienst des Heeren.'
***
Aan de nijpende nood in de wereld Inzake voedselvoorziening mogen we nooit wennen. In grote delen van de wereld moet men leven ónder een bestaansminimum. De volgende gegevens over 'ondervoede landen' komen uit een cahier 'Voor spek en bonen', onder redactie van de Stichting Onderzoek Wereldvoedselvoorziening, uitgave De Horstink, Postbus 400, 3800 AK Amersfoort.
Ook wat betreft de ondervoeding op het niveau van landen zal met de bespreking van de toestand In de voorbeeldlanden worden volstaan. Aangezien over het niveau van de behoefte te twisten valt, moet in tabel 1.21 vooral naar de ontwikkeling in de tijd worden gekeken. Dan blijken in deze groep landen vooral Kenya en Bangladesh het niet goed te doen. Wij hebben reeds gezien dat een hoge bevolkingsgroei een belangrijke oorzaak is van de verslechterende voedingssituatie in deze landen. Anderzijds is de situatie in Indonesië en ook in Nigeria duidelijk verbeterd, waarschijnlijk mede dankzij olie-inkomsten. Over de indrukwekkende groei van de consumptie in Egypte is reeds eerder gesproken, dat is allemaal amerikaanse voedselhulp. Wanneer de cijfers over China kloppen, en die blijven moeilijk controleerbaar, dan is de chinese prestatie verheugend. Voor een deel is de verbetering in de voedingstoestand waarschijnlijk te danken aan importen, maar beperking van de bevolkingsgroei en produktiviteitsverbetering hebben zeker een veel belangrijker rol gespeeld. Al met al is er in China volgens deze cijfers voldoende voedsel. Kon dat ook maar van India worden gezegd, dan was het voedselvraagstuk een stuk dichter bij de oplossing!
Tabel 1.21:
Zie origineel
Bron: FAO, The State of Food and Agriculture 1981.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's