Uit de pers
Het verhaal van Yosef Begun
In het Centraal Weekblad van 4 mei vertelt dr. J. v. d. Linden het verhaal van Yosef Begun, een russische jood die in botsing kwam met de machthebbers van het Kremlin. Een visum voor Israël werd hem in 1971 geweigerd. Een aanvraag om als taalleraar te worden ingeschreven voor onderwijs in het Hebreeuws vond eveneens geen genade in hun ogen. De russische autoriteiten beseffen terdege hoe gevaarlijk de wapens van de geest zijn voor een dictatuur.
'Daarom zijn de demonische machten meesters op de wapens van de propaganda. Die wapens werden ingezet tegen Begun en de zijnen.
In een televisiefilm "Handelaars in zielen" werden die joden aangeklaagd die het waagden Israël te stellen boven hun Russische vaderland. Zij waren verraders, want zij kozen de kant van een staat die maar één doel kende: agressie. Zij maakten gemene zaak met de kindermoordenaars en de beelden op de televisie logen er niet om. Eén van de door de film aangeklaagde joden was Begun, een spion van Amerika, alleen maar uit op anti-sovjet-praktijken.
Begun waagde het de film in een open brief aan te klagen als anti-joods. Prompt daarop volgde zijn arrestatie. Het vonnis luidde: twee jaar verbanning naar Siberië. Na terugkeer uit die hel zette hij zijn hebreeuwse lessen voort. Tien weken was hij vrij, daarna volgde de tweede aanhouding op 17 mei 1978, de datum in de armband. Ditmaal kreeg hij drie jaar Siberië. Geen uitreisvisum wachtte hem toen hij in 1981 terugkeerde naar de bewoonde wereld. De politie bleef hem schaduwen, maar zijn werk gaf hij niet op.
20 Oktober 1982 was het weer zover. Vijf uur lang huiszoeking. Boeken en geschriften over Israël waren het materiaal dat een anti-sovjetgeest moest bewijzen. Niet lang daarna volgde de gevreesde arrestatie en opsluiting in de Vladimir-gevangenis bij Moskou. De politie dacht hem onschadelijk te hebben gemaakt. Maar tot ver buiten de muren van de gevangenis werd zijn naam een signaal, dat zelfs buiten Rusland werd opgevangen.
Op 1 maart van dit jaar gingen vele "gevangenen van Sion" in Moskou en Leningrad voor een dag in hongerstaking. De aandacht van de wereld werd dringend gevraagd voor Begun en die anderen, die de strijd niet opgeven, die als eens Solzjenitsyn weigeren zich door de terreur van de staat te laten breken. Zij geven hun rechten niet op.
Beguns verloofde is al gewaarschuwd dat "hoger hand" geen rumoer om Begun wil. Maar ook zij laat zich niet klein krijgen. Zij weet dat aandacht voor haar man, zeker uit de wereld buiten Rusland, de machthebbers daar zeer onwelkom is. Dappere vrouwen, die blijven vechten voor Begun en Tsjaransky en al die anderen, wier lot ons nog onbekend is. Zij weten dat zij geen misdadigers zijn, maar het verlangen van hun hart willen volgen: Zij willen Jeruzalem zien.'
11 April moest Begun voorkomen. Op antisovjet praktijken staat wettelijk 12 jaar gevangenisstraf en verbanning. Beguns levensverhaal is één van de vele lijdensdocumenten van russische Joden. Terecht stelt v. d. Linden de vraag: wat doen wij voor dit volk, dat telkens weer belaagd wordt. Het protest tegen de praktijken van de machthebbers in Moskou neemt in deze wereld toe. Zal het gehoor vinden? In ieder geval, zijn verhaal mag niet onbekend blijven. Laten we in onze voorbede voor Israël de russische Joden niet vergeten! In het maandblad Israël trof ik enkele cijfers aan met betrekking tot verleende uitreisvisa. Ook daaruit blijkt de kwetsbare positie van deze groep.
'Uit andere cijfers blijkt, dat in 1983 aan 1.320 Joden in de Sowjet-Unie een officieel uitreisvisum was verleend. Dat is op zichzelf een sterk teruggelopen aantal. Van deze 1.320 besloten er 929, toen zij eenmaal buiten de Sowjet-Unie waren, niet naar Israël te gaan. Daarom arriveerden er slechts 403 daar als immigranten. De anderen gaven er waarschijnlijk de voorkeur aan zich aan te sluiten bij familieleden, die in andere landen dan Israël (in hoofdzaak de V.S.) wonen. In 1982 waren er nog 2.683 Joden geweest, die met toestemming de Sowjet-Unie hadden verlaten. Van hen kwamen er toen 756 naar Israël. Nog tekenender zijn de vergelijkende cijfers voor 1981: toen werden er door de Sowjet autoriteiten 9.451 uitreisvisa verleend. Van de houders daarvan vonden 1.776 de weg naar Israël.'
***
De afgescheidenen in Rijssen
Scheps Kerknieuws van 4 mei bericht ons over een publicatie van Jaap Riemens over 100 jaar gereformeerd leven sedert de Afscheiding in Rijssen. Een hoofdstuk dus uit de locale kerkgeschiedenis, wat doorgaans een welkome aanvulling betekent op de gegevens uit de handboeken, omdat we hier vaak het leven van de gewone dominees en de gewone gemeenteleden in tegekomen, en niet alleen geïnformeerd worden over de 'kopstukken'. De geschiedenis van gereformeerd Rijssen blijkt vol van conflicten en scheuringen te zijn geweest. Tussen 1836 en 1837 werd de afgescheiden gemeente geinstitueerd. Over de eerste predikant schrijft hij het volgende:
'De eerste predikant van de gemeente was ds. Klaas Wildeboer, die aanvankelijk bakker was in Midwolda, maar die, toen het bericht van de Afscheiding in het land bekend werd, zijn deeg neerlegde, zijn schort aan de kapstok hing en erop uittrekt als "oefenaar", zoals Jaap Riemens het formuleert. Hoewel een andere vader der Scheiding, ds. S. van Velzen, vond dat Wildeboer er verstandiger aan gedaan had om gewoon brood te blijven bakken - maar Van Velzen moest niet veel van oefenaars hebben - werd Wildeboer toch predikant. Hij studeerde bij van Raalte die hem 22 december 1839 als predikant van de Christelijke Afgescheiden Gemeente van Rijssen bevestigde.
Met Wildeboer, die een echte independentist was en altijd zijn eigen weg ging, haalde men, zo schrijft Jaap Riemens, alle problemen in huis die later zullen leiden "tot onderling onbegrip, tot broederlijke twist en tot kerkelijke scheuringen die een repeterende breuk lijken te zijn". Lang heeft deze predikant niet in Rijssen gewerkt, want hij verlegde al spoedig zijn terrein naar de Achterhoek. In 1841 was de band met Rijssen weer verbroken. Wildeboer woont dat jaar maar enkele maanden in Lochem en vertrekt in het najaar naar 't Zand. In 1842 gaat hij naar Zuid-Beijerland. Nog in hetzelfde jaar overlijdt hij.'
Problemen blijken er in overvloed geweest te zijn. De geschiedenis van de Afscheiding - het is ons uit vele documenten bekend - is lang niet altijd een hartverheffend gebeuren geweest.
'Als er conflicten zijn, ontstaan er ook problemen met de kerkelijke goederen. Zo is er heel wat te doen geweest om de Walkerk. Dit gebouw is ook een keer bezet. De schrijver heeft een apart hoofdstuk daaraan gewijd.
Interessant is ook het hoofdstuk over de "Botterkoarke", waarmee de Eskerk werd bedoeld. Hoe het gebouw aan deze naam komt, kan men ook in dit boek lezen.
Verheffend is de kerkgeschiedenis in Rijssen dus niet. Maar er zijn ook goede dingen te verhalen. Zo beleefde de gemeente een rustige periode tijdens de ambtsbediening van ds. Marten Ouendag, die haar meer dan twinig jaar heeft gediend en ook predikant van Wierden was. Hij heeft zijn werk met voorbeeldige ijver gedaan, ook toen een ernstige ziekte hem sloopte.'
De geschiedenis van de kerk is enerzijds de geschiedenis van mensen, kleine, zondige mensen. Dat blijkt ook uit de geschiedenis van de Afscheiding. Maar kerkgeschiedenis is daarnaast het verhaal van de trouw van God, wiens Woord een spoor trekt door de geslachten heen. De waardering van de Afscheiding zal wel altijd verschillend zijn en blijven. Is er een recht van Afscheiding? Is er verschil tussen separatisme en een Afscheiding als die in 1834? Was de nood hen opgelegd of was er menselijk drijven in het spel? Het zal wel een mengeling van motieven zijn geweest. In ieder geval is het goed om de locale geschiedenis van de kerk te leren kennen. Want juist dan zien we hoe dwars door alle tekorten heen God Zijn gemeente bewaart.
***
Kerk en jongeren
Naar aanleiding van de publicatie 'Godsdienstbeleving van jongeren tussen veertien en achttien jaar', had de redactie van Daniël een vraaggesprek met een van de auteurs, de heer I. A. Kole. Het gesprek ging onder meer over de relatie tot de kerk. 'G. C. de Haas stelde dat jongeren zich ongelukkig voelen in de praktijk van het kerkelijk leven - stil zitten en luisteren - en daarom vaak hun toevlucht zoeken bij alternatieve jeugddiensten en organisaties als Youth for Christ. Dat is onder ons niet zo?
In dit onderzoek hebben we niet echt vragen in deze richting gesteld. Wel kan ik dit zeggen, dat ik me goed kan voorstellen dat jongeren zich aangetrokken voelen tot organisaties en groepen waar ze iets zien van een grote inzet ook voor de naaste, en van geloofsblijdschap. Verlies naar deze groepen komt helaas onder ons ook voor. Dat weet ik. De kerk heeft de taak op de oorzaken te letten waarom veel van deze groepen ontstaan zijn. Dat komt vaak door een prediking waarin stenen voor brood worden gegeven en waarin de wezenlijke vragen niet meer aan bod komen. Het komt ook doordat onkerkelijke jongeren toch naar een houvast in hun leven gaan zoeken. En in deze groepen worden die jongeren serieus genomen. Daar wordt veel aan bijbelonderzoek gedaan en dat blijkt invloed te hebben op hun levensstijl. De kerk mag jongeren die zich daardoor aangesproken voelen niet loslaten of verliezen. We zullen de hand ook in eigen boezem moeten steken. Soms zie je dat onze jongeren - vanuit het beschermde milieu - te weinig weerwoord en weerbaarheid bezitten als ze het reformatorisch onderwijs verlaten. Soms hebben we hun vragen - waarin wij kritiek zagen - te autoritair de kop in proberen te drukken of met een dooddoener afgedaan. Kijk, daar waar uit ons eigen leven blijkt dat we de Bijbel serieus nemen en in praktijk proberen te brengen en waar ernst gemaakt wordt met de dingen van de eeuwigheid daar vormen deze groepen geen konkurrentie voor de kerk. Maar als er weinig gezien wordt van echte geloofsbeleving en er alleen maar geklaagd wordt dat de Heere Zijn hand zo stil houdt, ja, wat kun je dan verwachten van een generatie die aan het begin van het leven staat?
Naar aanleiding van de door u besproken onderzoeken van anderen wilden we u ook enkele vragen voorleggen. Als G. C. de Haas wordt besproken staat er: "De kerk doet er goed aan - op straffe van onverschilligheid en afwijzing - om in deze periode (bedoeld wordt die van 14 tot 18 jaar) niet van buiten af geautoriseerde normen en waarden op te leggen". Hoe kijkt u tegen die stelling aan?
Ik ben het ermee eens in die zin, dat je aan jongelui niets op moet leggen zonder dat ze voelen dat het van wezenlijk belang is voor je leven. Je kunt natuurlijk zeggen: Opa deed het al zo, dus zo moet het blijven. Wil je deze leeftijdsgroep tegen je in 't harnas jagen, dan moet je zó optreden. Je zult altijd het waarom duidelijk moeten maken. Van belang is zeker ook dat opvoeders - en dus ook ambtsdragers - goed op de hoogte zijn van de leefwereld van de jongeren, zodat ze weten welke vragen en problemen bij hen leven. Zien ze aan ons wat een worsteling het kost om - in gehoorzaamheid aan Schrift en belijdenis - dagelijks ons leven inhoud te geven? De jongeren die nu opgroeien hebben weinig horen vertellen van de verborgen omgang met God. Mijn generatie heeft nog aan de voeten van Gods kinderen gezeten. Wijlen ds. L. Vroegindeweij zei eens: "Is onze generatie niet de groep mensen die wel de woorden hebben overgenomen, maar niet de zaken van die woorden?"
En als dat zo is, dan is het geen wonder dat jongeren niet jaloers worden en soms breken met thuis en met de levensbeschouwing die daar is. En ieder die zo gaat, is er een te veel.'
Bij de lezing van dit artikel zou ik als kanttekening willen plaatsen hoe waar de opmerking van ds. T. Poot is in Woord en Dienst van 12 mei over de noodzaak van een eigentijdse bezinning op de vraag hoe in onze leefsituatie bijbel en gebed opnieuw kunnen gaan functioneren in gezin en persoonlijk leven. Om te verstaan wat de Heere God van ons vraagt is nodig de verborgen omgang met God. Dringend behoefte is er aan een pastoraat dat hiervoor aandacht vraagt, dat dicht bij het hart van de jongeren is en voorts dicht bij de Schriften. In het gesprek met Kole waarschuwt deze terecht voor autoritair optreden (wat gans iets anders is dan echte autoriteit!). Werkelijk gezag wordt gedragen en beoefend in de liefde die ons dringt om het goede voor de ander te zoeken. Wij zijn op weg naar Pinksteren. De Geest is het die levend maakt, die jongeren doet profeteren en dromen dromen, en die ouderen en jongeren samenbindt in de ene gemeenschap. Daar mogen we grote dingen van verwachten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's