Als mensen geen uitweg meer zien... (6)
Over suïcide
Op geen enkele wijze kan de dood ons dienen om vriendelijke hand-en spandiensten te bewijzen. De 'milde dood' van de euthanasie en de 'gewilde dood' van de suïcide verbergen achter hun vriendelijke masker een afzichtelijke tronie.
Hulpverlening: hulp bij zelfdoding?
Tenslotte willen we de vraag onder ogen zien welke hulp er kan worden verleend bij deze ingrijpende problematiek van de suïcide. We denken daarbij aan de hulp van artsen, psychiaters, geestelijken en maatschappelijk werkers, maar ook aan de taak van 'leke-hulpverleners'. In hoeverre is preventie mogelijk, dus zijn suïcides en suïcide pogingen te voorkomen?
Om te beginnen moet - met Douma - duidelijk gesteld worden dat preventie de algemene doelstelling en het algemene uitgangspunt van de hulpverlening moet blijven. Dit klassieke standpunt wordt tegenwoordig meer en meer verlaten. Er wordt een pleidooi gevoerd voor 'hulp bij zelfdoding'. Hulpverlening zou dan in bepaalde, welomschreven gevallen kunnen inhouden dat we iemand helpen bij de ten uitvoerlegging van het voornemen tot suïcide. In deze zin heeft de bekende specialist dr. R. F. W. Diekstra zich uitgesproken in zijn boek Over suïcide (Alphen 1981). Hij schrijft op blz. 223: 'Niemand zal zich het leven benemen als het leven door hem als waardevol wordt beschouwd. Wanneer het leven echter louter verlenging van lijden en ongelukkig zijn betekent, dat wil zeggen in strijd is met datgene wat door de menselijke rede als goed en waardevol wordt beschouwd, dan kan doorleven onredelijk en wachten op de "natuurlijke" dood onnatuurlijk zijn. Hulpverlening aan suïcidale personen betekent dus niet altijd suïcidepreventie. Suïcidepreventie moet als algemene doelstelling en uitgangspunt van dergelijke hulpverlening verlaten worden'. Hulpverlening zou dus ook kunnen bestaan in het voorbereiden van nabestaanden, verstrekken van middelen (zogenaamde euthanica, of liever gezegd suïcida), advies over te volgen methoden en het vinden van een geschikte plaats.
Diekstra is een invloedrijk man die ten deze radicale standpunten inneemt en propageert. Hij heeft geschreven dat hulp bij zelfdoding eens als gewone hulpverlening zal worden beschouwd en dat suïcide weleens de belangrijkste en meest geprefereerde wijze van levensbeëinding van de toekomst zal worden. Een huiveringwekkend toekomstbeeld! In een interview in de Haagse Post van 5 september 1981 gaf hij te kennen: 'Ik voorzie dat er in de toekomst afspraken zullen moeten worden gemaakt over de duur van het leven. Er zal dan ook niet veel plaats zijn voor individuele ruimte noch voor individuele wensen, zodat sommigen zelf ook eerder het besluit zullen nemen suïcide te plegen' .
Helaas heeft prof. Kuitert zich achter dit standpunt van Diekstra gesteld. Wij mogen volgens hem iemand op zijn verzoek aan de dood helpen, ook al kan een dergelijke hulp van niemand als een verplichting gevergd worden. Hulp bij zelfdoding moet wel met grote zorgvuldigheid geschieden. Vergissingen, misbruik en onnodig leed moeten zoveel als mogelijk is uitgesloten worden. Maar het blijft principieel mogelijk gelet op het door Kuitert zo nadrukkelijk geponeerde zelfbeschikkingsrecht van de mens over eigen leven en sterven. Deze visie moet echter volstrekt afgewezen worden. Hulp bij zelfdoding moet zonder uitzondering uitgesloten worden. Dr. W. den Toom heeft hierover behartigenswaardige uitspraken gedaan in zijn proefschrift (Over de levensduur, 's-Gravenhage 1981). Hulp bij suïcide is symptoombestrijding. Suïcide komt onder meer voort uit een samenleving die mensen overbelast en laat vallen. Door te helpen bij suïcide wordt de maatschappiij niet beter en worden de wortels van het kwaad niet aangepakt. Bovendien heeft God de mensen voor het leven bestemd, voor een als goed te ervaren leven in Zijn gemeenschap. 'Als het niet lukt een ander de ogen te openen voor dit goede leven en het voor hem ook een beetje leefbaar te maken, kan ik mijn falen daarin niet bevestigen door de ander aan zijn einde te helpen' (a.w., blz. 150).
Drieërlei preventie (levenshulp)
Bij de preventie wordt onderscheid gemaakt tussen een primaire, een secundaire en een tertiaire vorm. De eerste vorm is zeer algemeen en op iedereen zonder uitzondering gericht. We kunnen hierbij denken aan bepaalde maatschappelijke hervormingen. Wanneer in de samenleving minderheidsgroepen in de knel komen of sociaal zwakkeren niet worden ontzien, worden risicogroepen in het leven geroepen. Een ander aspekt wat suïcide in de hand kan werken is de onpersoonlijke en onsamenhangende massaliteit, waarbij geen oog meer is voor het individu en waar mensen tot nummers zijn geworden, tot verwisselbare radertjes in een machinerie. W. den Toom schreef hierover in een artikel in Woord en Dienst van 21-12-1983 ondermeer: 'In tijden van schokkende maatschappelijke veranderingen nemen meer mensen uit eigen beweging afscheid van het leven. D.w.z.: anno 1983 leven we in een ongunstige tijd. De cijfers stijgen dan ook. In diverse studies wordt werkloosheid als grote boosdoener vermeld. Veel jongeren ontberen elk toekomstperspectief. In tijden als de onze komen meer mensen aan het einde van hun draagkracht. Dit gegeven pleit voor een stugge inzet voor een meer verantwoorde samenleving, die vriendelijker is voor al diegenen, die nu in de knel dreigen te raken'. Preventie van suïcide kan zich niet beperken tot individuele hulp, maar heeft terdege ook maatschappij-kritische aspekten. Anderzijds is het duidelijk, dat er in dit ondermaanse nooit een samenleving zó ideaal kan worden ingericht, dat er geen mens meer de hand aan zichzelf zal slaan. Met maatschappelijke hervormingen alleen komen we er niet.
Er wordt dan ook wel een pleidooi gevoerd voor een mentaliteitsverandering ten opzichte van de dood. Maar hierbij gaan de wegen wel zeer ver uiteen! Steeds meer stemmen gaan er op om de dood toch als dood-gewoon te accepteren. De dood zou nu eenmaal bij het leven horen en daarom zouden we ook het sterven veeleer en veel meer dienen te aanvaarden. Tegen deze gedachtegang heb ik verzet aangetekend in mijn brochure 'De dood hoort er niet bij!' (uitg. Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn 1983). De dood is accidenteel, dat wil zeggen: de dood is naderhand en vanwege de zondeval in de goede schepping ingebroken. Hij is geen goede vriend, maar indringer. Maar hij wordt als laatste vijand overwonnen. Door Gods openbaring in Christus is de dood tenvolle in zijn verschrikking onthuld, maar tegelijk in zijn schande te kijk gezet. Op geen enkele wijze kan de dood ons dienen om vriendelijke hand-en spandiensten te bewijzen. De 'milde dood' van de euthanasie en de 'gewilde dood' van de suïcide verbergen achter hun vriendelijke masker een afzichtelijke tronie.
Van grote betekenis is de positieve boodschap van de kerk, de evangelieverkondiging. De kerk mag wijzen op de vreugde van het leven met Christus en op de vrijheid van de mens in Hem. 'Het brengen van het evangelie is het beste voorbehoedmiddel tegen levensmoeheid en uitzichtsloosheid' (J. Douma). Exalto wijst op de kracht van het gebed als exorcisme, duiveluitbanning, om de demonische verleiding tot suïcide te overwinnen. Naast het evangelie klinke ook de wet die de mens verantwoordelijk stelt en hem juist zó uit een slachtoffer-positie bevrijdt, die het kwaad bij de naam noemt en juist zó de weg van schuldbelijden en vergeving wijst. Er is hoop door Jezus Christus, daarom slaan we niet de hand aan onszelf, maar slaan we de hand aan de ploeg in het Koninkrijk Gods.
Beleving van de gemeenschap der heiligen is van grote betekenis. Als de gemeente een groot gezin is rondom het Woord, zal zij warmte uitstralen in een kille maatschappij. We zullen 'oog hebben voor elkaar', uitgezonden signalen van moedeloosheid en wanhoop opvangen en beantwoorden met menselijke, broederlijke en zusterlijke nabijheid. Nodig is ook een herwaardering van het gezin, zonder daarbij alleenstaanden te isoleren. De school moet kritisch onder de loupe genomen worden: wordt er een prestatiemoraal gehuldigd? Is er bij allerlei tendenzen tot nivellering in het onderwijs nog de nodige aandacht voor het unieke individu, kan ieder zich ontplooien naar eigen aanleg en talent?
Direkte hulpverlening
Met de secundaire en tertiaire vorm van preventie zijn we bij de direkte hulpverlening aangeland. Hulp aan personen die tot een risico-groep behoren. Hier is eerlijk pastoraat nodig. Wanneer iemand die suïcide overweegt een gesprek vraagt of in elk geval niet afwijst, zit hij niet te wachten op een veroordeling of een uit de hoogte meegedeeld standpunt. Het gaat er om dat de situatie waarin deze mens in nood verkeert verhelderd wordt, dat gevoelens bespreekbaar worden gemaakt, dat naar andere, naar wérkelijke 'oplossingen' wordt gezocht. Soms moet de pastor openlijk vragen naar eventuele suïcidale gevoelens. Met struisvogelpolitiek en verstoppertje spelen is niemand gediend. In het kontakt komt vervolgens het moment van de besliste tegenspraak: 'uw leven is niet waardeloos en zinloos. De dood zal geen verlossing brengen. Er is een uitgestoken hand, van God, van je naaste. Zoek de Heere en leef!'
De leke-hulpverlener (dus ook de pastor) moet zijn grenzen kennen. 'Als pastor staan wij soms voor een psychische muur. Er is vakmanschap voor nodig om daarin een bres te slaan' (Exalto, blz. 109). We moeten de problematiek niet onderschatten en we mogen zeker niet denken van mensen die blijkbaar 'spelen' met zelfmoord-plannen dat het zo'n vaart niet zal lopen. Inschakeling van deskundige, medisch-psychologische hulpverlening is een vereiste.
Tenslotte is er de hulpverlening na een poging tot zelfdoding of na een mislukte zelfdoding. Ook hier is vakkundige begeleiding onontbeerlijk. De gemeente van Christus heeft de roeping zulke mensen die van de rand van de afgrond zijn teruggekomen, niet te stigmatiseren, te brandmerken. Eerder is zelfonderzoek op zijn plaats: waar zijn wij als gemeente en gemeenschap tekort geschoten? En dan: verdubbelde inspanning om deze mens vast te houden. Aparte aandacht verdient ook de hulp aan na-bestaanden. Het rouwproces is vaak nog heviger en onstuimiger dan bij andere sterfgevallen. Schuldgevoelens, maar ook gevoelens van agressie en verbittering kunnen naar boven komen. Om even iets van deze gevoelens te illustreren: een arts vroeg aan een jongen van vijftien wat hij het ergste had gevonden toen zijn vader suïcide had gepleegd. Hij zei: 'Dat pappie is weggegaan zonder gedag te zeggen'. Het is onverteerbaar dat iemand van wie je hebt gehouden zomaar eenzijdig de relatie met je verbreekt. Wat kan het een opluchting zijn één een ander eens uit te kunnen spreken voor een luisterend oor. Er worden zelfs ontmoetingsdagen voor nabestaanden van zelfdoding georganiseerd. Het kan heilzaam werken wanneer mensen die in eenzelfde situatie verkeren, elkaar kunnen ontmoeten. Al zal bij dergelijke ontmoetingen het Woord van God wel richtinggevend dienen te zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's