De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de synode

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de synode

11 minuten leestijd

Benoemingen

Tot waarnemers bij het Deputaatschap 'Belijdenis en Ambt' van de Gereformeerde Kerken in Nederland werden benoemd dr. A. van Brummelen (Huizen) en dr. J. van Eek (Lexmond).

Als opvolger van dr. S. Gerssen werd tot secretaris van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël benoemd dr. H. Vreekamp (Epe). Deze benoeming geschiedde tegen de voordracht in. Door middel van een motie van dr. S. Meyers werd dr. H. Vreekamp bij het gestelde tweetal gevoegd en vervolgens gekozen.

Tot opvolger van prof. dr. H. Jonker als kerkelijk hoogleraar te Utrecht werd benoemd dr. M. J. G. van der Velden, reeds verbonden aan de theologische faculteit te Utrecht, voorheen rector van het hervormd seminarie en predikant te Renkum en Nieuwpoort.

Prof. dr. W. Verdonk kreeg eveneens een benoeming te Utrecht als hoogleraar ethiek in de vacature ontstaan door het vertrek van prof. dr. H. W. de Knijff. Prof. Verdonk was eerst hoogleraar te Leiden, vervolgens te Amsterdam.

In de vacature prof. dr. E. J. Beker (dogmatiek) aan de universiteit van Amsterdam benoemde de synode prof. dr. N. T. Bakker, tot heden hoogleraar aan de protestantse theologische faculteit te Brussel.

Uit de infonnatienota

Op elke synodevergadering ligt een informatienota betrekking hebbend op de werkzaamheden van het moderamen (benoemingen, instellen van commissies, gesprekken, behandeling van bepaalde brieven). Uit de nu voorliggende nota nemen we de volgende informatie over.

Avondmaalsmijding

Op verzoek van de Generale Commissie voor het Opzicht vond een gesprek plaats met het moderamen van de generale synode op 21 februari 1984. Onderwerp van bespreking was de kwestie van het niet-deelnemen aan het Heilig Avondmaal door ambtsdragers. Sedert 1981 komt het voor dat bezwaarschriften worden ingediend tegen ambtsdragers die niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal. De vraag komt telkens weer op of zulk een bezwaarschrift gebruikt wordt als machtsmiddel in een plaatselijke strijd.

Tegen herverkiezing van ambtsdragers kan bezwaar worden gemaakt. De synode heeft zich in het verleden verscheidene malen uitgesproken: 'Ambt en Heilig Avondmaal behoren bij elkaar'. Immers een van de taken van een ambtsdrager is gemeenteleden op te wekken deel te nemen aan het Heilig Avondmaal. De geloofwaardigheid is in het geding wanneer ambtsdragers zelf niet aangaan.

Het moderamen van de generale synode besloot een studiecommissie in te stellen die een stuk over deze problematiek zal voorbereiden ter behandehng in een synodevergadering. Daarbij zal een door ds. A. Kool opgstelde nota als uitgangspunt dienen.

In de commissie werden de volgende personen benoemd: dr. S. Gerssen, Utrecht; ds. G. J. Wisgerhof, Amersfoort; de heer G. de Klerk, Woerden; ds. P. van den Heuvel, Harmelen; ds. A. Kool, Utrecht; dr. C. P. van Andel, Zoetermeer.

Modaliteitsgesprekken

De laatste jaren zijn, op initiatief van de synode, in Gouda, Zwolle en Driebergen regelmatig modaliteitsgesprekken gehouden.

De modaliteiten-gespreksgroep in Driebergen stelde zich voor haar werkzaamheden af te sluiten met de publikatie van een bundel getiteld 'Kan het anders?', waarin bijdragen zijn opgenomen van: ds. G. H. Abma (Eenheid in verscheidenheid); ds. W. Dekker (Eenheid in verscheidenheid); ds. G. H. Cassuto (Israël en de gemeente); dr. F. Boerwinkel (De opdracht van de gemeente); ds. C. den Boer (Wat is waarheid? ); dr. K. M. Witteveen (Godsdienst en Vrijheid); mevr. M. E. L. Verburg-de Waard (De niet-theologische faktoren als stoorzenders in het modaliteitengesprek); dr. C. P. van Andel (Gemeenschap: het cement dat de kerk bijeenhoudt).

Het eerste exemplaar van de bundel werd door dr. F. Boerwinkel aan de praeses van de synode aangeboden.

'Gemeente zijn in een mondiale samenleving'

Bij de behandeling van de Beleidsnota van de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving in maart 1982 aanvaardde de generale synode de motie-Kooistra, waarin aan de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving verzocht werd in samenwerking met de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie een nieuw Herderlijk Schrijven "Christen zijn in een mondiale samenleving" voor te bereiden.

Het stuk is een eerste voorlopige opzet voor het synodale geschrift 'Christen zijn in een mondiale samenleving'. Bij de opstelling van deze eerste opzet is de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie nog niet betrokken geweest; het is de bedoeling dat deze Raad de schets in het najaar in behandeling zal nemen opdat nagegaan kan worden op welke wijze en ten aanzien van welke specifieke thema's deze Raad een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van het herderlijk schrijven over gemeente zijn in een mondiale samenleving.

We laten hier volgen de samenvatting van het belangrijkste deel van de nota, zoals het gegeven werd door het Hervormd Persbureau. De synode discussieerde over het stuk zonder verdere besluitvorming. Daarom laten we de samenvatting zonder verder commentaar volgen.

'Hoe ver kan de kerk gaan in haar spreken, hoe concreet kan zij zijn, wanneer kan zij spreken en wanneer móét zij spreken? Dat zijn vragen die aan de orde komen in het vijfde hoofdstuk van de eerste opzet van een geschrift over "Gemeente-zijn in een mondiale samenleving", dat tijdens de hervormde synodevergadering die vandaag begint, besproken zal worden. Naar aanleiding van deze bespreking zullen door de synode geen besluiten genomen worden, het gaat hier alleen om een eerste oriëntatie.

Het concept-geschrift "Gemeente-zijn in een mondiale samenleving" is opgesteld door de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving. In 1982 kreeg de ROS hiertoe opdracht van de hervormde synode. In een motie werd toen gevraagd om een nieuw herderlijk schrijven over "christen-zijn in een mondiale samenleving". Het is inmiddels bijna 30 jaar geleden (in 1955) dat de hervormde synode over dit onderwerp een geschrift uit deed gaan. De titel daarvan luidde "Christen-zijn in de Nederlandse samenleving". De ROS heeft inmiddels gekozen voor "gemeente-zijn" in plaats van "christen-zijn", vanuit de ervaring dat juist in het gemeente-zijn de grootste spanningen liggen.

Het is niet de bedoeling dat in het definitieve geschrift op allerlei kernproblemen in de samenleving wordt ingegaan. Het zal vooral moeten gaan om de aard van gemeenschap en getuigenis van de kerk in verband met deze problemen en over de vraag hoe deze gemeenschap en dit getuigenis op de verschillende niveaus van kerkzijn (plaatselijk, landelijk, regionaal, mondiaal) gestalte krijgen.

Besloten werd door het moderamen van de synode dat hoofdstuk 5 over "het spreken van de kerk" een aparte bespreking in de synode vraagt. Omdat dit hoofdstuk niet los gezien kan worden van de andere hoofdstukken, is het niet afzonderlijk aan de synodeleden toegezonden, maar hebben zij het gehele concept-geschrift ontvangen. De bespreking zal zich echter tot dit ene hoofdstuk beperken.

Criteria

In dit vijfde hoofdstuk zeggen de opstellers dat getuigenis en dienst van kerk en gemeente per definitie betrekking hebben op alle terreinen des levens. Formele criteria waarom sommige terreinen daarbuiten zouden vallen, zijn er niet. De kerk mag dus over alles spreken, maar zij kan dat niet altijd. Als bij voorbeeld gezegd wordt dat de kerk niet mag zwijgen als het gaat om zaken van leven of dood, dan komt meteen de vraag op hoe bepaald kan worden of iets een zaak van leven of dood is. In de praktijk is het dan ook vaak zo dat door de kerk gereageerd wordt op signalen van buitenaf (bij voorbeeld de vredesbeweging).

Zoals er geen grenzen te trekken zijn met betrekking tot de onderwerpen waarover de kerk spreekt, zo is het ook moeilijk criteria te stellen voor de mate waarin dat spreken concreet moet zijn en welke middelen daarbij gehanteerd moeten worden. Wanneer gaat het spreken bij voorbeeld over in handelen, is een vraag die daarbij naar voren komt.

Voorwaarde is wel dat de kerk zich competent toont in de zaken waarover zij spreekt. Het verwijt dat de kerk per definitie niet competent is als zij spreekt over bepaalde maatschappelijke vragen, is in principe niet terecht. Dat de kerk zich niet competent betoont, moet in een zakelijke discussie gestaafd kunnen worden. Omgekeerd is een voorwaarde voor kerkelijke bemoeienis dat synode, kerkeraad, predikant of groepje gemeenteleden zich die bewuste competentie eigen maakt.

Nadrukkelijk wordt verder gesteld dat de tijd voorbij is dat "de kerkelijke elite volstond met het geven van aanwijzingen aan de politieke elite". Het onderscheid dat de kerk de algemene principes aanreikt en dat de politici verantwoordelijk zijn voor de praktische uitwerking, hoort thuis in een verouderde opvatting van de verhouding tusen kerk en staat. Dit onderscheid gaf vroeger de invloed van de kerk aan, maar zou nu in feite de kerk haar invloed ontnemen.

Parlementaire democratie

Vanuit de overheid gezien is de kerk één van de vele maatschappelijke organisaties die een rol spelen in het politieke krachtenveld. De kerk ziet zichzelf niet als zodanig. Bestaansreden en voedingsbron van de kerk zijn andere dan die van andere maatschappelijke organisaties. In een parlementaire democratie echter geeft dit geen meerwaarde aan haar spreken. "Is de kerk dus niets anders dan een actiegroep?", zo wordt in de concept-nota gevraagd. "Het antwoord zal velen in onze kerk grote moeite kosten, want het moet zowel ja als nee luiden. Vanuit een seculiere samenleving en een seculiere overheid bezien is er inderdaad geen principieel verschil. Vanuit de kerk zélf bezien is het verschil juist heel principieel. Het leren leven met deze spanning is wellicht één van de belangrijkste opdrachten voor onze kerk in de komende jaren''.

Het kost de kerk nog steeds moeite, aldus de nota, om te erkennen dat haar spreken ook een vorm van politieke machtsuitoefening is. Tegenover 'politieke macht' zet men dan het 'woord', omdat machtsvorming oneigen zou zijn aan de kerk. De opstellers van de nota achten dit echter niet terecht.

Vroeger hoefde de kerk haar stem maar te verheffen of ze oefende wel degelijk macht uit (bijvoorbeeld door middel van de banvloek). Het cultuurpatroon is wat dat betreft sterk veranderd. Het principiële verschil tussen het spreken van de kerk nu en het uitoefenen van macht vroeger, is dat de kerk haar opvattingen niet meer dwingend wil opleggen aan haar leden en aan anderen.

Hiermee komt de nota op het terrein van theocratie en democratie. Deze staan niet haaks op elkaar. De theocratie moet gezien worden als een profetisch principe, dat kritisch staat ten opzichte van iedere vorm van maatschappij-ordening. Ook daar waar een keuze wordt gedaan voor democratie, blijft gelden dat er grenzen zijn aan de gehoorzaamheid.

Geconcludeerd kan worden dat de kerk haar gezag naar buiten toe niet ontleent aan enige pretentie van Goddelijk gezag. Maar ook naar binnen toe moet zij zich ervoor hoeden deze schijn te wekken. Ook in de kerk zelf is de stem van de synode of van een kerkeraad één stem te midden van vele. "Juist politieke uitspraken zijn per definitie altijd betrekkelijk. Ze berusten altijd op gebrekkige afwegingen. Maar een kerkelijke uitspraak is er niet slechts ter wille van de discussie, dat is het andere uiterste. Hier zit een vermoedelijk onoplosbaar probleem, dat tot grote terughoudendheid moet leiden, niet in de mate van concreetheid van uitspraken, maar in het claimen van gezag. Vroeger waren uitspraken van kerken gekenmerkt door een maximum aan formeel gezag. Naarmate dit gezag meer werd aangevochten, ook door interne verdeeldheid, werd de prijs van handhaving ervan vaak een minimum aan concreetheid".

Andere hoofdstukken

In de andere hoofdstukken van het concept-geschrift, die dus tijdens deze synodevergaderingen nog niet besproken worden, komen aan de orde de plaatsbepaling van de kerken temidden van de ontwikkelingen in de maatschappij na 1945, de verschillende modellen die mogelijk zijn voor het kerk-zijn (volgens Luther, volgens Calvijn, het doperse model etc.) de ontwikkelingen in de oecumene en de vraag wat voor soort gemeenschap een gemeente eigenlijkzijn moet.'

Synodebesluit vernietigd wegens procedurefout

De Generale Commissie voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft het besluit van de hervormde synode van maart van dit jaar om de pastorale brief over de kernbewapening van 1980 met een begeleidend schrijven toe te zenden aan regering en parlement, nietig verklaard op grond van een gemaakte procedurefout. Tegen het besluit van de synode was bezwaar aangetekend bij de commissie door een lidmaat van de Hervormde Kerk.

De gemaakte procedurefout houdt in dat de synode het betreffende besluit niet had mogen nemen zonder dat tevoren de door ordinantie 4.19.3 van de hervormde kerkorde gevorderde beslissing was genomen. In ordinantie 4.19.3 staat dat de generale synode, indien zij voornemens is zich te wenden tot de overheid eerst moet vaststellen of ze de classes zal raadplegen. Dat is niet geschied. De synode wilde er nu een hele boom over opzetten, tot ouderling dr. C. M. E. van Schelven laconiek opmerkte dat het beter was de uitspraak van de commissie voor kennisgeving aan te nemen en over te gaan tot de orde van de dag.

De synode kwam er - na schorsing voor overleg door het moderamen - niet uit en besloot de behandeling uit te stellen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de synode

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's