De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635-1711)

Bekijk het origineel

De kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635-1711)

8 minuten leestijd

Brakel plaatst de kerk in een duidelijk verbondskader.

De kerk in het kader van het verbond

Wij noemden u in ons vorig artikel de afwijkende volgorde van Brakel's behandeling van de Kerk in zijn Redelijke Godsdienst. Wij wezen op het verschil met Calvijn's Institutie en de Ned. Geloofsbelijdenis. Bij de laatsten is deze volgorde: Christus-H. Geest-Kerk. Bij Brakel: Christus-Kerk-H. Geest. Wat kan daar nu achter zitten? Een antwoord op deze vraag vinden wij aan het begin van Brakel's behandeling van de kerk, in hfdst. 24 van zijn Red. Godsdienst. (Wij gebruikten de 12e druk uit 1733). Het blijkt dan, dat hij de kerk ziet als een onderdeel van het Genade verbond. Dat Verbond der Genade valt in de weergave ervan bij Brakel in drie hoofd-delen uiteen. Het eerste gaat over de Borg van het Verbond, dat is Christus. In dat gedeelte wordt door hem dus de leer aangaande Christus ontvouwd. In hfdst. 24 is Brakel daar zojuist mee klaar gekomen. Vervolgens gaat hij handelen over de Bondgenoten. Inhoudelijk is dat voor Brakel hetzelfde als de kerk. Die Bondgenoten vormen dus de kerk. En daarop volgt dan een bespreking van de wegen waardoor de Heere Jezus zijn Bondgenoten tot heerlijkheid leidt of de weldaden, die de Heere zijn Bondgenoten deelachtig maakt. Dit laatste is dus gelijk met het werk van de Geest, die de weldaden van Christus aan en in de gelovigen toepast. Stellen wij nu nogmaals de vraag, hoe het komt, dat bij Brakel de volgorde van behandeling er anders uitziet dan o.a. bij Calvijn en in de Ned. Geloofsbelijdenis, dan is het antwoord: Brakel plaatst de kerk in een duidelijk verbondskader. En waar het verbond als hoofdpatroon wordt aangehouden, daar krijgt de kerk als concretisering en invulling van Gods verbondsdaden een zekere prioriteit vergeleken bij de toepassing van de heilsweldaden door de Geest aan en in de gelovigen persoonlijk. Natuurlijk zijn beide onlosmakelijk met elkaar verbonden, en kan het één nooit zonder het ander. Maar in de orde, waarin deze zaken staan, gaat toch de kerk aan de afzonderlijke gelovige vooraf. Dat brengt de nadruk op het verbond met zich mee. En dat is iets, dat bij Brakel kennelijk een zodanige plaats heeft ingenomen, dat hij ook de structuur van zijn theologisch denken over de kerk hierdoor heeft laten bepalen.

Historische achtergrond

Nu kunnen ter verklaring hiervan enkele historische aantekeningen worden toegevoegd. Van betekenis zal ook hierbij geweest zijn, dat Brakel rondom 1700 zijn Redelijke Godsdienst heeft geschreven. Toen was de gereformeerde traditie ondertussen, na Calvijn en de Ned. Geloofsbelijdenis en ook de Dordtse Synode, voortgegaan, en heeft naast G. Voetius o.a. J. Coccejus (1603-1669) zijn sporen in de gereformeerde theologie achtergelaten. Coccejus is een uitgesproken Verbondstheoloog geweest, die zich erop heeft toegelegd om ook het heilhandelen van God in een Verbondshistorisch kader te plaatsen. Eerst stuitte hij hierbij op grote weerstand van de kant van de orthodoxie, met name van Voetius en zijn volgelingen. Later zien wij, dat er gezocht wordt naar een synthese. Men probeert het verbondsdenken van Coccejus te integreren in een theologisch kader, dat toch voornamelijk door de orthodoxie en vooral door Voetius was gestempeld. Tot die theologen behoorde ook Wilhelmus à Brakel. Hij was Voetiaan maar hij had oog voor het bijbelse verbondsdenken en probeerde dit o.a. in zijn beschouwing over de kerk te integreren. Eén van de belangrijkste resultaten daarvan was de bovengenoemde volgorde. De kerk als de gemeente van Christus, als het verbondsvolk des Heeren, gaat in theologische behandeling vooraf aan de afzonderlijke gelovigen en hun persoonlijk delen in de weldaden van het Verbond. Daarin trekt hij een lijn, die wij bij Calvijn en in de Ned. Geloofsbelijdenis zo (nog) niet vinden. Als wij naar de oorsprongen van deze verbondslijn zoeken, komen wij niet direct bij Calvijn uit. We moeten dan kijken in de richting van Heidelberg waar Z. Ursinus en C. Olevianus hun kerkelijk-theologische arbeid hebben verricht. En daarachter komen wij uiteindelijk in Zurich terecht, bij iemand als H. Bullinger. Bullinger vooral heeft zijn beschouwing van het heil en van de kerk, ja zelfs zijn hele theologie, in sterke mate door het Verbond laten bepalen.

Belangrijke gevolgen

Vragen wij nu naar de betekenis hiervan voor ons, dan zou ik vooral willen wijzen op het anti-individualistische element dat hierin ligt opgesloten. Wanneer wij het persoonlijke werk van de Geest voorop stellen en ook de kerk en de gemeente daardoor laten bepalen, lopen wij het gevaar om de christelijke gemeente uitsluitend te zien als een aantal individuele gelovigen. We zien dan alleen personen, en we hebben geen oog meer voor de gemeente als geheel. Ik zeg natuurlijk niet, dat Calvijn en de Ned. Geloofsbelijdenis dat zo stellen. Wel vinden wij het in later tijd steeds meer terug. Dan denk ik vooral aan de 18e eeuw, waar van Brakel aan het begin heeft gestaan. De gemeente bestaat dan uit een aantal bekeerden (gelovigen) en een aantal onbekeerden. Die gelovigen worden dan ook nog weer ingedeeld in verschillende groepen, die beantwoorden aan het stadium, waarin men in het persoonlijke geloof verkeert. Er ontstaat dan een individualistische benadering van de gemeente, terwijl de gemeente alszodanig, als het volk van het verbond, het lichaam van Christus niet meer tot haar recht komt. Bij Brakel echter is dit gevaar op een principieel-theologische wijze bezworen. Een tweede verschil is niet minder belangrijk. Als wij zien, hoe bij Calvijn en ook in de Ned. Geloofsbelijdenis de genoemde volgorde inhoudelijk wordt ingevuld, blijkt, dat vooral de verkiezing de achtergrond van het denken over de kerk beheerst. De kerk is het geheel der verkorenen. En omdat de verkiezing steeds meer als een individuele verkiezing werd gezien, kreeg ook de kerk en de gemeente steeds meer de gestalte van een aantal persoonlijk verkorenen, dat dan (steeds meer) geflankeerd of zelfs overheerst wordt door een aantal verworpenen. Wie zo de gemeente gaat beschouwen en in verkondiging en pastoraat gaat benaderen, raakt het zicht op de gemeente als geheel kwijt. Anders is dat echter, wanneer niet allereerst de verkiezing maar het Verbond de gemeente gaat bepalen. Dan wordt de gemeente primair gezien als het volk des Verbonds, en valt de nadruk op het geheel. Stellig is het zo, dat God in zijn verbond zijn verkiezing realiseert. Maar dat laatste is dan toch het laatste, en niet het apriori, dat aan het begin staat en van begin af aan alles beheerst. Ook al voltrekt God zijn heil door zijn Geest op een persoonlijke wijze, dit alles vindt toch plaats binnen het raam van het Verbond, en van het volk van het Verbond, de gemeente van het Verbond. Het komt mij voor, dat dit het waardevolle is van Brakel's benadering van de kerk in het geheel van zijn theologie.

Slechts één Verbond

Uiteraard is het dan van grote betekenis om na te gaan, hoe Brakel dit Genadeverbond ziet. We kunnen hierop niet al te uitvoerig ingaan. Hij wijdt daaraan een apart hoofdstuk, (hfdst. 16), dat aan zijn verhandeling over Christus voorafgaat. Twee dingen lijken mij belangrijk om op te merken. In de eerste plaats wijst Brakel met klem de onderscheiding tussen een uitwendig- en een inwendig verbond af. Er is maar één verbond, en dat is het verbond, dat God met zijn (verkoren) volk gesloten heeft. Om daarnaast ook nog een uitwendig verbond te leren met uitwendige eisen en uitwendige beloften, die niet met de zaligheid zelf te maken hebben, wordt door hem radicaal afgewezen. Het enige wat hij aanvaardt is om te spreken van een z.g. uitwendige inlating in het verbond. Hij doelt dan op diegenen, die de schijn hebben tot het verbond en tot de kerk te behoren, maar in werkelijkheid daar geen deel van uitmaken. Als iemand zou zeggen: ja maar, is dat nu in feite niet hetzelfde als wanneer men spreekt van een uitwendig en inwendig verbond, dan moet het antwoord daarop ontkennend zijn. Bij de onderscheiding tussen een inwendig en uitwendig verbond, krijgt het uitwendige verbond een bepaalde mate van zelfstandigheid, terwijl het inwendige, d.i. het ware geestelijke en zaligmakende ten opzichte van het uitwendige evenzeer min of meer wordt verzelfstandigd. Wat Brakel beoogt is juist het leggen van een ander accent, nl. dat het éne verbond alles is en daarom ook het enige, terwijl de z.g. uitwendige toelating in het verbond in feite niets is, ook al doet het zich voor iets te zijn. Men leze wat Brakel hierover schrijft in Hfdst. 16, par. 37. Brakel gaat geheel en uitsluitend uit van het ene verbond en grondt daarop ook zijn visie op de kerk. Dat komt ook naar voren in de manier waarop hij het verbond beschrijft en omschrijft. Wij zouden het kunnen noemen een actualiserende verbondsbeschouwing. Brakel ziet het verbond als een ontmoetingsgebeuren tussen God en mens. Het Genadeverbond is voor hem een verbond in actu, een verbond dat zich daadwerkelijk voltrekt tussen God en mens. Ik wijs u op zijn definitie ervan in Hfdst. 16, par. 3: '... (het verbond) in welke God belooft de verlossing van alle kwaad en de toebrenging van alle zaligheid uit genade door de Middelaar Jezus Christus; en in welke de mens met heel zijn hart en met een vol genoegen in die beloften en in de weg om tot het bezit van die beloofde goederen te komen, in het Woord voorgesteld, toestemt, ze aanneemt en zich daartoe in dat Verbond aan God overgeeft...'

In het verbond voltrekt zich dus de ontmoeting tussen de belovende God en de zich aan deze God door het geloof overgevende mens. Het is van grote betekenis, dat Brakel op grond van dit Verbondsgebeuren de gestalte van de kerk omschrijft. Wat dat ander inhoudt, daarover een volgende keer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635-1711)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's