Sterke weerstand tegen 'Samen op Weg in Hervormde Kerk
In november 1982 werd op de toen gehouden Combi-synode een groot aantal aanbevelingen in verband met de voortgang van het proces 'Samen op Weg' aangenomen.
In november 1982 werd op de toen gehouden Combi-synode een groot aantal aanbevelingen in verband met de voortgang van het proces 'Samen op Weg' aangenomen. Deze besluiten moesten worden bekrachtigd op de hervormde synode en de synode van de Gereformeerde Kerken. Zulks geschiedde op de synode van de Gereformeerde Kerken met één stem tegen, op de hervormde synode met dertien stemmen tegen en zes onthoudingen. Vervolgens moesten in de Hervormde Kerk de classes over één en ander worden geraadpleegd.
Uit het geheel van de reacties van de classes blijkt overduidelijk dat er in de Hervormde Kerk sterke weerstanden bestaan tegen de voortgang van het proces van 'Samen op Weg' zoals deze thans plaats vindt. Van de 46 classes, die considereerden, waren er elf tegen de voorstellen en tien hadden zeer ernstige bezwaren. Van de overige classes, waarvan de reacties later binnengekomen waren, werd mondeling ter synode een overzicht gegeven, waarbij het beeld hetzelfde was. Sterke bezwaren leefden ook met name tegen het considereren-achteraf, nadat de synoden al geratificeerd (bekrachtigd) hadden.
Op te merken valt dat met name ook de positiebepaling van de kerkeraad van de hervormde buitengewone wijkgemeente te Krimpen a.d. IJssel een rol mee heeft gespeeld in de discussie op bepaalde classes. Een samenvatting van de bezwaren en weerstanden is eigenlijk gegeven door drs. R. H. Kieskamp (Leerdam) in een motie, die hij voorlegde aan de synode bij de behandeling van deze consideraties. De in houd van de motie-Kieskamp luidde als volgt:
De Synode der Nederlandse Hervormde Kerk in vergadering bijeen, overwegende dat de besluiten van de gezamenlijke synodenvergadering van november 1982, waarover door de hervormde classes, volgens voorschrift alsnog geconsidereerd is, te veel onjuiste en onduidelijke zaken bevatten zoals onder andere:
- het noodzaken van niet-gefedereerde gemeenten zich te voegen naar het S.o.W.-kerkrecht van een gefedereerde classis
- het noodzaken van niet-gefedereerde gemeenten de S.o.W.-visitatie van gefedereerde classes te aanvaarden
- het laten beslissen over al of niet federeren van classes bij meerderheid van stemmen i.p.v. met b.v. % meerderheid vóór federatie
- het laten stemmen over federatie van classes door de afgevaardigden die in hun stemgedrag niet door hun kerkeraden gebonden zijn, i.p.v. een referendum onder kerkeraden serieus te laten meespelen
- het laten bevestigen tot ouderling met bepaalde opdracht van af te vaardigen leden van een commissie van beheer of kerkvoogdij, waardoor het incidentele van het ambt al te zeer wordt onderstreept en kerkvoogdijen die niet zijn aangepast onjuist worden behandeld
- het inbouwen van de mogelijkheid tot een derde kerk door gemeente leden te kennen die noch N.H. noch G.K.N, zijn
- het adviserend lid van de classis kunnen zijn van niet afgevaardigde ambtsdragers
- het opstellen van de definitieve agenda der classis door de classicale vergadering zelf i.p.v. door het moderamen - het te grote accent op de classis ten koste van de P.K. V. zonder dat daar voldoende evenwichtig vooroverleg met de diverse organen aan vooraf is gegaan besluit de ter consideratie aan de classes aangeboden besluiten van de gezamenlijke synodevergadering van november 1982 vooralsnog niet goed te keuren teneinde door overleg met de Gereformeerde Kerken in Nederland te komen tot voorstellen waarin genoemde en mogelijke andere bezwaren zo veel mogelijk zijn weggenomen.
Deze motie kwam een dag later in stemming en werd toen verworpen met acht stemmen voor.
In de gevoerde discussie voerde ook diaken N. A. de Waal (Alblasserdam) het woord. Hij zei o.a. het volgende:
'In de toelichting bij de agenda staat als motief voor de consideratie achteraf het niet hebben van gelegenheid vooraf.
Gegeven de tekst van art. XXVII van de kerkorde en ordinantie 20 lid 13 is dit echter niet mogelijk. Dit zijn formuleringen met een imperatief karakter, die, en dat geldt met name art. 27 van de kerkorde tot uitdrukking brengen het presbyteriale karakter van onze kerk.
De benaming presbyteriaal-synodaal beoogt weliswaar aan te geven dat de synode een eigen verantwoordelijkheid kent als meest brede vergadering der kerk maar ook niet meer dan dat. Velen in onze kerk hebben het gevoel dat de synode eigenmachtig handelt. Ik wil die gevoelens niet versterken maar de behandeling achteraf versterkt deze gevoelens welzeker. Wie denkt de gevoelens in de gemeenten te kunnen neutraliseren in het woord alsnog vergist zich sterk.
Dat is dus mijn eerste bezwaar, dat meer dan een procedureel bezwaar is in aanmerking nemend dat onze kerkorde een belijdende orde is. Zondigen tegen art. 27 is zeer ernstig.
Het tweede bezwaar is dat het tekenend is voor de geforceerde voortgang en vormgeving van SOW. Als er gemeenten zijn die menen een brede interkerkelijke samenwerking zich met deze SOW-processen bezighouden als ik o.a. denk aan de zinsnede "het houden van contact met de wijkkerkeraden over de taak en de samenwerking van de delen in het geheel der gemeente".
Als nu één der wijkgemeenten een SOW-relatie onderhoudt met de Ger. Kerk ter plaatse komt er via de ordening van de classicale vergadering een druk van boven als de gehele plaatselijke hervormde gemeente zulk een SOW-relatie niet begeert. Een klemmende oproep om het SOW-proces op z'n minst te verlossen van zijn geforceerde karakter is hierbij gedaan . . .'
Ook diaken mr. D. G. van Vliet (Wilnis, classis Breukelen) riep de synode op recht te doen aan de consideraties van de classes. Hij diende een motie in van de volgende inhoud.
De generale synode in vergadering bijeen op 15 juni 1984, kennis genomen hebbende van de consideraties die de classes hebben ingediend met betrekking tot het besluit 10.3.5a, dat door de gezamenlijke synodenvergadering van november 1982 is genomen en nadien door de afzonderlijke synodevergaderingen bekrachtigd;
overwegende dat genoemd besluit voor een deel zodanige gevolgen heeft dat vooruitgelopen wordt op de definitieve besluitvorming inzake één, gefedereer de of geïntegreerde kerk, waarover de classes nog geraadpleegd moeten worden;
besluit de uitvoering van het besluit 10.3.5a, zoals in de overwegingen genoemd, nader op te schorten, totdat na de raadpleging van de classes het definitieve besluit om tot één kerk - in federatieve dan wel geïntegreerde vorm - te komen zal zijn genomen.
Deze motie werd met dertig stemmen tegen en twintig stemmen voor weliswaar verworpen, maar met deze stemming kwam toch duidelijk tot uitdrukking hoezeer een belangrijk deel van de Hervormde Kerk 'Samen op Weg' zoals het nu gaat niet wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's