Boekbespreking
K.E.H. Oppenheimer, Liefde en huwelijk-grandeur, moeite en pijn; 's-Gravenhage 1983, 264 pagina's, ƒ23, 90.
Een boeiend boek van de hand van de Leidse wijsgeer en emeritus-predikant Oppenheimer. Hij voert een warm pleidooi voor het huwelijk, voor de hechtheid van het echtverbond. Zijn kracht ligt niet in de bezinning op en weergave van bijbelse grondlijnen. Slechts luttele pagina's worden onder het hoofd 'theologische oriëntering' daaraan gewijd. Maar breed en diep gaat de schrijver in op literaire en culturele aspecten. Zo passeren Abelard en Heloïse, Dante en zijn Beatrice, Kierkegaard en zijn Regine, Goethe en zijn Friederike de revue.
Oppenheimer verliest zich niet in ijle en onwerkelijke romantiek. Maar hij vraagt wel aandacht voor het romantische. In zijn hoofdstuk over 'de eigenschappen van de vrouw' kiest hij meer voor Buytendijk dan voor Simone de Beauvoir. Dat nemen de feministen hem niet in dank af.
We behoeven het niet in alles met Oppenheimer eens te zijn om toch met dankbaarheid dit gerijpte werk te kunnen genieten. Er verschijnt heel wat mindere waar op de markt, zeker als het, over 'Liefde' gaat . . .
J. H.
Mr. J. v. d. Hoeven: Dit heerlijk gebed, uitg. G. F. Callenbach b.v., Nij-I kerk, 66 blz., ƒ 12, 50.
Dit boekje is een uitgave in de serie 'Toerusting'. De 'ondertitel' luidt: Leven op het fundament van het Onze Vader. U heeft dus waarschijnlijk al begrepen dat ons hier een korte behandeling geboden wordt van wat Christus ons in het Onze Vader geleerd heeft te bidden. In het Woord ter inleiding wijst de schrijver er op dat het goed is het Onze Vader omzichtig in beschouwing te nemen. Hij wil dit ook in dit geschrift doen, bij alles wat er in de loop der tijden reeds over het 'Onze Vader' is gepubliceerd. Het boekje is verdeeld in drie gedeelten. God, De Mens en De Gemeente. Deze gedeelten zijn ingedeeld in korte hoofdstukjes waarin dan het gehele gebed, dat Christus ons geleerd heeft, wordt behandeld. Het geheel wordt voorafgegaan door twee omlijstingen, waarbij kort wordt ingegaan op het verband waarin het Onze Vader voorkomt in Matth. 6 en Luk. 11. Aan het slot van elk hoofdstuk staan een aantal vragen ter beantwoording, waardoor de bedoeling wordt onderstreept dat de studie 'van wat de Bijbel zegt, naar onze levenshouding wordt teruggekoppeld', 't Is juist de bedoeling - zeer te waarderen - van de schrijver dat we bij de bespreking van het 'Onze Vader' niet in een soort beschouwing blijven ste-'. ken, maar dat we ons afvragen of de werkelijkheid van ons leven beantwoordt aan en overeenkomt met wat we bidden. De wijze waarop de schrijver het Onze Vader bespreekt is hierop toegespitst. De gestelde vragen zijn zó geformuleerd dat deze daaraan goed meewerken. Zo zal en kan dit boekje voor persoonlijk gebruik en zeker voor bespreking in kringen zijn weg wel , vinden. Het boekje geeft heel wat maar is anderzijds toch ook weer een vrij korte behandeling van het gebed des Heeren. Daardoor komt soms het een of het ander niet zo goed tot zijn recht. Ik denk bijv. aan het 'Vader' zijn van God en aan zijn 'Naam'. Wanneer hier en trouwens bij het hele 'Onze Vader' de uitleg van de Heidelberger Catechismus wat verwerkt zou zijn, zou dit zeker aan het geheel ten goede gekomen zijn.
Een vraag: de levensmogelijkheid - zo merkt de schrijver op op blz. 39. - die wij door ons dagelijks brood in handen krijgen, goed hanteren, dat kunnen wij alleen van God ontvangen. Volkomen mee eens. Maar wat moet ik aan met de zin, die daaraan voorafgaat: 'Zeker, wij westerse mensen hóeven helemaal niet te bidden om brood. Wij kunnen ons dat best zelf verschaffen...'. Ik denk hierbij aan wat Zondag 50 van de H. Catechismus zegt. Als God de Heere niets laat groeien ontbreekt ons alles, ook in het Westen. Wel zijn we dankbaar voor de opmerking dat het bidden voor Jezus, en ook voor ons niet een uiterlijke manifestatie is, maar een innerlijk zich richten op God. Het gaat in alles, ook bij het dagelijks brood om het weer met God verbonden leven. Zonder dat levensbrood is elk menselijk bestaan ten dode gedoemd. Voor bespreking is dit boekje goed te gebruiken.
Jac. Vermaas
M. R. van den Berg, Jezus en zijn betekenis in liet raam van zijn tijd. Prijs ƒ 18, 80. Uitgave Buijten en Schipperheijn B.V., Amsterdam.
Dit is een Telos-boek. Onder de naam Telos brengt een groep positief christelijke uitgevers boeken op de markt die doelgericht en bijbels georiënteerd zijn. Zo ook dit boek van M. R. van den Berg. Vanuit de Schrift wordt door de auteur geantwoord op vragen als: Wie is Jezus van Nazareth? Hoe zagen de mensen Hem, toen Hij onder hen woonde? Wat is zijn betekenis voor ons? Daarbij geeft de schrijver allerlei informatie over de omstandigheden waarin Jezus op aarde leefde. Tegen de achtergrond van het historisch raamwerk dat hij tekent, worden Jezus' contouren duidelijker voor mensen van onze tijd. Het boek is opgebouwd rond het tweede artikel van het apostolicum. Het is een fijnzinnig en sprankelend werkje. Om een voorbeeld hiervan te geven, halen wij aan wat op bladzijde 43 n.a.v. Johannes 1 : 18 staat geschreven: Hij (Jezus) heeft God geëxegetiseerd. Exegetiseren is het werk van een gids. Een gids leidt mensen rond door een stad of een museum. Hij laat hun de bezienswaardigheden en de bijzonderheden zien. Aan de hand van de gids ontsluit zich de stad voor hen. Zo heeft de Zoon van God God voor ons ontsloten. Dank zij Zijn leiding leren wij God kennen zoals Hij voor ons wil zijn'. Deze en andere noties onderstreepten wij bij het lezen van dit boek. Prettig is ook te vermelden, dat het vlot en duidelijk is geschreven. Eigentijds, zonder enige platvloersheid. Graag ter lezing en ter bestudering aanbevolen. Er wordt ons werkelijk veel achtergrondinformatie geboden.
G. S. A. de Knegt
C. den Boer: Op verkenning in liet Nieuwe Testament, 240 blz., ƒ 27, 50, Uitgeverij Bolland, Amsterdam 1983
Collega Den Boer geeft in dit boek een handzame en handige inleiding tot de geschriften van het Nieuwe Testament, een aantal bijbelse kernwoorden en de wereld rondom het Nieuwe Testament . Het boek is bedoeld voor toerusting van vrijwilligers, catechetenopleidingen en cursussen theologische vorming. In betrekkelijk kort bestek wordt veel gegeven in prettig leesbare vorm. Uiteraard was de auteur, vooral ten aanzien van de achtergrondinformatie en de sleutelwoorden gedwongen een keus te maken. Niet altijd is die keus even doorzichtig. Dat in hoofdstuk 1 (Matth. Ev.) het begrip 'Koninkrijk Gods' ruime behandeling krijgt en bij het boek Handelingen het begrip 'getuigen', laat zich verstaan, maar dat in hoofdstuk 3 'engelen' het sleutelwoord is, is wat merkwaardig, 'k Meen dat een begrip als 'heil, verlossing' (sooteria) voor Lucas kenmerkender is.
Terecht wijst de schrijver op het vaak willekeurige karakter van de oplossingen die in het historisch-kritisch onderzoek geboden worden. Terecht signaleert hij ook de gevaren van de constructie achter de voor ons liggende tekst van de Schrift. Toch vraag ik me af of Den Boer geheel recht doet aan de betekenis van dat onderzoek dat zonder de Schrift geweld aan te doen toch laat zien hoezeer er binnen de eenheid van het Evangelie verschillende accenten zijn. Met name binnen de kringen van de Evanglicals (o.a. I. H. Marshall, D. Guthrie, E. M. B. Green, F. F. Bruce e.a.) zijn er op dat punt waardevolle studies geschreven, die en aan de eenheid en aan de verscheidenheid recht willen doen.
Dat de Hebreënbrief wel eens van Paulus geweest kan zijn, wordt m.i. terecht toch algemeen ontkend. In de brief zelf wijst niets er op, integendeel, karakter en stijl doen toch aan een ander denken. Paulus wordt ook geen enkele keer als schrijver genoemd. Het blijft een vraag wie deze prachtige brief geschreven heeft. Het hoofdstukje over de canon en de apocrief is (door ruimtegebruik? ) erg summier uitgevallen. De gemaakte opmerkingen mogen een bewijs zijn met hoeveel vreugde ik van dit keurig uitgegeven boek kennis nam. Wie snel georiënteerd wil zijn, kan hier terecht. Als zodanig een handzame gids voor elk gezin waar de Bijbel dagelijks op tafel komt.
A. N.
Ds. I. Kievit: Tweeërlei kinderen des Verbonds; voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking, eis der Heilige Schrift. Prijs ƒ 19, 50. Uitgave Den Hertog B.V. - Houten/Utrecht.
Aan het eind van de dertiger jaren verschenen van de hand van ds. I. Kievit twee boekjes, die in de kring van de Gereformeerde Gezindte in en buiten de Nederlandse Hervormde Kerk veel aandacht kregen, omdat ze handelden over zaken, die binnen de gereformeerde theologie de jaren door doordacht zijn en ook wel in discussie zijn geweest. Reeds eerder zijn beide boekjes in één band verschenen. Opnieuw zijn ze nu in één uitgave samengebundeld.
Bij het herlezen van deze uitgave viel ons op, dat beide geschriften aan actualiteit niets hebben ingeboet. Wat in de dertiger jaren ter discussie stond, is ook nu nog een bron van doordenking, iedere generatie dient een juist zicht op het Verbond zich eigen te maken. Een zicht dat op de Schrift gegrond is. Wij menen, dat wij in dezen veel van ds. I. Kievit kunnen leren. De vele facetten van het Verbond worden door hem op een bijzonder heldere wijze belicht. Steeds grijpt hij terug op de Schrift, steeds laat hij zien wat de vaderen leerden, met name Calvijn. Laatstgenoemde wordt breedvoerig aangehaald.
Het bovenstaande geldt niet minder voor het tweede geschrift: 'Voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking, eis der Heilige Schrift'. Telkens hamert de auteur erop, dat de Schrift de enige stofbron van de prediking is. De preek moet zijn verklaring en toepassing van het Woord Gods. Zowel een puur onderwerpelijke - als een puur voorwerpelijke prediking wordt door hem van de hand gewezen. De prediking dient te zijn: voorwerpelijk-onderwerpelijk. Dat is de eis der Heilige Schrift. Hij waarschuwt ons ervoor, dat wij de tekst als een kapstok zullen gebruiken. De tekst moet voorwerpelijk van alle kanten belicht worden om dan naar het onderwerpelijke af te steken. Doch altijd . . . vanuit de tekst.
Ook wijst de auteur erop dat de gehele Schrift dient verkondigd te worden. Hij stelt zelfs de vraag óf de meeste predikers wel aan 1/3 van de Schrift toekomen. Met groot genoegen hebben wij nog weer eens dit boek gelezen. Graag zouden wij het in veler handen zien. Juist in onze tijd is het van uitermate groot belang hiervan kennis te nemen.
G. S.A. de Knegt
Mr. I. da Costa: Bijbellezingen, deel n, uitgeverij Van den Berg, Zwijndrecht 1983, 339 blz., geb. ƒ 29, 75.
Aan deel I wijdden wij een waarderende bespreking. Nu deel II verschenen is behoeven wij daarvan niets terug te nemen. Weer ligt een fraai werk voor ons. Dit deel gaat over 1 Koningen tot en met het Hooglied.
Da Costa was een man van bijbelstudie. Wat zijn theologische inzichten betreft, soms kan ik ze heel goed delen, soms ook niet. Wanneer Da Costa nadrukkelijk stelt dat de Bijbel Gods Woord is en dat het onjuist is om te zeggen: Gods Woord is in de Bijbel, dan zeg ik daar geheel ja en amen op. Maar ik kan niet met hem meegaan als hij heel nadrukkelijk zijn ontwikkelingsgedachte naar voren brengt en meent de Reformatie achter zich te kunnen laten. Daardoor stond hij dicht bij de Ethischen, en niet bij de Gereformeerden in de vorige eeuw. Dit standpunt heeft zich in Da Costa's kerkelijke houding niet weinig gewroken. Zijn joods chiliasme heeft hem parten gespeeld.
Ook dit deel is voorzien van een vrij uitvoerige inleiding van de hand van de heer Scholten. Ik wil aan de waarde van deze inleiding niets afdoen; integendeel. Maar het moet mij wel van het hart dat ik er enigszins aan twijfel of de heer Scholten wel voldoende gezien heeft welke bezwaren er vanuit de gereformeerde belijdenis tegen de theologie van Da Costa zijn in te brengen. Een zinsnede als 'Da Costa is te bevindelijk, dan dat hij een mechanische inspiratieleer toegedaan zou kunnen zijn' (12) had ik eerder verwacht uit de mond van een modern Schriftkritisch theoloog dan uit de mond van de heer Scholten. Het is nl. helaas gewoonte geworden de leer van de inspiratie van de Schrift, zoals die beleden wordt in onze Ned. Geloofsbelijdenis, af te doen als 'mechanisch' en daar dan een geestelijke, kerugmatische of bevindelijke benadering van de Schrift tegenover te stellen, die volle ruimte biedt voor Schriftkritiek. Het woord 'bevindelijk' is bepaald niet een woord waarmee men zich de ketterij van het lijf kan houden; het is in onze tijd eerder daarvoor een invalspoort. Scholten wil dat natuurlijk niet, maar laat hij dan niet zo onvoorzichtig het 'bevindelijke' stellen tegenover het 'mechanische'.
Met enig oordeel des onderscheids is er van Da Costa's Bijbellezingen veel te leren.
K. Exalto
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's