Kohlbrugge en de Nadere Reformatie (I)
Kohlbrugge's geloof is een levend geloof, beleefd, doorleefd en geleefd, maar die beleving niet als grond en voorwaarde, als 'een atmosfeertje apart om zalig te worden'.
Inleiding
Van verschillende zijden ben ik benaderd met de vraag wat breedvoeriger stil te staan bij de relatie tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie. Dit naar aanleiding van wat ik hierover heb geschreven in de artikelen-serie 'Geloven door Woord en Geest bij Hermann Friedrich Kohlbrugge' in de kolommen van dit blad. (Jaargang 71, de nrs. 29 t/m 35).
Met name mijn opmerking dat Kohlbrugge de Nadere Reformatie als geneeswijze, nl. om de zieke kerk van de reformatie te doen herstellen volledig zou afwijzen, heeft nogal wat vragen losgemaakt. Al die vragen komen neer op wat je zou kunnen noemen de hamvraag, nl. op grond waarvan ben ik tot die conclusie gekomen? Het onderstaande wil daarop een antwoord geven, waarbij ik direct wil aantekenen dat het hier gaat om mijn eigen, dus persoonlijk standpunt.
Hoe kunnen we de relatie tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie het best benaderen?
Allereerst een negatief antwoord.
Die relatie is niet te benaderen door simpel een groot aantal citaten uit Kohlbrugge's werk bijeen te verzamelen waarin hij scherp en nadrukkelijk ingaat tegen die vorm van het religieus subjectivisme (godsdienstig stelsel dat uitgaat van het leven van de gelovige mens), welke voorwaardelijke gronden pleegt te zoeken in en te maken van de beleving van het geloof, de innerlijke ervaring. Deze opmerking acht ik uiterst belangrijk!
Er zijn heel veel mensen die menen dat, wanneer Kohlbrugge ingaat tegen een ervarings-geloof, dat wil zeggen een rusten in en op de ervaring waarbij men pleegt te zeggen 'pas als je dit of dat beleefd hebt, ervaren hebt, dan kun je zeggen dat je een gelovige bent', hij ingaat tegen de Nadere Reformatie en het Piëtisme. Met deze laatste benamingen plegen we in de kerkgeschiedenis bepaalde groepen van predikanten aan te duiden die in hun preken en geschriften een vurig pleidooi hebben gevoerd voor een persoonlijke en innige beleving van het geloof en van daaruit voor een radicale levensheiliging. Geloof moet ervaren worden en gezien worden. In de kerk worden de meesten van hen 'de oude schrijvers' genoemd en velen van u hebben wellicht één of meerdere werken van één hunner in huis. Volgens een aantal mensen zou Kohlbrugge tegen de beleving, doorleving en uitleving van het geloof ingaan vanwege zijn nadruk op het 'Sola Scriptura' (door het Woord, de Schriften alleen) en het 'Sola Fide' (door het geloof alleen). Dat nu is beslist niet waar.
Zulk een conclusie komt voort uit het vereenzelvigen van hen die de nadruk leggen op het beleven van het geloof met de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie en het Piëtisme. Een identificatie die m.i. principieel kant noch wal raakt.
Want, wat je ook verder van Kohlbrugge kunt zeggen, is hij het juist niet die de beleving van het geloof op weergaloze wijze in zijn preken heeft verwoord? O zeker, de ervaring als voorwaarde en grond heeft hij altijd en fel afgewezen maar de ervaring kwam er wel bij, geloof gaat niet buiten de ervaring, de beleving om. Eigenlijk zou ik het nog scherper willen formuleren, zo fel als hij ageerde tegen de beleving als voorwaarde en grond, zo onmisbaar is bij hem de beleving als bij-komende en met het geloof gepaarde factor. Kohlbrugge's geloof is een levend geloof, beleefd, doorleefd en geleefd, maar die beleving niet als grond en voorwaarde, als 'een atmosfeertje apart om zalig te worden'. Dan zou ons beleven belangrijker zijn dan Hem die ons Leven is.
Zo mogen we dus geen misbruik maken van Kohlbrugge's 'Sola Fide' prediking in ons zoeken naar de relatie tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie.
Vergelijkend onderzoek?
Een andere methode is die van het vergelijkend onderzoek. Daarbij wordt gezocht naar overeenkomsten in inhoud, vorm en stijl tussen het werk van Kohlbrugge en dat van vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Een soortgelijke methode wordt toegepast door Prof. dr. C. Graafland in de artikelen 'Kohlbrugge's prediking in het licht van de Nadere Reformatie' (de schriftelijke neerslag van een uitermate boeiend referaat in Kerkblaadje, jaargang 68, nrs. 24 en 25).
Toch heeft ook deze methode nogal wat nadelen. Maar al te vaak worden er daardoor verbanden gelegd die historisch niet aantoonbaar zijn. Zo wordt er nogal eens een verwantschap gezien tussen de bekende 'nieten' van Schortinghuis en het 'nul zijn' van Kohlbrugge en ook C. Graafland ziet parallellen die z.i. op verwantschap wijzen. Helaas wordt die verwantschap niet duidelijk historisch waargemaakt en het gevolg is dan ook dat deze benadering verschillende conclusies voortbrengt, het hangt blijkbaar af van iemands vooronderstellingen. Graafland wijst er op hoe M. J. A. de Vrijer en S. v. d. Linde positieve verwantschap aanwezig achten tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie terwijl mannen als O. Noordmans, K. Groot en J. Loos deze juist ontkennen. Al met al acht ik ook deze methode niet zo toereikend om een aanvaardbare en historisch betrouwbare uitspraak te doen over de relatie tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie.
Mag er in het algemeen al weinig geconcludeerd kunnen worden uit overeenkomst in uitdrukkingswijze, woordkeuze, thematiek etc, nog minder mag men dat m.i. doen bij een man als Kohlbrugge. Wie hem enigszins kent weet dat hij zich niet zo snel zal aanpassen aan en aansluiten bij anderen of het moet gaan om een diepe geestelijke verwantschap. Daarvan is in ieder geval sprake met Luther en Calvijn. De enige duidelijk aantoonbare verwantschap die Kohlbrugge heeft is die met de profeten en de apostelen en met de mannen van de reformatie. Voor het overige is hij m.i. een duidelijke eclecticus, (letterlijk een 'uitlezer', iemand die uit verschillende geschriften datgene overneemt waarin hij/zij zich herkent), waarbij het hem om het even is of het nu gaat om a, b of c, als hij er maar de grootmaking van de Naam van onze Heere Jezus Christus in herkent.
De historische methode
Op grond van het voorafgaande kies ik dan ook voor de benadering van de relatie tussen Kohlbrugge en de Nadere Reformatie voor een andere methode, dat is de, wat ik zou willen noemen, historische methode. Daar Kohlbrugge zich bij mijn weten nergens direct uitlaat over de Nadere Reformatie moet je m.i. zoeken naar wat hij wellicht indirect gezegd heeft. Daarvoor is het noodzakelijk eerst te bezien wat de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie eigenlijk wilden bereiken. Hoe hebben zij zichzelf gezien in hun historische en kerkelijke context, d.w.z. in hun tijd en temidden van de toenmalige opvattingen, verhoudingen enz.?
Wanneer we op deze vraag een antwoord kunnen vinden is het wellicht zinvol om eens na te gaan of Kohlbrugge iets heeft gezegd of geschreven over datgene wat de vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie nastreefden. Deze manier, van werken leidt soms tot verrassende resultaten en als ik mij niet vergis heeft prof. dr. H. A. Oberman via deze historische contextuele benadering de thematiek betreffende Luther en de duivel van een wetenschappelijke verstandelijk beschouwende, zonder persoonlijke betrokkenheid gemaakt tot een heilig avontuur.
Wat beoogde de Nadere Reformatie?
Voor het antwoord op deze vraag willen we in de leer gaan bij de kenners Prof. dr. S. v. d. Linde en dr. T. Brienen. Van S. van der Linde zijn de tot nu toe belangrijkste bijdragen over de Nadere Reformatie gepubliceerd in de bundel 'Opgang en voortgang der Reformatie', A'dam 1976, en van T. Brienen is daar de overbekende dissertatie 'De prediking van de Nadere Reformatie', 2e druk, A'dam 1981. Alleen uit het werk van Van der Linde zal ik het nodige citeren met daarachter de paginanrs.
1) Allereerst heeft de Nadere Reformatie de kerk willen dienen. 'Terecht noemt Goeters haar dan ook de 'kirchliche Reformpartei' (Kerkelijke hervormingspartij of hervormingsbeweging) (142).
2) Ten tweede valt de nadruk op de 'praktijk der godzaligheid' waarbij Van der Linde meerdere malen spreekt van een 'program' dat erop gericht is 'om het Woord een concrete gestalte te geven'. Van der Linde schroomt zelfs niet om daarbij te spreken van de theocratische, d.w.z. de heerschappij Gods beogende, aanval der Nadere Reformatie op heel de kerk en heel de wereld. Overigens is volgens hem de wedergeboren mens in dit alles eerder onderschat dan overschat omdat het leven in de Geest gebroken is. 'Van een inkorten van de rechtvaardiging door de heiliging kan daarom ook niet licht sprake zijn, althans niet bij de klassieke figuren in onze beweging' (144) maar dat neemt niet weg dat het gaat 'om de groei', om de heiliging, opdat het verborgene concreet worde, voor God en mensen'. (146).
3) Ten derde valt op dat de Nadere Reformatie een protest-beweging is nl. tegen de leer dat in het leven als zodanig een bijzondere kracht aanwezig is, zich uitend en in opschuimende levensgenieting, vrijheidsdrang en ongebondenheid tevens verwereldlijking (151), zij wil twistend, strijdend voor of tegen iets en anti-thetisch (tegengesteld aan geestelijke en/of politieke stromingen of verschijnselen) zijn verstaan (152).
4) Wat haar prediking betreft is een van de centrale kenmerken de classificatie (het rangschikken van de hoorders in klassen, groepen van onbekeerden, bekommerden, bekeerden enz.) en kenmerken-omschrijving. (zie Brienen). Verder meen ik dat je ook van rode lijnen in de prediking kunt spreken als het gaat om kritiek en tucht waarbij zeer dikwijls sprake is van oordeel en dreiging.
Om het niet te uitgebreid te maken wil ik het hierbij laten. Ik meen dat ik volledig recht heb gedaan aan de schrijvers van de door mij opnieuw geraadpleegde werken en ik ben het met hun conclusies in zoverre eens dat hun karakterisering van de Nadere Reformatie en van haar prediking historisch juist is.
Het gaat dus in de Nadere Reformatie om een beweging die de kerk (dat is de zichtbare, georganiseerde kerk!) wil dienen door, uit protest tegen opkomend vitalisme en saecularisme, het Woord een concrete gestalte te geven in de heiliging van het leven. Zó wil zij zelf verstaan zijn, zó willen haar vertegenwoordigers begrepen worden. Het gaat hier om een heel bewust kerkelijke reformatie-beweging. In één woord, het gaat hier om kerk-redding. Daarom is er m.i. sprake van diagnose en therapie waarbij, de theologen de dokters zijn. Dokters met goede bedoelingen, zij kiezen niet voor euthanasie maar voor therapie, voor genezing! De patient gaat hen ter harte, de kerk dreigt ziek te worden, zo ziek dat er zonder therapie niet verder kan worden gegaan. Wie zou zulk een streven niet hooglijk waarderen? Zulke dokters dien je toch als redders te eren en respecteren?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's