Kohlbrugge over de redding der kerk (2)
Bij Kohlbrugge is het geloofsleven in de spanning van de schijnbare tegenstelling van het reeds en nog niet...
Daar wij nu weten wat de mensen van de nadere Reformatie op het oog hadden willen we nagaan of Kohlbrugge daarover iets heeft gezegd of geschreven. Zo komen we dan in ieder geval een indirecte waardering van de Nadere Reformatie op het spoor, nl. in datgeen waarin zij zelf wil worden verstaan. Nu is er onder het vele wat Kohlbrugge heeft nagelaten één brief die m.i. een van de meest belangrijke elementen vormt voor een ieder die zich bezig houdt met Kohlbrugge's theologische gedachten. Prof. dr. W. van 't Spijker komt de eer toe om in een ander verband op het belang van deze brief te hebbben gewezen (Ref. Dagblad 25/11/'83-pag. 2) waar hij zegt dat de relatie tussen Kohlbrugge en de Afscheiding niet wordt bepaald door een persoonlijke zienswijze van Kohlbrugge maar doordat er sprake is van twee verschillende theologieën. Ter argumentatie verwijst hij, en met recht, naar de brief die Kohlbrugge op 1 december 1835 heeft geschreven aan een van zijn (weinige) echte vrienden. Van Heumen. Deze brief is (niet voor niets) opgenomen in de dissertatie van Van Lonkhuijzen (Wageningen-1905) in de bijlagen op pag. 22 t/m 25.
Deze brief nu heb ik al heel lang en dikwijls bestudeerd. Het is in meer dan één opzicht een bijzondere brief, ze geeft niet alleen inzicht in Kolhbrugge's diepe theologische gedachtengang maar ze vormt bovendien een voorbeeld van zijn grote theologische kennis en zijn onvoorstelbaar grote belezenheid. Zijn ambteloze jaren zijn duidelijk jaren geweest van rusteloze studie waarbij hij in zijn Utrechtse periode ook nog eens de beschikking had over de bibhotheek van de universiteit. Van deze theologische kennis en grote belezenheid heeft Abraham Kuyper, de man van het 'Tractaat der Reformatie', de redder van de kerk (!) i.v.m. zijn bestudering van a Lasco nog profijt gehad (zie: dr. K. Groot - 'Kolhbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact' - pag. 51 vv).
De brief is geschreven ten tijde van en mede n.a.v. de Afscheiding. Helaas wekt van Lonkhuijzen de indruk dat Kohlbrugge daartegen is uit bitterheid en omdat hij een individualist zou zijn zonder in de gaten te hebben (of te willen hebben?) dat het hier bij Kohlbrugge om een fundamentele theologische stellingname gaat. In deze brief handelt Kohlbrugge over de wijze waarop de kerk gered zou moeten worden of liever, hij stelt dat de uitwendige kerk nooit gered zou kunnen worden omdat het hier gaat om een gestalte terwijl hun geloof ten diepste en ten laatste gestalteloosheid is.
'Laat ons toch recht verstaan wat de kerk is, en dat zij reeds lang gered is, en waar zij is, en aan wiens rechterhand zij zit, - Alles moet opgaan in Christum (cursivering door mij-P.J.S.) eis Christon, (is Grieks in de brief) tot heerlijkheid Gods des Vaders, en dit is der kerke, der armen en ellendigen, verachten, verschopten, miskenden, verdrevenen, verstotenen, onbewegelijkheidde rest is als een schoone maagd, zij schittert een ogenblik in de stad en op alle gezelschappen, maar krijgt een weinig daarin de tering, en het schoone vleesch wordt voorgezet den wormen. Maar wij hebben ontvangen een onbewegelijk koninkrijk, (cursivering van Kohlbrugge-P.J.S.) Getuigt daarvan, hetzij zij het hooren of niet hooren, en zoo gij dan eene gemeente om u heen krijgt, wees blijde, zoo zij als gemeente 30 jaren Christum uit den doode opgestaan in gedachtenis houdt. Vermogen wij het wel 30 minuten? '
Op het scherpst van de snede
Het moge uit dit citaat al duidelijk zijn zijn dat Kohlbrugge met deze stellingname weinig vrienden heeft gemaakt. Het is theologiseren op het scherpst van de snede, dat houdt in dat hij zo verkleefd; verslaafd is geworden aan, in en met het Woord, van God dat er van loven en bieden, van twee walletjes eten geen sprake meer kon zijn. De kerk is in Christus, verborgen. En alles en iedereen die maar denkt hier iets van dat verborgene concreet te kunnen maken pleegt een aanval op het karakter van het christelijk geloof als gestalteloosheid, die neemt in wat voor vorm dan ook, plaats op de troon van God. Het gaat, zegt Kohlbrugge, daarbij nooit zonder eigenbelang en ondat is eigengerechtigheid.
'Zoo ging het altijd in het kerkelijk godsdienstig leven van de eerste tijden af. Geldliefde en wat wezen willen en dan heet het: 'Voor God en voor zijne Waarheid!' (Brief aan mej. M. S. te R. van 23 aug. 1843, aangehaald door van Lonkhuijzen in de voetnoot van pag. 201/202). Hier moet echt alle hoogmoed, hoe vroom en godsdientig ook, voor wijken, wij zijn goddelozen, van de wieg tot het graf, en alles ook al ons preken en bidden, ons mediteren en ons bijbellezen moet tegelijk met ons belasting-formulier en al wat we doen en laten door het oordeel van God heen. En Kohlbrugge weet dan maar één middel, één weg en dat is getuigen van dat onbeweeglijke Koninkrijk, in Hem, in Christus, en dan ook alleen in Christus is er redding, zaligheid, genade, licht en uitzicht, geloof, hoop en liefde, en een goed doorkomen door dit leven, hoe het er verder ook mag toegaan... laat dat maar over aan God, want God doet het en God alleen!
Wie dit niet vat, wie dit niet door heeft en doorleeft, wie dit niet erkent en herkent die zal nooit één syllabe van Kohlbrugge's werk begrijpen, laat staan waarderen. Het is m.i. op dit punt waar K. Barth van positieve waardering voor Kohlbrugge omdraait naar negatieve waardering... Barth wil toch iets zien van de levendmaking... iets van een gestalte hebben. Bij Kohlbrugge is het alleen maar sterven, alleen maar achteruitgang, alleen maar minder worden, niet heiliger, niet hoe langer hoe beter, niet een langzame groei... allemaal heiligingssystematieken... godsdienstige doe-hetzelvers... wat willen wezen. Het nul-blijven is de gunst en de kunst. Slechts bedelaars zijn van adel door dat adellijke zoenbloed van Christus!
Moeten we dan niet staan naar verbetering van de kerk en van de wereld? Moeten we dan niet trachten en werken, pogen en bezig zijn? Moet er dan niets gedaan worden om alle onreinheid en alle dwalingen weg te werken? Natuurlijk wel, zegt Kohlbrugge, ja hij gaat zelfs verder, hij zegt dat alles al lang gedaan is, nl. door God, in Christus. En dat nu laat God verkondigen, gelooft dat heil en troostrijk Woord, houdt in gedachtenis... en al kunnen we het geen 30 minuten... God laat niet varen de werken zijner handen. Alles gedaan, alles volbracht. Maar wij dan, de gelovigen... blijft er voor ons nu werkelijk niets meer te doen?
Kohlbrugge eindigt zijn brief aan van Heumen met een samenvatting: 'De Heere heeft eens gebouwd een eeuwig huis in de hemelen en bouwt er al aan voort met louter van allen verworpene steenen, en toch heeft Hij het eens vooral geheel afgebouwd, en het overige is toevoeging. Sedert heeft Hij al afgebroken, en de menschen geve de moed niet op met te bouwen en Hij niet met af te breken en van het afgebrokene steenen te verkiezen, die Hij in zijn gebouw voegt naar zijn zin (cursivering van Kohlbrugge-P.J.S.). Verder komt alles neer op 1 Corinthe 3 : 12-15. Amen. Het Woord Gods blijft in der eeuwigheid.'
Het lijkt mij in deze context zinvol om het door Kohlbrugge genoemde gedeelte uit de H.S. hierbij ook aan u door te geven, er staat daar vanaf vers 11: 'Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus. En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen, eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt: en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven. Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen; zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzoóo als door vuur.'
Nader commentaar lijkt mij verder overbodig. Wie het niet begrijpt klemme zich vast aan Christus en wachte totdat God het hem of haar geeft te verstaan.
Wat zegt dit over de Nadere Reformatie?
Wanneer we nu teruggaan in onze herinnering en bedenken wat we als antwoord hebben gevonden op de vraag hoe de Nadere Reformatie verstaan wil zijn, wat zij beoogde, dan wordt één ding toch wel heel duidelijk. Kohlbrugge wijst het totaal en radicaal van de hand. Zulk een zelfbewustzijn, hoe godsdienstig en bescheiden ook, ja, zelfs al is het gepaard aan een gestalte van gebrokenheid, is voor Kohlbrugge radicaal verschillend van wat hij uit de Schriften heeft geleerd aangaande de geloofspassiviteit. Kohlbrugge gebruikt woorden als program, concreet, gestalte niet of nauwelijks. Bij hem is het geloofsleven in de spanning van de schijnbare tegenstelling van het reeds en nog niet, van het simul iustus ac. peccator (tegelijkertijd rechtvaardige en zondaar) en daardoor is geloof bij Kohlbrugge geloof als bij geen ander.
Om dat nog nadrukkelijker te onderstrepen wil ik niet nalaten u nog een citaat uit die zo merkwaardige en belangrijke brief door te geven en wel uit een gedeelte waarin hij aanduidt via voorbeelden uit de kerkgeschiedenis hoe men steeds opnieuw is afgeweken van het fundament en zelf Gods werk ter hand heeft genomen. (Ik wil vooraf wel met nadruk vermelden dat men moet denken dat alle genoemde personen door Kohlbrugge als 'verlorenen' zijn beschouwd, het tekstgedeelte uit 1 Cor. 3 toont het tegendeel aan!) 'En wat belangt de Hervorming in ons vaderland, Bilderdijk heeft zoo geheel ongelijk niet in hetgeen hij ervan zegt. Lees eens de tractaatjes van Musevoet, die Perkins vertaald heeft, achter Perkins, ja Perkins zelven, en gij vindt ook bij hem het zuurdesem der eigengerechtigheid overgebleven. En Musevoet levert u een gehele methode (cursivering van Kohlbrugge-P.J.S.) hoe gij uw leven in hemelsche of goddelijke meditatiën besteden zult..", (vervolgens wijst hij o.a. op de synode van Dordt die zich heeft 'laten verschalken en afbrengen van de iustitia Christi (de gerechtigheid van Christus) tot de praedestinatie (de uitverkiezing).
En daarop Voetius (lees zijn Politica), Brakel (lees zijn opstel over de waakzaamheid), de oude Brakel (de Trappen des Geestelijken Levens), Sara Naevius (De Zoekende Ziel gebracht tot Jezus), Lodenstein, Mej. Schuurman en de Labadie (lees het uiteinde van zijn gemeente bij Fokke Sjoerds, Kerkel. Gesch.) vormen te zamen een godsdienstig kransje te Utrecht, om te bidden en om te bemediteeren eene hervorming der kerken; hoe was hun leer en wat is er van die hervorming geworden? ..'. Zal ik verder gaan, - lees de meeste voorredens van de oude Theologische Geschriften!... reeds vroegtijdig heeft men onder ons het wezen des geloofs verminkt... Waarlijk ik zoude met Stephanus, den martelaar, van het geheel van kerkhervormingen en kerkreddingen geen ander getuigenis weten af te leggen, dan hij van de geheele kerkgeschiedenis van Abraham af tot op zijn tijd toe heeft afgelegd.'
Bij dit laatste denkt Kohlbrugge onmiskenbaar aan Stefanus' rede in Hand. 7 : 2-54. Daarvan wil ik hier met name de laatste drie verzen doorgeven: Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en ooren, gij wederstaal altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen alzóó ook gij. Wien van de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt, gij die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt haar niet gehouden.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's