De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635 - 1711)

Bekijk het origineel

De Kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635 - 1711)

10 minuten leestijd

Zowel de eenheid als de zichtbaarheid van de Kerk krijgen bij Brakel het zwaarste accent.

Nadruk op de zichtbare Kerk

In het vorige artikel hebben wij reeds iets gezegd over de wijze, waarop Brakel de onderscheiding tussen zichtbare-en onzichtbare Kerk invult. Er is een onzichtbare kant aan de kerk, omdat de geloofsvereniging met Christus en het geestelijke leven, dat daaruit voortkomt onzichtbaar is. Maar we mogen niet spreken volgens Brakel van een onzichtbare Kerk in onderscheiding met de zichtbare Kerk. Er is immers maar één Kerk. Dat is de Kerk van de ware gelovigen. En deze Kerk is in haar aard een zichtbare Kerk. Zowel de eenheid als de zichtbaarheid van de Kerk krijgen bij Brakel het zwaarste accent. Hij spant zich in om met name de zichtbaarheid van de Kerk aan te wijzen. In de eerste plaats weet Brakel zich in de weg van de Ned. Geloofsbelijdenis. Volgens hem spreekt ook de Belijdenis in de art. 27 t/m 29 over de zichtbare Kerk. Dat sluit meteen in, dat ook tot de zichtbare Kerk geen onbekeerden behoren. Art. 27 laat daarover een duidelijk geluid horen (par. 10). Brakel houdt dit vol, wanneer er allerlei tegenwerpingen worden gemaakt, die zich menen te kunnen beroepen op de gelijkenissen van het onkruid in de tarwe, en het visnet, op het feit dat er altijd kaf onder het koren is als ook op 2 Tim. 2 : 20 (par. 13). Dit beroep op de Schrift heeft een lange traditie achter zich. Reeds Augustinus vond hier de bijbelse wapenen om zich te verzetten tegen de Donatisten. Er zijn in de Kerk nu eenmaal goeden en kwaden, bekeerden en onbekeerden. Als men dat zou ontkennen, dan gaat men ervan uit, dat er een zuivere kerk op aarde is. Brakel moet de kracht van deze argumenten wel heel goed hebben gevoeld, maar toch geeft hij er niet aan toe. Hij houdt staande, dat alleen de ware gelovigen de Kerk vormen, en dat dit ook in de zichtbare Kerk tot uiting komt. Hij kan dit laatste staande houden, omdat hij de samenkomst van de (zichtbare) gemeente zo hoog aanslaat. 'Het ware wezen van de Kerk, zoals zij bijeenvergaderd is, is de vereniging met Christus en met elkaar door de Heilige Geest' (par. 12). Dat is dezelfde gemeenschap als waarover het Avondmaalsformulier spreekt: dat wij door dezelfde Geest die in Christus als het Hoofd en in ons als zijn lidmaten woont, met Hem waarachtige gemeenschap hebben; daarnaast, dat wij ook door dezelfde Geest onder elkaar als lidmaten van één lichaam in waarachtige broederlijke liefde verbonden zijn'. Deze gemeenschap des Geestes wordt door de onbekeerden niet gekend, maar zij is wel wezenlijk voor de Kerk, en treedt zichtbaar naar voren. Opmerkelijk is hoe Brakel de Kerkelijke gemeenschap gelijkstelt met de avondmaalsgemeenschap. De eerste is niet algemener, ruimer en daardoor vager en vlakker dan de tweede. Ten diepste gaat het in beide om dezelfde gemeenschap met Christus en met elkaar door de Geest. Dit wordt nog versterkt als Brakel ook de namen van de Kerk in het geding brengt: geestelijk huis, schaapstal van Christus, het Koninkrijk van de Zoon, gemeente der heiligen, enz. Brakel haalt 1 Cor. 1 : 2 aan, waar Paulus de gemeente van Corinthe aanspreekt als 'heilige broeders die de hemelse roeping deelachtig zijt'. Wie kan Paulus anders daarmee bedoeld hebben dan de ware gemeente van Christus? En toch is dat het adres van de concrete, zichtbare gemeente te Corinthe. Zo is er dus bij Brakel een zeer nauwe verbinding, ja een gelijkstelling van de ware Kerk en de zichtbare Kerk. De ware Kerk kent juist de drang om in de zichtbaarheid te treden (par. 42). Brakel schrijft: De kerk vreest geen ding meer dan door dwaling en goddeloosheid verduisterd en verborgen gehouden te worden, hoewel dit soms haar lot is. Maar zij is als het licht en het vuur, dat altijd erop uit is om voor de dag te komen en in het openbaar gezien te worden. De ware Kerk tracht voortdurend uit te komen door een waarachtige belijdenis van Christus en zijn waarheid.

Definitie van de Kerk

Het is te verwachten, dat Brakel in zijn Redelijke Godsdienst een systematische uiteenzetting geeft van de Kerk. Hij volgt daarin de omschrijving, die de Apostolische Geloofsbelijdenis van de Kerk geeft. Brakels definitie van de kerk is daarvan een nadere uitwerking en uibreiding. Ze luidt als volgt: De Kerk is een heilige, algemene, christelijke vergadering, alleen van ware gelovigen, van de Heilige Geest door het Woord Gods geroepen, van de wereld afgescheiden; met haar Hoofd en met elkaar door een geestelijke band in een geestelijk lichaam verenigd, uitkomende door een waarachtige belijdenis van Christus en zijn waarheid en met geestelijke wapenen onder haar Hoofd Jezus Christus strijdende tegen haar en Christus' vijanden, tot verheerlijking van God en tot hun zaligheid (par. 8).

Wij hebben reeds enkele delen van deze omschrijving behandeld, zoals Brakel zelf ook doet, voordat hij de definitie geeft. Blijkbaar waren dit voor hem elementen, die eruit sprongen en eerst gezegd moesten worden. We willen nu nog enkele andere aspecten van de Kerk behandelen, zoals Brakel deze in de uitwerking van bovenstaande definitie nader bespreekt. We beperken ons daarbij tot datgene, dat naar onze mening het belangrijkst en (voor ons) belangwekkendst is.

Eenheid en heiligheid

Bij de bespreking van de eigenschappen van de Kerk staat Brakel ook hier weer het eerst stil bij haar eenheid. Die eenheid richt zich niet zozeer op de plaats van de kerk als wel op haar leer en geloof, op de ene Geest en haar ene en dezelfde heiligheid. Eenheid en heiligheid van de Kerk worden zo nauw met elkaar verbonden. Een opmerkelijk trekje krijgt deze verbinding, wanneer uitdrukkelijk door Brakel gesteld wordt, dat tot die ene Kerk ook de kerk (het volk) van het Oude Verbond behoort, niet minder dan die van het Nieuwe Verbond. Deze eenheid is ook dan verbonden door de ene heiligheid van de kerk. Brakel gaat hier impliciet in tegen de Labadisten, die het Oude Testament achter stelden bij het Nieuwe Testament en het eerste veel meer vleselijk zagen in onderscheid met het geestelijke van het tweede. Brakel wijst dit af. Ook in het Oude Testament hadden zij het ware geloof in de Messias. En waar het ware geloof is, daar is ook de ware heiligheid. 'De gelovigen in het Oude Testament waren werkzaam tot ware heiligmaking, baden om kracht, streden; het was hun werk het leven naar de geboden des Heeren in te stellen. Onbesnedenen van hart mochten evenmin in het Huis des Heeren komen als de onbesnedenen van het vlees (par. 15).

Een vervallen kerk en toch een heilige Kerk

Brakel staat uitvoerig stil bij de heiligheid van de Kerk. Deze heiligheid omvat drie elementen. In de eerste plaats moet daaronder gerekend worden de afgezonderde plaats, die de kerk in deze wereld inneemt en waardoor zij zich van andere vergaderingen onderscheidt. Vervolgens omvat zij ook de toegerekende heiligheid vanuit en in Christus. Het derde bepaalt echter deze heiligheid het meest. Dat is wat Brakel noemt de inklevende heiligheid en Godzaligheid (par. 16). Dit sluit weer geheel aan bij wat wij reeds eerder tegenkwamen, namelijk, dat de (zichtbare) Kerk bestaat enkel uit ware gelovigen. Uiteraard stuit Brakel ook hier weer op tegensprekers, die wijzen op de vele onbekeerden, die in de Kerk worden gevonden. Dat Brakel telkens die stem laat horen, vindt zijn reden in het feit, dat in die tijd met name van de kant van de labadisten inderdaad deze verwijten aan de kerk werden gericht. Het is daarom van betekenis om te zien, hoe Brakel daarop reageert. Het eerste wat daarbij opvalt is, dat hij degenen, die deze verwijten aan de Kerk doen, volkomen gelijk geeft. Brakel heeft er geen behoefte aan om de Kerk mooier te tekenen dan zij in werkelijkheid is. Er zijn in de kerk inderdaad vele onbekeerden. Overzien wij de geschiedenis van Adam tot Christus, dan zegt de Schrift zelf (1 Cor. 10 : 5), dat God in het merendeel van hen geen behagen heeft gehad. En kijk eens naar de gemeente van Corinthe, waar hoererij en dronkenschap aan het Avondmaal werden gevonden. En let eens op de gemeente der Galaten, op wat de brief van Judas van de Kerk schrijft, op de gemeenten van Pergamus, Thyatire, Sardis en Laodicea. Het beeld is altijd uiterst negatief. Brakel kon er daarom niet veel tegenin brengen, wanneer de Labadisten de Gereformeerde Kerk van Nederland aanklaagden. Die aanklacht klonk soms heel scherp. De Labadie beschouwde de Kerk als een vergaderingvan honden, zwijnen en goddelozen, ook van ongelovigen en onherborenen. Gemeenschap met haar te hebben is zonde. Haar leraars prediken het Woord van God niet recht, daar zij ook aan onherborenen de zaligheid verkondigen en hun eigen tradities meer in stand houden dan Gods inzettingen. De sacramenten worden ontheiligd en de kerkelijke tucht is vervallen. Vele predikanten kennen het ware geloof niet en zijn onbekwaam om te prediken. (Vgl. F. J. Los, a.w., blz. 200 v.v.). Brakel erkent dit alles. In zijn Trouwhertige Waerschouwinge (blz. 46-81, zie F. J. Los, a.w., blz. 207 v.v.) schrijft hij, dat hij de verdorvenheid van de Kerk evengoed ziet als Yvon, de bekwame volgeling en opvolger van De Labadie. In zijn Leere en Leydinge der Labadisten geeft Brakel in zijn inleiding nog eens weer, hoe droevig het in de kerk van zijn dagen gesteld is. 'De Kerk is van het hoofd tot de voetzool melaats, de akker des Heeren staat vol onkruid, zijn dorsvloer is vol kaf, des Heeren Wijngaard is woest geworden, distelen en doornen, gaan er in op; onwetendheid, atheïsterij, zorgeloosheid, wereldsgezindheid, uitgelaten wulpsheid, hoogmoed, brasserij, dronkenschap, vloeken, ontucht, ontheiliging van de Naam en de dag des Heeren, liegen en bedriegen overstromen de Kerk...'

Het onderscheid tussen Kerk en wereld wordt door weinigen ingezien. 'Wie van de herders hebben recht besef van de ellendige staat van de kerk, wie slaat de handen aan het werk om haar te zuiveren? Zijn herders, die laten sterven wat sterven wil, die met loze kalk pleisteren, het hart der rechtvaardigen bedroeven? Zodat ook van die kant geen verbetering te verwachten is.'

Brakel komt dan tenslotte tot de vraag:

'Wat zullen wij van de Kerk 'die zo verdorven is oordelen? Zullen wij zeggen, dat zij om haar verdorvenheid niet meer de Kerk van Christus is? Zullen wij haar verachten? Zullen wij eruit lopen? Neen, dat is dwaasheid!' Brakel wijst erop, dat met name in de Schrift het beeld van de vervallen Kerk ons wordt getekend tot waarschuwing om er geen deel aan te hebben. En ook leert het ons, dat men om de onzuiverheid van de Kerk er niet uit moet lopen om een andere zuivere kerk op te richten, zoals de Labadisten doen (Red. Godsd. Hfdst. 24, par. 16). We voelen de spanning, die in dit betoog schuil gaat. En we vragen ons af, hoe het mogelijk is, dat Brakel enerzijds de ernst van het verval van de Kerk voluit onder ogen ziet en anderzijds toch niet eraan denkt, zij het na zware strijd, om met De Labadie en zijn volgelingen haar te verlaten. In het vervolg willen wij daarop nog wat dieper ingaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635 - 1711)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's