De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge over de redding der kerk (3)

Bekijk het origineel

Kohlbrugge over de redding der kerk (3)

13 minuten leestijd

Zo ben ik ervan overtuigd dat Kohlbrugge in de Nadere Reformatie als therapie een jammerlijke mislukking en een afdwalen van het rechte spoor heeft gezien, ondanks zijn waardering voor het vele goede dat er in te vinden is. Niet de gelovige mens, niet de zichtbare kerk doet het, maar het Woord, het levende Woord alleen.

Het moge duidelijk zijn dat geen enkel citaat uit Kohlbrugge's werk dichter bij de Nadere Reformatie komt dan dit. Het moge ook duidelijk zijn dat Kohlbrugge's relatie met de Nadere Reformatie in kerkhistorisch en theologisch opzicht wordt gekenmerkt door een negatief oordeel. Het zijn m.i. twee verschillende theologische achtergronden. Die van de Nadere Reformatie is er een waarbij de gelovige mens op welke wijze dan ook meedoet, meewerkt, iets kan, het is de wereld van programs, gestalten, concreta, heiligmaking en dadelijkheid, met alle consequenties van dien.

Het is een wereld waarin we later ook Abraham Kuyper tegenkomen die zich afzet, nee, niet tegen de bevindelijken maar tegen de lijdelijken, de passieven, de stilzitters die, zo zegt Kuyper zijn besmet met de 'Duitse Geest'. En het is onbegrijpelijk hoe hij daartegenover Kohlbrugge roemt om zijn dadelijke en typisch Nederlands actieve optreden bij zijn bevestiging in Elberfeld. (Zie zijn 'Uit het Woord' - tweede serie derde bundel over de Practijk der Godzaligheid - met name Pag. 71 t/m 214.)

De theologische achtergrond van Kohlbrugge is die van het gegrepen en gedreven zijn, van het geleid worden, van het horig zijn, de passiviteit, het geloof voluit als geloof, de hoop voluit als hoop, en de liefde die werkt, het is de wereld van de Geest en van het geestelijke, van het gestalteloze en van het op hoop tegen hoop.

Een leven dat voor de natuurlijk mens niet is te begrijpen, het is vaak een moeizame en aangevochten gang. Altijd anders, altijd weer vallen en opgericht worden, altijd verloren gaan en eeuwig behouden worden, altijd sterven en eeuwig leven... 'een zee van ramp moog' met haar golven slaan, hoe hoog zij ga, zij raakt hen zelfs niet aan'. Altijd zinken en nooit verdrinken want 'God is aan mijn zij. Hij ondersteunde mij in 't leed dat mij genaakte, dus lig ik en slaap gerust, van 's Heeren trouw bewust'. Daarom wordt daar gezongen 'getrouwe God, Gij zijt het schild dat mij bevrijdt, mijn eer, mijn vast betrouwen! Op U vest ik het oog. Gij heft mijn hoofd omhoog en doet 'm Uw gunst aanschouwen'.

Het is alsof Kohlbrugge het met Luther meezegt in diens brief aan de zieke Johannes Bernhardt 'Mijn lieve broeder... wij moeten er ons zorgvuldig voor wachten dat wij tijd, plaats en persoon willen aanwijzen, wanneer, door wie en hoe Hij ons verhoren en helpen zal. '...leer verstaan dat ge nu in een school zijt, waarin ge de les van het geloof moet leren, niet bespiegelend uit de boeken, zoals tot nu toe, maar in de praktijk en in zijn uitwerking...' Zo ben ik ervan overtuigd dat Kohlbrugge in de Nadere Reformatie als therapie een jammerlijke mislukking en een afdwalen van het rechte spoor heeft gezien, ondanks zijn waardering voor het vele goede dat er in te vinden is. Niet de gelovige mens, niet de zichtbare kerk doet het, maar het Woord, het levende Woord alleen. 'Gods Woord zij ons sterk genoeg en dat gehoorzamende, zal de zwakke in zijn zwakheid zich op dat Woord over Bergen en Zeeën, door Vuur en Water gedragen zien.' En dat zegt Kohlbrugge omdat hij als geen ander voor hem na de reformatie door de Schrift is heen gekropen en tot de ontdekking kwam dat het is 'in de Schrift als in de zee, waar de waterstromen de golven opheffen en de baren groot worden maar keer op keer ter neer geslagen worden tot zij breken aan de rotsen of effen worden aan de oevers. Alles is er een getuigenis van zonde op zonde, van zelfverheffing der eigengerechtigheid en vreselijke vernedering van menselijke trots, alles een getuigenis van afval voor en afval na... en hoog daarboven verheven een eeuwige Ontfermer, die voor zich bewaart, wie Hij wil, en die genadigd is degene, die Hij genadig zijn zal, die voor allen weldadig, maar ook rechtvaardig is, die hen welke tegen Hem opstaan als 't ware op laat gaan in hun eigen ongerechtigheid en in 't verderf dat zij zelf gewild hebben, terwijl zijn Woord staande blijft, waarachtig in al zijn gezegden'.

Geen geestelijke verwantschap?

Nu het duidelijk is dat Kohlbrugge niets wil weten van kerkreddingen en kerkhervormingen als welbewuste en nagestreefde doelen door de gelovigen, en hij derhalve tegenover de Nadere Reformatie als kerkredding heeft gestaan (en dus ook tegenover Afscheiding en Doleantie die in wezen niets anders wilden zijn dan kerkredding!) rest ons nog een ander probleem.

Dat is de vraag naar Kohlbrugge's verhouding tot de spiritualiteit, het geestelijke leven, zoals dat in de Nadere Reformatie tot uiting kwam.

Hoewel hij hun leer, met name hun kerkopvatting afwees wil dat nog niet zeggen dat hij daarmee ook hun spiritualiteit, hun geestelijk leven heeft afgewezen. We komen iets verder door de wetenschap dat de kern van wat in de Nadere Reformatie gemeengoed was in de dagen van Kohlbrugge vooral werd vastgehouden door de velen die met de Afscheiding zijn meegegaan of die met hen meeleefden en zich, hoewel niet Afgescheiden, met hen verwant voelden.

Zo wijst dr. H. Bouwman op het feit dat velen in de toenmalige Ned. Herv. Kerk, niet bevredigd door de harteloze deugdprediking, in hun huizen stichting zochten 'bij hunne geliefde oude schrijvers'. Dat waren mensen wier hart uitging naar de oude Gereformeerde waarheid 'ook al' zegt hij dan 'was hunne vroomheid soms sterk piëtistisch gekleurd'.

En dr. J. C. v. d. Does citeert uit een verzoekschrift aan de koning uit die dagen deze zin: 'Velen zochten het voedsel voor hun hart in afzonderlijke oefeningen of bijeenkomsten, welke in onze stad menigvuldig in getal zijn en sinds jaren bestaan'.

Het sterkst blijkt deze verhouding tussen de Nadere Reformatie en de Afscheidingsgezinden en hun symphatisanten via deze oefeningen, ook wel conventikels genoemd, naar voren te komen in dr. G. Keizers 'De Afscheiding van 1834'. Dit boek, uitgekomen in 1934 ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de Afscheiding, geldt nog steeds als een standaardwerk.

Het vijfde hoofdstuk draagt als titel 'Oefeningen en oefeninghouders' (pag. 51 t/m 94) en wanneer de Keizer daar melding maakt van het feit dat deze oefeningen vooral in het Noorden labadistische trekken vertonen en men leraren onderscheidde in bekeerden en onbekeerden, in begenadigden en onbegenadigden dan worden je gedachten onwillekeurig geleid in de richting van de Nadere Reformatie.

Het is daarom (en om andere, door mij hier niet genoemde redenen) beslist niet te veel gezegd waneer ik beweer dat de kern van wat in de Nadere Reformatie gemeengoed was in Kohlbrugge's dagen met name in de kringen rondom de Afscheiding werd vastgehouden. En dan vooral via de oefeningen en de oefeninghouders.

Hoe was Kohlbrugge's houding nu tegenover deze gelovigen?

Ik meen te mogen zeggen dat Kohlbrugge deze mensen innig liefhad. Dat blijkt allereerst uit het drukke onderlinge verkeer dat Kohlbrugge met deze mensen had, ik denk hier aan zijn briefwisseling met de bekende Hendrik de Cocq en met Brummelkamp. In de laatste heeft hij het zelfs over honderden die hem opzochten om hem om raad te vragen in verband met de Afscheiding en maakt hij melding van het feit dat in Utrecht vóór de Afscheiding allen persoonlijk omgang met hem hebben gehad.

Een voorbeeld van zijn gevoelens voor deze mensen vinden we in een schrijven van Kohlbrugge aan Groen van Prinsterer van 8 okt. 1832. Groen was toen Kabinetssecretaris. In deze brief voert Kohlbrugge een pleidooi voor een Utrechts gezelschap van zekere Ludwig en Kleijn dat door studenten ernstig werd gestoord, hij ziet daarin een gevaar voor de vrijheid van godsdienst en is bang voor revolutie, daarom roept hij de koning op om een eind te maken aan de ongeregeldheden. In deze brief schrijft Kohlbrugge o.a. 'Ik zelf heb die vergadering (oefening) nimmer bijgewoond; maar die voorgangers, en zeer velen, die dezelve bijwoonden, ken ik als vrome en vlijtige huisvaders, stille burgers en opregte Christenen'.

Uit deze en vele andere gegevens moge blijken dat Kohlbrugge zich nauw en innig met deze gelovigen verwant gevoelde.

Ja, tot 1833 was er sprake van een innige verwantschap... tot 1833, want toen kwam Kohlbrugge's bekende preek over Rom. 7 : 14 uit. Toen bleek ook dat die innige verwantschap nooit zo innig geweest kan zijn als Kohlbrugge zelf wel dacht. Want het zijn deze zelfde mensen die, naar Kohlbrugge's eigen getuigenis, deze preek verwerpen en hem beschuldigen van wetsverachting, 'de ketterij aller ketterijen'.

En in plaats van deze prediking, die het mes voortdurend in eigen vlees zet, bij te vallen laat men Kohlbrugge los en gaat men eigen vrome wegen.

In plaats van het, met Kohlbrugge, alles aan God over te laten en zo, slecht en recht gaande, Gods Woord werkelijk waar te laten zijn blijkt het programmatische zuurdesem van de Nadere Reformatie dieper te hebben doorgewerkt dan Kohlbrugge kon vermoeden en nam men zelf het heft in handen in de weg van de Afscheiding. Hoe aangrijpend en ontroerend is het dan te lezen 'Die ik liefhad keerden mij den rug toe en de vijanden hadden hun wil'.

Toch verschillend?

Ik schrijf dit alles neer omdat ik van mening ben dat er een verschil te bespeuren valt tussen Kohlbrugges liefde voor deze mensen en hun waardering en respect voor Kohlbrugge.

Kohlbrugge zag hen als vrome, vlijtige, stille en oprechte gelovigen die snakten naar brood voor hun hart en leven, als de eenvoudigen die God steeds wil gadeslaan, de armen en ellendigen die voortdurend om God en Zijn Woord verlegen waren en die tegelijkertijd de rijkste bewoners van ons land waren, koningskinderen! Hij zag hen zoals iedere rechtgeaarde prediker de 'zijnen' heeft te zien... als kinderen van het verbond! En qua geestelijke beleving voelde hij zich met hen verwant, hij herkende zich in hun eerbied voor God en Zijn Woord, in hun bewogen en begaan zijn met de Kerk en in hun trouw aan en liefde voor hun vaderland onder leiding van Oranje. Een lange tijd heeft hij in de veronderstelling geleefd dat deze herkenning wederzijds was. Maar daarin heeft Kohlbrugge zich naar mijn overtuiging ten diepste vergist. Te weinig heeft hij beseft dat zijn levensloop en de bijzondere gebeurtenissen die hem ten deel waren gevallen door deze mensen op een onjuiste wijze zouden kunnen worden gehanteerd. Te weinig heeft hij beseft dat men hem wel eens zou kunnen beschouwen als hun nieuwe leider, hun 'Abraham Kuyper', die hun her en der sluimerende gedachten aan Afscheiding wel eens op een onnavolgbare wijze in daden zou kunnen omzetten.

Kohlbrugge heeft gedacht dat hun acceptatie van zijn persoon, hun contacten het hem als vanzelf betekenden een acceptatie van zijn prediking en een contact met zijn prediking. Dat laatste nu bleek duidelijk in 1833 toen een van zijn eerste preken in ons land bekend werd niet waar te zijn. De geestelijke, spirituele affiniteit blijkt al vanaf dit prille begin minder diepgaand te zijn dan Kohlbrugge zelf vermoedde en zeker minder diepgaand dan vele nazaten van hen die hij liefhad vandaag de dag pretenderen.

Op grond van het voorgaande durf ik te stellen dat in de kringen rond de Afscheiding Kohlbrugge geaccepteerd, geëerd en gerespecteerd is totdat men werkelijk ontdekte dat zijn prediking zo radicaal is dat er voor werkheiligheid geen enkele ruimte is, ook niet na bekering... in deze prediking kan een mens nooit iets worden of wezen omdat God in Christus daar alles is! En deze ontdekking betekende een streep door de rekening voor velen die de 'martelaar' Kohlbrugge verwelkomd hadden als de leider van de partij der vromen, van het 'volkje' van hen die het steeds maar hadden over die oude en zuivere waarheid, kortom van hen die iets waren met hun bekeerd-zijn, bekommerd-zijn en zelfs met hun onbekeerd-zijn en hun niets-zijn. Want ongetwijfeld hebben velen Kohlbrugge zo gezien... uitgestoten uit de Hersteld Lutherse Gemeente te Amsterdam, op 19 november 1832 definitief geweerd uit de Herv. Gemeente na een schandalige behandeling... en dat alles voor de handhaving van hun oude en zuivere waarheid... zo er iemand geschikt was om tot mond en hand en voet te worden voor allen die snakten naar die waarheid dan Kohlbrugge wel.

Maar Kohlbrugge was geen 'martelaar' voor de oude en zuivere waarheid van mensen, al waren ze nog zo vroom en nog zo godsdienstig, zijn strijd was een strijd om wille van Gods Woord alleen. Nooit heeft Kohlbrugge voor welke groep mensen dan ook gestreden en geleden, wel voor God en Zijn Woord... nooit heeft hij mensen willen behagen, wel heeft hij willen vasthouden aan God en Zijn Woord als een behoeftige bedelaar die wist... God, mijn God begeeft mij nooit!

Het meest aangrijpend blijkt dit uit het slot van zijn 'Het Lidmaatschap bij de hervormde gemeente hier te lande mij willekeurig belet' uit 1833... daar eindigt hij met een citaat uit Psalm 119 dat luidt: 'O Heere, myne ziele is besweken van verlangen nae Uw heyl: op Uw Woord heb ick gehoopt. Myne oogen syn besweken van verlange nae Uwe toesegginge: terwyle ick seyde, wanneer sult Gy my vertroosten? Hoe vele sullen de dagen Uwes knechts zyn? Wanneer sult Gy recht doen over myne vervolgers? De hoovaerdige hebben my putten gegraven; 't welck niet en is nae Uwe wet. Alle Uwe geboden syn waerheyt: sy vervolgen my met leugen, helpt my. Sy hebben my bynae vernietigt op de aarde, maer ick en hebbe Uwe bevelen niet verlaten. Maeckt my levendigh nae Uwe goedertierenheyt, dan sal ick 'tgetuygenisse Uwes monts onderhouden'.

Zo ging het Kohlbrugge uiteindelijk enkel en alleen om God en Zijn Woord, die hebben het voor het zeggen overal en altijd, vanaf de wieg tot het graf en nog verder. Kohlbrugge was uiteindelijk niets omdat zijn God alles was.

Op grond van dit alles waag ik het te stellen dat Kohlbrugge de Nadere Reformatie en later ook de Afscheiding heeft afgewezen als methode tot redding van de kerk en dat deze afwijzing mede te maken heeft met een wezenlijk verschil in spiritualiteit. Dat laatste voor zover de spiritualiteit van de Nadere Reformatie in de kringen rondom de Afscheiding is terug te vinden. En dat verschil zou ik als volgt willen formuleren: in de Nadere Reformatie gaat het om de heiligmaking van de gelovige, om diens beleving van het geloof en om diens christelijke leven, dat alles weliswaar als vrucht van de rechtvaardiging maar tegelijk ook als iets waar de gelovige daadwerkelijk naar streeft en als iets waarin hij vordert.

Ook Kohlbrugge gaat het om de heiligmaking van de gelovige, om diens beleving van het geloof en om diens christelijke leven, maar voor hem is dat alles een geschenk van God dat wij tegelijk met de rechtvaardiging ontvangen in Christus.

Van een daadwerkelijk streven naar en een vorderen is dan ook bij Kolhbrugge nauwelijks enige sprake want die Christus die wij door het werk van Woord en Geest deelachtig worden woont in onze harten door het geloof alleen... daarom is het bij Kohlbrugge een niet zien en toch geloven terwijl bij de Nadere Reformatie geldt dat het geloof gezien moet worden.

Dat is een wezenlijk verschil. Dat is naar mijn mening het kernverschil tussen Reformatie en Nadere Reformatie. Óf, om het nog anders te formuleren, tussen Geesteswerk en mensenwerk. Want waar God het doet doet Hij het helemaal voor eens en voor altijd.

'Zalig hij die durft geloven, ook, juist, wanneer het oog niet en niets ziet!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Kohlbrugge over de redding der kerk (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's