C. H. Spurgeon als praktisch-theoloog (VI)
Kinderlijke eenvoud is echter niet hetzelfde als infantiele versimpeling, daar ook dit een versluierende en bedekkende uitwerking heeft.
Opbouw
Nadat de tekst is gevonden en het exegetische en homiletische voorwerk is vervuld, is ordening en opbouw van de preek die nog in staat van ontwikkeling verkeert, een grondvoorwaarde. Overzichtelijkheid en aanschouwelijkheid zijn daarmee gediend; 'Zet de mensen de waarheid voor op een logische, ordelijke manier, zodat ze haar gemakkelijk kunnen onthouden, dan zullen ze haar ook te beter in zich opnemen'.
Ter illustratie van deze regel, herinnert Spurgeon aan een incident dat tijdens zijn jeugd plaatsvond; 'Sedert de dag, waarop ik met een mand naar de winkel werd gestuurd om een pond thee, een ons mosterd en drie pond rijst te halen en ik op de terugweg een troep honden zag en ik het nodig vond ze over heg en sloot na te rennen (wat ik als jongen altijd deed) en ik bij mijn thuiskomst bemerkte, dat al de waren - thee, mosterd en rijst - tot een verschrikkelijke hutspot waren geworden, sedert die dag heb ik de noodzaak ervan ingezien om de inhoud van mijn preken in te pakken in stevige pakjes, vastgebonden met het touw van mijn redevoering. Daarom houd ik me aan het: ten eerste, ten tweede, ten derde, hoe ongewoon deze methode tegenwoordig ook mag zijn. De gemeente zal uw thee met mosterd niet drinken, noch ingenomen zijn met verwarde preken'.
De systematische opbouwmethode mag nooit aan haar bestemming onttrokken worden. Zij mag niet ten koste gaan van de inhoud; 'Wij moeten alles weren uit onze preken dat de aandacht van de hoorders kan afleiden van het doel dat wij beogen'.
Overaccentuering van vorm en opbouw betekent onderwaardering van inhoud en doel. Attractie door middel van vormelijke kunstgrepen leidt tot distractie van attentie en intentie; 'De beste preekstijl ter wereld is evenals de beste kleedwijze, die, welke niemand opvalt'.
Spurgeon acht het niet verstandig de toepassing restloos te reserveren voor het eind van de preek. De toepassing dient verweven te zijn door het geheel van de prediking; 'Ik was gewoon de toepassing te be-waren vóór het eind van mijn preek. Dat is een goede regel, maar aangezien ik ontdekte dat zondaren nogal slaperig zijn tegen het einde, richt ik me nu, na een woord ter opbouwing van de heiligen, rechtstreeks tot de zondaren zonder dat ze het verwachten. Het schot treft hen dan onverwachts'.
Een ander onderdeel van de preek vormt de inleiding, waarvan het doel een inleiding is tot de te behandelen stof en een motivatie van de hoorders voor hetgeen volgt. Dit motivationele aspekt gaat geheel verloren, wanneer de introduktie te lang is. De introduktie is ter inleiding, niet ter afleiding; 'Het is altijd verkeerd een groot portiek te bouwen aan een klein huis. Dek vlug de tafel en rammel niet te lang met messen en borden'. De inleiding bevat in een notedop de essentie van de preek en mag daarom geen overbodig voorvoegsel zijn; 'Ik maak liever de inleiding van mijn preek op de manier van een omroeper, die belt en dan roept: "Hiermee wordt bekend gemaakt.. ." en dat alleen maar om de mensen te laten weten, dat hij nieuws voor hen heeft en van hen verlangt dat ze zullen luisteren. Om dit te bereiken moet de inleiding pakkend zijn. Laat uw aanhef geen inleiding zijn tot niets, maar de eerste stap naar iets dat nog beter is. Wees levendig terstond bij het begin'.
Preekstijl
De preek vraagt een eigen, haar passende aankleding. Zij wordt formeel getypeerd door een onvervreemdbare, geëigende stijl.
Welke kenmerken onderscheiden een preek van alle overige voordrachtsvormen? Spurgeon noemt een tweetal karakteristieken die tijd- noch plaatsgebonden zijn: ernst en eenvoud.
Ernst
'Ernst is hoogst belangrijk. U kunt wel net doen alsof u ernstig bent, maar dat zullen uw hoorders snel ontdekken. Een preek die van zichzelf niet ernstig is, wordt dat niet door veel gebaren, gestamp en gebons. Wanneer u niet spreekt vanuit een warm hart, zal uw woord niet warm en hartelijk bij de mensen overkomen.'
Een gecultiveerde, onechte stijl getuigt ten diepste van stijlloosheid.
'Het meest pakkend is een rustige, doordringende maar vertrouwelijke stijl. U brult en schreeuwt toch ook niet wanneer u iemand in diepe ernst iets smeekt!? '
Een preek, exotisch getooid in buitenlandse gewaden, mag imponeren en misschien ontroeren, maar ten diepste mist zij haar doel. Ontdaan van ernst is zij een geleerde babbel; 'U kunt het stellen zonder Latijn en Grieks en veel geleerdheid. Tienduizend dingen kunt u missen, maar u kunt niet één ziel winnen zonder ernst'.
Hand in hand met een pseudo-geleerde stijl gaat een gemaakte, theatrale stijl. Deze is zondermeer te verfoeien, want hoewel ze aangenaam kan zijn voor het oor, is ze dodedlijk voor het hart; 'Er zijn er die oor en hart kunnen boeien en fascineren door middel van fraaie volzinnen en gloedvolle uitspraken, terwijl ze zelf weten dat ze slechts een toneelstuk opvoeren en dingen tot anderen zeggen die ze zelf nooit hebben ervaren. Voorwaar een predikant zonder ernst is het meest beklagenswaardige wezen dat bestaat, hoewel hij tot op zekere hoogte groot succes kan behalen'. Slechts die prediker wiens preek doordrenkt is van ernst, mag met recht en reden rekenen op het gedoelde effekt. 'Ik heb verschillende zwakke predikers gehoord en gezien, die nochtans vanwege de ernst waarmee ze hun boodschap brachten, vele zielen tot de Zaligmaker leidden'.
Eenvoud
Verstrengeld met ernst is het tweede kernwoord dat, naar Spurgeons visie, de preek dient te typeren, nl. eenvoud; 'Wij kunnen niet eenvoudig en helder genoeg zijn in de verkondiging van het evangelie'.
De eenvoud van het goddelijke Woord mag niet verhuld geraken in de breedsprakigheid van menselijke woorden. Kinderlijke eenvoud is echter niet hetzelfde als infantiele versimpeling, daar ook dit een versluierende en bedekkende uitwerking heeft. Versimpeling verhult en bedekt, eenvoud onthult en ontdekt; 'Het ware te wensen dat wij ons allen gedrongen voelden om op de kansel even duidelijk te spreken als kinderen in hun eenvoud'.
Spurgeon die staan wil in de theologische traditie van de hervormers, herkent zich niet alleen in de reformatorische leer, maar eveneens in de eenvoudsstijl waardoor deze bestempeld wordt; de eenvoud van het Woord, uitgedrukt en verwoord in de taal van het hart. 'Toen ik me onlangs verdiepte in de geschiedenis van de Reformatie en in de daaraan voorafgaande periode, werd ik getroffen door de rondborstige wijze waarop de vroege predikers hun getuigenis gaven. Wanneer u het leven van Farel nagaat, ontdekt u dat hij niet over, maar uit het evangelie preekte.
Dit was ook het geval met Johannes Calvijn... Luthers prediking was als het luiden van een grote klok... Deze mannen verpakten hun leer niet in moeilijke woorden, maar met de inzet van al hun krachten, trachtten zij de ploegen achter de ploeg en de visvrouw de waarheid te doen verstaan en bevatten'.
Welsprekendheid
Nauw verwant en verweven met de preekstijl is de welsprekendheid of eloquentie; een spreekwijze en uitdrukkingsvorm die overeenkomt met de haar geëigende stijl. Welsprekendheid is het voertuig waarmee ernst en eenvoud naar hun bestemming worden gevoerd. De goede zaak van het Konijkrijk Gods heeft recht op een goede stijl en goede woorden.
De preek waarin 'De Schoonste aller mensenkinderen' verkondigd wordt, vraagt schoonheid en mag iets van Zijn schoonheid uitstralen. 'De leerling van het Woord dient een meester in het woord te zijn'. Het beste van God verdient het beste van de mens.
Een belangrijke voorwaarde voor de dienaar des Woords is kennis en beheersing van de taal waarin zijn hoorders denken, spreken en voelen. Wie het taaleigen van de Schrift wil doorgeven, moet eigen taal verstaan én spreken. 'Laat niemand boven ons uitmunten in krachtige prediking. Laat niemand ons overtreffen in het beheersen van onze moedertaal'.
Wél spreken van God betekent wél spreken tot de mensen; 'Wij moeten vorderingen maken in welsprekendheid. Wanneer iemand mij niet aan het verstand kan brengen wat hij bedoelt, dan komt dat doordat hij zelf niet weet wat hij bedoelt'.
Een slechte zinsbouw verweven met grammatikale fouten vormt een barrikade op de weg naar een goed verstaan van het verkondigde Woord. De zin van het Woord maakt aanspraak op goede zinnen. De geloofwaardigheid en waarachtigheid van het Woord mogen niet ondermijnd worden door onwaardigheid en onwaarachtigheid van woorden; 'U begrijpt wel dat men door het vergeten van een derde of vierde naamval of door het verkeerd gebruik van een tijdsvorm de aandacht van de hoorders kan afleiden van hetgeen men hen wil voorhouden ... Hebt u ooit gehoord dat Charles Dickens spiritist wilde worden? Tijdens een séance vroeg hij of men de geest van Lindsey Murray wilde oproepen. Hij kreeg iets te horen, dat, naar men zei, de geest van Lindsey Murray moest zijn. Dickens vroeg: "Bent u het Lindsey Murray?'' Het antwoord luidde: "Ja, ik is het!" Alle hoop op Dickens bekering tot het spiritisme was na dit ongrammatikale antwoord gevloden' .
Hoewel Spurgeon een legitieme plaats toekent aan een gezonde training van de welsprekendheid, heeft hij een aversie tegen een aangeleerde, niet authentieke, geaffekteerde spreekwijze. Het natuurlijke en levendige karakter van de preek is voor hem een aangelegen punt: 'Ik hoop dat wij de kunstgrepen van beroepsredenaars hebben afgezworen; het werken op effect, de bestudeerde climax, de theatrale deftigheid, het gemaakt spreken en ik weer niet wat meer, zoals u dat allemaal kunt opmerken bij verwaande theologen, die nog steeds op de aardbodem voortleven. Mogen zij spoedig uitsterven en laten wij allen een levendige, natuurlijke, eenvoudige manier van evangelie-prediking aanleren, want ik ben ervan overtuigd dat het God behaagt zulk een stijl te zegenen'.
De vorm van de preek moet in alle opzichten dienstbaar zijn aan de inhoud. Spurgeon weet van het gevaar af dat sommigen meer oor en oog hebben voor een 'goede', welsprekende dominee, dan dat ze hart hebben voor een eenvoudige en ernstige preek. Hij illustreert dit met de volgende anekdote: 'Op een keer hield de beroemde Bernardus op schitterend welsprekende wijze en met dichterlijke voordracht een preek voor zijn gemeente. Hij bekoorde allen. Toen echter de preek ten einde was, ontdekte men dat Bernardus verontrust wegliep. Hij zwierf wat rond in de eenzaamheid en vanwege zijn droefheid bracht hij de nacht alleen, vastend door. De volgende dag toen hij weer preken moest, hield hij een heel gewone, alledaagse preek. De grote heren die hem de vorige dag beluisterd hadden, vonden er nu niets aan, maar de armen van het volk verstonden zijn woorden. Toen iemand hem de reden van dit alles vroeg, zei hij: "Heri Bernardum, hodie Jesum Christum" (Gisteren Bernardus, vandaag Jezus Christus)'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's