De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een vertrouwelijk gesprek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een vertrouwelijk gesprek

11 minuten leestijd

Calvijn geeft de raad aan mensen, die door zware omstandigheden in een doolhof zijn verzeild geraakt, de gang te maken naar een pastor en aan hem de geheime zonden te tonen in een gesprek onder vier ogen.

Inleiding

Enige jaren geleden verscheen van de hand van dr. Ph. J. Huijser - inmiddels overleden - een boek, getiteld: Biecht en private zondebelijdenis. In dat werk voert de schrijver een bewogen pleidooi voor een vertrouwelijk gesprek tussen een ambtsdrager en een gemeentelid, waarin deze al naar behoefte en op eigen initiatief een belijdenis kan afleggen van zonden, die zijn geweten zwaar drukken. Allerminst wordt hier propaganda gemaakt voor een weer invoeren van de biecht. Het gehele boek van Huijser is een bestrijding van de biecht - maar, de auteur breekt een lans voor het scheppen van een gelegenheid, waar twee mensen elkaar ontmoeten kunnen en waar een van hen althans tijd en plaats vindt om zijn consciëntie te ontlasten. Dit denken spruit niet zozeer voort uit het brein van de auteur zelf. Het is regelrecht ontleend aan gedachten van Calvijn. Calvijn was een uitgesproken tegenstander van de biecht, in welke vorm ook. Waar ze bestond, wenste hij die afgeschaft te zien en in zijn woonplaats waar ze afgeschaft was, dacht hij er niet over om ze langs een achterdeur weer naar binnen te halen. Maar met de idee van de biecht werd niet terstond alles weggeworpen. Velen in de gemeente hebben te worstelen met geestelijke moeilijkheden. Die groeien hen soms boven het hoofd en om die reden acht Calvijn het hun tot raad en troost goed een mogelijkheid te scheppen voor geestelijk contact met ambtelijk daartoe aangestelde zielzorgers. Deze mogelijkheid ligt vooreerst in het regelmatig terugkerende huisbezoek, waaraan Calvijn zowel ouderling als predikant laat deelnemen. Geestelijke zwarigheden kunnen uitnemend aan de orde komen in het gesprek in de huiskamer.

Vertrouwelijk gesprek

Maar Calvijn moet ook hebben aangevoeld, dat dit huisbezoek niet het ideaalste middel was voor de openbaring van geheime zwarigheden, zeker niet wanneer deze bestonden in geheime zonden waarover het geweten in hoge onrust was. Hij geeft de raad aan mensen, die door zware omstandigheden in een doolhof zijn verzeild geraakt, de gang te maken naar een pastor en aan hem de geheime zonden te tonen in een gesprek onder vier ogen. In deze private geheime zondebelijdenis voor een ambtsdrager - predikant of ouderling - moeten wij geen dwang zoeken of bijgeloof. Al wat van roomskatholieke zijde over de biecht wordt gedacht of geleerd blijve hier verre. Calvijn heeft geweten, dat een persoonlijk gesprek onder vier ogen zonder enige bijgedachte aan een officiële biecht grote waarde heeft voor het zieleleven. Hoevelen wandelen er niet onder ons, achtervolgd door een raadselachtige angst. Hoevelen gaan niet voort gekweld door een bijgelovige vrees. Een pijnigende aanklacht van het geweten veroorzaakt, dat hun zielerust en zielevrede geheel verdwijnt. In de tegenwoordige samenleving heerst het kwaad van de neurose. Welnu, bekwame onderzoekers hebben vastgesteld dat die neurose de ziekte is van het kwade geweten. En vóórdat nu die neurose nu eenmaal ziekelijk uitbreekt in allerlei symptomen van vreemde aard, kan een gesprek met een vertrouwde soms preventief verlichtend werken. De weg naar de spreekkamer van een ambtsdrager om raad en troost te ontvangen moet vergemakkelijkt worden. Wij hebben altijd wel geweten dat een goed gesprek met een vriend of vriendin over zaken van intieme aard opbeurend werken kan. Het geschiedt ook veelvuldig. Maar hier is bedoeld een onderhoud van een gemeentelid met een voorganger, waarin wij geheel vrij en ongedwongen de teerste hartsgeheimen openbaren.

Welke mogelijkheden?

De weg van het gemeentelid, dat in geestelijke nood verkeert en door de aanklacht van het geweten in duisternis wandelt, naar de pastor of ouderling als raadsman en trooster moet verbeterd worden. De private zondebelijdenis naar Calvijn moet voor degenen, die haar tot geestelijke opbeuring behoeven, worden begunstigd. Huijser denkt daarbij aan de volgende voorwaarden. In de eerste plaats is dienstig een ruime gelegenheid tot een gesprek onder vier ogen, wat de tijd aangaat. Er zijn vele andere besognes, die als minder belangrijk door de zielzorger daarvoor kunnen en moeten worden opzij gezet. Bij predikanten in grote gemeenten is het veelal de gewoonte een spreekuur te houden. In dorpsgemeenten schijnt die gewoonte ook allengs meer in te burgeren. Dit is in zoverre begrijpelijk, dat men daarmee aan de gemeenteleden een waarborg wil geven, dat ze dan op die bepaalde tijd de pastor thuis zullen kunnen aantreffen, indien ze iets met hem willen bespreken. Natuurlijk moet aan dat spreekuur niet formalistisch de hand worden gehouden, bepaald niet als het een gemeentelid betreft, dat in het geheim zijn hart wil uitstorten in een belijdenis van zonden om van de kwellende aanklacht van het geweten te worden bevrijd. Wanneer het nodig is, dan behoort de pastor ook in de nacht disponibel te zijn voor het aanhoren van zulk een bekentenis en voor het geven van raad en troost. Is een dokter ook niet op deze manier voor zijn patiënten midden in de nacht disponibel?

Uiteraard is het voor een gemeentelid wel nodig apart af te spreken. Het laat zich immers denken dat op het algemeen spreekuur meerderen aanwezig zijn. Daardoor wordt het onmogelijk rustig te luisteren. Vooral in serieuze gevallen is het zaak, dat de pastor zich geeft en openstelt en tijd neemt. Het is wel heel pijnlijk, als gemeenteleden met grote moeilijkheden, zorgen, twijfel en geestelijke nood bij hun pastor komen en dan bemerken dat het hem eigenlijk te veel is om goed nota van hen te nemen. Dit zijn voor de zielzorger juist vaak de momenten, dat het er heel bijzonder op aankomt. Bijzondere kansen worden hem bij zulk een samentreffen geboden. Blijkt het dat er geen tijd is, geen aandacht om voor zulk een ziel in nood iets te zijn, de gelegenheid om voor zulk een gemeentelid iets te zijn keert wellicht nooit meer terug. Wij voegen daaraan toe, dat de pastor in zijn werkprogramma rekening moet houden met dergelijke gesprekken en derhalve nooit zijn dag vol kan proppen met het ene na het andere. Omgekeerd zal een kerkeraad er op dienen toe te zien dat de voorganger niet misbruikt wordt voor allerlei sociale verplichtingen, die wezenlijk zijn werk slechts in tweede instantie raken. Wij spreken de vrees uit, dat in vele gemeenten veel te veel tijd wordt gegeven aan bestuurlijke zaken, met name vergaderingen, dan aan de zorgvuldige begeleiding voor de zielzorg.

Voorts is het de vraag in welke omgeving de pastor voor zulke gevallen iemand bij zich ontvangt. Antwoordt niet te gauw de pastorie. In de pastorie kunnen meerderen tegelijk komen, maar dat schept soms pijnlijke complicaties. Vooral wanneer de gemeenteleden elkaar kennen. Uit eigen ervaring berichten wij dat vele gemeenteleden het niet graag openlijk willen weten, dat zij aan de pastorie worden gezien uit vrees voor nieuwsgierige navraag.

Vervolgens kan het in een pastorie zelf te rumoerig zijn. Kinderen spelen in de gang, doen een luidruchtig spelletje - is dat nu een omgeving om een vertrouwelijk gesprek te voeren omtrent intieme en drukkende gewetenszaken? De telefoon gaat soms, er komt opeens nog iemand aan de pastorie. Neen, wij moeten Huijser bijvallen, wanneer hij de voorkeur geeft aan een kamer in de kerk, al was het maar de consistorie. Er wordt tegenwoordig veel aandacht besteed aan het bouwen van lokaliteiten voor het kerkelijk jeugdwerk. Het kan ook geen kwaad eens aandacht te schenken aan het inrichten van een kamer ten behoeve van de zielzorg.

Personen

Hoewel Calvijn de zielzorg in boven omschreven zin bij voorkeur wil uitgeoefend zien door predikanten, zijn wij van mening dat zulk een vertrouwelijk gesprek ook heel goed gevoerd kan worden door ouderlingen. Ze moeten natuurlijk enig verstand hebben van zielzorg, maar dit geldt evenzeer van predikanten. Beiden moeten de kunst van geduldig luisteren, van begrijpen en van troosten met de beloften van het evangelie verstaan. Dit behoort immers tot de inhoud van het begrip zielzorg, voorzover het betrekking heeft op een bezwaard en verontrust geweten, dat de behoefte heeft zich voor een vertrouwde geestelijke raadsman uit te spreken. Wij nemen aan dat bij de opleiding van de predikanten de zielzorg behoorlijke aandacht ontvangt, zo­ dat de toekomstige pastores weten wat het zeggen wil schapen en lammeren te weiden. Voor ouderlingen geldt dit natuurlijk niet in deze zin. Voor hen stelt het bevestigingsformulier intussen niet minder zware eisen, maar hiernaast gelden vele andere hulpmiddelen. Bovenal de grondige kennis van de Heilige Schrift, daarnaast de kalme lezing en overdenking van enkele voorlichtende geschriften. Maar wij sluiten niet uit de voortdurende kennisname van de belijdenisgeschriften van onze kerk. Het is ons immers opgevallen dat er in iedere gemeente wijze, eenvoudige ouderlingen zijn geweest. Zij hebben voetsporen getrokken in de gemeente. Nuchterheid, voorzichtigheid en wijsheid kenmerkten hen. Ze waren zelf geoefend in de vreze des Heeren. Dat leidde hen in het ambtelijk werk. Intussen hoeven wij niet de hulp te versmaden 'an een grondig geschrift.

Veel gebed en rondzien in de wereld bevordert zulk een uitoefening. Vergeet bovenal de zelfkennis niet. Wie zichzelf goed kent, kan spoedig alle andere mensen leren kennen. Zelfs is het gebeurd dat enkele ouderlingen aan predikanten deze zielzorg gaven, waarvoor deze hun levenlang zeer dankbaar bleven. In sommige gemeenten leeft hun nagedachtenis in ere voort. In kenmerkende gezegden, in rake typeringen. Het mag ons er wel van doordringen ouderlingen nooit lichtvaardig om partij-politieke redenen te kiezen, maar alles te doen om mannen te ontvangen van geestelijk gezag.

Zwijgplicht

Eén ding behoren amtsdragers wel in acht te nemen: een diepe zwijgplicht. De kerkelijke zielzorg is grote schade toegebracht door bijvoorbeeld predikanten. En dat nog niet zozeer door een mateloze praatzucht, maar door een aanduiding op de preekstoel. Een voorganger kan bijvoorbeeld het vertrouwen van een gemeentehd winnen, de diepe geheimen uit het mensenhart horen, een belijdenis volgt. Maar dan kan hij de schrik van zijn leven beleven, wanneer de volgende zondag het hele verhaal in de preek terugkomt - weliswaar naamloos, maar dan gebruikt bij wijze van illustratie. Wij moeten daar uiterst voorzichtig mee zijn. In kleine gemeenten kent men elkaar nauwkeurig, maar ook in grotere gemeenten bestaat het gehoor menig keer uit dezelfde mensen. Het prikkelt de nieuwgierigheid om nu eens haarfijn te weten wie met die illustratie is bedoeld. Zolang zulke dwazen en ergelijke dingen gebeuren, is het dwaas te menen, dat zij, die vanwege hun gewetensnood de behoefte gevoelen om zich uit te spreken, deze belofte zullen openbaren in een vertrouwelijk gesprek. Wij menen, dat het zelfs in een kerkeraadsvergadering geboden is alleen het nodige weer te geven, opdat het niet door al te grote loslippigheid begeerte gaande maakt zich in andermans geheimen te verdiepen. Het behoort nu eenmaal tot de natuur van ons mensen ons meer druk te maken om wat anderen hebben, zijn en doen dan om ons onszelf.

Onderscheid

Huijser trekt een scherpe scheidslijn tussen het vertrouwelijk gesprek van een ambtsdrager, gemeentelid of wie ook inzake hartsgeheimen en het gesprek bij een psychiater. Hij erkent wel het nut van de psyichologie inzake allerlei moeilijkheden in het mensenleven, maar het gaat hem te ver wanneer wij van een psychologische behandeling gevolgen verwachten, die God alleen kan geven. Reeds van oude dagen af is het werk van de zielzorger beschouwd als analoog aan dat van de geneesheer. De zielzorger is in de figuurlijke zin van het woord een arts: hij is bij machte de zondige mens van zijn geestelijke kwalen te genezen, mits die hem worden geopenbaard. Huijser stelt zich teweer tegen deze stelling. Waar wordt ergens in de Schrift met zulke bewoordingen het ambt en de taak van de zielzorger geschetst? Waar lezen wij van een therapeutische werkzaamheid in figuurlijke of overdrachtelijke zin, waartoe de zielzorger van Godswege gezonden zou zijn? Hij moet zeer zeker verstand hebben van de goddelijke therapie, maar alleen in die zin dat hij als knecht en boodschapper van de grote Heelmeester steevast alle zielen, die raad, hulp en troost nodig hebben op deze Heelmeester wijst. Hem aanbeveelt en de pertinente verzekering geeft, dat ieder, die gelovig en biddend tot Hem toevlucht neemt in de de naam van Jezus Christus, van zijn zondekwaal en plaag radicaal zal genezen worden. Dat is het profetische in het werk van de zielzorger. En dat kan vergezeld gaan van de priesterlijke bijstand in de vorm van een gebed. De wonden der ziel helen, haar kwalen genezen is, bijbels en religieus gezien, het prerogatief van de almachtige God en van Jezus Christus, de Zoon van zijn liefde. Welke profeet of apostel heeft zich ooit de bevoegdheid aangemeten goddelijke therapie te bedrijven in het schuldvrij en rein maken van een bevlekte ziel? Het is uiterst interessant wat Huijser weergeeft over de medische en zielkundige aspecten van een mens, die met schuldgevoelens verkeert. Maar wat hij de berde brengt aan interessante gegevens over de psycho-analyse, de psycho-therapie en de psycho-somatiek blijft steeds onder de beoordeling staan, dat dit alles geen zielzorg is in de eigenlijke zin van het Woord.

Wij kunnen aan belangstellenden het boek van Huijser gaarne aanbevelen. Het zal hun een grote inspanning vragen. Het werk is met grote aandacht geschreven en met inzet van alle krachten. Maar zoals dat altijd met goede lectuur het geval is, het leidt op grondige manier in het onderwerp in.

Naar aanleiding van dr. Ph. J. Huijser, Biecht en private zondebelijdenis, een onderwerp uit de christelijke zielszorg, met een voorwoord van dr. T. Brienen. Kok, Kampen 1980.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een vertrouwelijk gesprek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's