De kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635-1711)
De toets van het ware kerkzijn voor Brakel ligt in de zuivere leer, die opkomt uit het rechte verstaan van het Woord.
De Kerk van het Woord
Wij zagen dat de toets van het ware kerkzijn voor Brakel ligt in de zuivere leer, die opkomt uit het rechte verstaan van het Woord. Maar wie is bij machte om hier een gezaghebbende maatstaf aan te leggen? Brakel begint met de grens te trekken tussen degenen, die het Woord van God erkennen als de onfeilbare waarheid en hen, die dit op een of andere wijze ontkennen. De laatste horen in de kerk niet thuis. Zij kunnen heengaan (par. 34). In Gods Woord zelf wordt immers geleerd, welke de kenmerken van de Kerk zijn. Maar ook komt de zuivere leer uit Gods eigen Woord op. Het bezwaar echter, dat hier tegenin wordt gebracht, is het feit, dat zovelen zich erop beroemen de zuivere leer te hebben, die op de Schrift gegrond is. Moet er dan niet gezocht worden naar een instantie, die daar boven staat, en die uitmaakt wat wel en wat niet naar de Schrift is? Het ligt voor de hand dat hier verwezen wordt naar de Roomse Kerk met haar door de Paus opgelegde leergezag. Maar het ligt evenzeer voor de hand dat Brakel daarvan niets wil weten. Ook niet, wanneer er op gewezen wordt, dat eenvoudige mensen de Bijbel niet voldoende kunnen verstaan en daarom ook niet de leer voldoende eraan kunnen toetsen. Brakel antwoordt hierop, dat als een blinde het goud niet kan toetsen, dan ligt dat niet aan het goud maar aan de blindheid van deze persoon. Zo is het ook met de Kerk. Als een blinde niet kan verstaan de dingen die des Geestes Gods zijn, dan neemt dit niet weg, dat Gods Woord een afdoende en genoegzame toetssteen is. Een verlicht mens kent dit Woord wel en wordt erdoor verzekerd.
We stuiten hier op wat tegenwoordig genoemd wordt het hermeutisch probleem, toegepast op de vraag, welke de ware kerk is. In feite vindt Brakel de sleutel in het getuigenis van de Heilige Geest. Het Woord van God is in zichzelf helder en doorzichtig genoeg om niet alleen bron maar ook toetssteen van de ware leer en van de 'ware kerk te zijn. Maar om dit Woord recht te verstaan is wel nodig, dat wij door de Heilige Geest worden verlicht en geleid. Het is de bekende reformatorische cirkelredenering, die wij ook al bij Calvijn tegenkomen. Want dit getuigenis van de Geest is weer niet anders dan Gods eigen Woord. De Geest leert ons het Woord als Gods Woord aanvaarden en verstaan. Maar de Geest zelf doet dit weer door middel van het Woord. Dat geldt niet alleen als het om de leer gaat. Het geldt ook als het om de Kerk gaat. Tot de ware Kerk behoren is dus ten diepste een zaak van het verstaan van en gehoor geven aan Gods Woord, door de Geest.
Hoe lang blijft de Kerk ware Kerk?
Brakel komt echter ook nu weer in een zekere verlegenheid, wanneer in de vorm van een tegenwerping erop gewezen wordt, dat in die Gereformeerde Kerk dwalingen te vinden zijn. Brakel erkent zelfs, dat soms de dwalingen de ware Kerk overstromen. Hij ziet dat gebeuren in de tijd van de antichrist. Allicht denkt Brakel dan aan het verleden, de tijd vóór de Reformatie, maar ook aan de nabije toekomst, wanneer de antichrist opnieuw zal gaan heersen. In zijn verklaring van het boek van de Openbaring gaat Brakel daarop uitvoerig in. Toch meent hij, dat ook dan in de ware Kerk het Woord en de zuivere leer te vinden zijn. In de Kerk zijn er dan altijd nog die de waarheid verdedigen en de dwalingen tegenstaan. Ook is het zo, dat niet alle dwalingen het fundament raken, zodat de zaligmakende waarheid in stand blijft.
Toch voelt Brakel aan, dat er ergens een grens ligt. Blijkbaar kan er een moment aanbreken, waarop de macht van de dwaling zo is toegenomen, dat de kerk tot een valse kerk ontaardt. 'Wanneer in een vergadering een overheersing van fudamentele dwalingen komt, en er nog maar enige waarheden, die niet de zaligheid betreffen, zijn overgebleven, zoals in alle ketterse vergaderingen nog wel enige waarheid te vinden is, dan houdt zo'n kerk op kerk te zijn. En alle ware gelovigen zijn dan verplicht zich van die vergadering af te scheiden. Trouwens God trekt de Zijnen er dan ook uit.'
In later tijd is deze uitspraak van Brakel aangegrepen om te bewijzen, dat ook Brakel vóór de Afscheiding (van 1834) geweest zou zijn. In die geest uit zich ds. Van Velzen in zijn Verhandeling van Wilhelmus à Brakel (Leeuwarden, 1836, blz. 4 - zie F. J. Los, a.w., blz. 218). We moeten er echter wel op letten, dat Brakel in het bovengenoemde verband uitdrukkelijk spreekt over 'de particuliere Kerke', kennelijk in onderscheid van de Kerk als geheel. Even verderop, als hij over de heiligheid, als zijnde ook een (zij het secundair) kenmerk van de ware kerk, spreekt, maakt hij dit onderscheid opnieuw. De ware kerk is een heilige Kerk. Dat betekent, dat zij bestaat uit ware gelovigen (par. 36). Er is geen ware kerk, die de ware heiligheid niet heeft. Deze ware heiligheid spruit voort uit het ware geloof.. Waar geen ware heiligheid is, is dus ook geen waar geloof. Maar Brakel vervolgt dan: 'als wij zeggen, dat de ware heiligheid een kenmerk is van de ware kerk, dan zeggen wij niet, dat allen die in de kerk zijn, deze heiligheid hebben. Alleen de ware leden zijn deze heiligheid deelachtig. Maar de kerk kan zozeer met onbekeerden vervuld zijn, dat zij de meesten zijn, de meester spelen en de goeden onderdrukken. Ja, Brakel gaat nog verder. Sprekende over de heiligheid als kenmerk van de ware kerk, verstaat hij daaronder 'niet deze of gene kerk in het particulier van een stadje of dorpje, maar de Kerk in het algemeen zoals zij over de wereld verspreid is, alle particuliere kerken tesamen genomen'. Hij vervolgt: Ik zou niet durven zeggen dat in iedere particuliere kerk ware godzaligen waren; particuliere kerken, kunnen in leer en leven ontaarden en uitsterven' (par. 36).
De particuliere en de algemene Kerk
Een belangrijke vraag in verband met het bovenstaande is, wat Brakel precies verstaan heeft onder een particuliere Kerk en de Kerk in het algemeen. Helemaal duidelijk wordt dit niet. Toch zijn wij geneigd te denken aan een plaatselijke Kerk, wanneer Brakel het heeft over een particuliere Kerk. Hij spreekt van een Kerk in het particulier van een stadje of dorpje. De Kerk in het algemeen is dan de Gereformeerde Kerk in Nederland. Hoewel hij in dit verband spreekt van de Kerk die over de wereld verspreid is, en dat kan weer niet zo gemakkelijk op de Gereformeerde Kerk worden toegepast. Of het moet zijn, dat Brakel de Gereformeerde Kerk niet alleen in Nederland aanwezig zag maar in de hele wereld, zoals hij haar niet alleen zag na de Reformatie maar ook daarvóór. In het volgende hoofdstuk (25, par. 10) spreekt Brakel zich nog iets duidelijker uit. Hij zegt daar: De Gereformeerde Kerk is de alleen ware Kerk, op de ene plaats zuiverder dan op de andere. In ieder geval geeft deze onderscheiding aanleiding om in de geest van Brakel de vervallen toestand van een plaatselijke gemeente niet van toepassing te laten zijn op de hele kerk. Juist wanneer het om aanwezige dwalingen gaat en een gebrek aan waar geloof en ware heiliging, dient men op te passen voor generalisering. Wanneer in een plaatselijke situatie de toestand van de kerk negatief is, hoeft dat nog niet te gelden van de Kerk in haar geheel. Dan bekent afscheiding van zo'n plaatselijke gemeente ook nog geen afscheiding van de Kerk in haar geheel. Dat is een kerkelijk standpunt, dat uiteraard zijn consequenties heeft, en dat ook nu nog aandacht verdient. In dezelfde geest schrijft Brakel ook wanneer het gaat om de rechte uitoefening van de sleutelmacht, de kerkelijke tucht (par. 38). Hij noemt dit het vierde kenmerk van de ware Kerk, waaraan het rechte bedienen van de sacramenten als derde voorafgaat. Deze tuchtoefening dient in verbondenheid met de drie andere kenmerken met zorg te worden toegepast. Dat geschiedt ook in de ware Kerk. Evengoed als het in de valse kerk niet geschiedt en zelfs het tegenovergestelde geschiedt, namelijk dat de rechte leraren en belijders worden uitgeworpen en de valse leraren en belijders worden toegelaten. Echter, zoals overal onvolmaaktheid is, terwijl deze toch niet de zaak zelf ongedaan maakt, zo is er in de ware Kerk ook een gebrek in het hanteren van de sleutelen. Brakel laat er dan op volgen: 'In de ene particuliere Kerk worden de sleutelen beter gebruikt dan in de andere, nochtans zal men in de Kerk het recht gebruik der sleutelen vinden'. Ook hier moet men dus niet alleen afgaan op een plaatselijke situatie, maar het geheel in het oog houden. Of ook: oog ervoor hebben, dat in andere plaatselijke gemeenten de sleutels wel worden gehanteerd op de rechte wijze.
De ware Kerk is geen statisch gegeven
Toch blijft de conclusie die Brakel aan het eind trekt er een, die niet ieder zal overtuigen. Hij wijst erop, dat als men alle kenmerken tesamen neemt, dan kan men 'klaarlijk' zien, welke vergadering de ware is. En dan moet men wel erkennen, dat de Gereformeerde Kerk alleen de ware Kerk is in tegenstelling met alle anderen, die zich kerk noemen. Want de genoemde kenmerken passen alleen op de Gereformeerde Kerk. Brakel verstout zich zelfs te zeggen: dit kunnen wij ook nog aantonen tegenover hen die dit zouden willen weerspreken.
Toch is wel duidelijk, dat er ook hier weer een grote spanning bestaat in Brakel's visie op de Kerk. Ergens blijft deze Gereformeerde Kerk toch een ideale en zo, ook ideële gestalte, waarmee de plaatselijke en ook landelijke werkelijkheid op een gespannen voet staat. Niettemin blijft het ons boeien, dat Brakel deze spanning in tact wil houden en niet zoekt naar een oplossing, die wel met de praktijk in overeenstemming is, maar intussen de hoge gestalte van Gods Kerk uit het oog verloren heeft.
Het ware Kerk-zijn is voor Brakel niet zozeer een bestaande toestand, een statisch gegeven. Zij is veeleer gekenmerkt door een voortdurende worsteling om en voor en ook tegen de waarheid. De Kerk staat immers midden in de wereld. Zij wilde die wereld zalig maken en door geloof en bekering tot zich trekken. Dat betekent een voortdurende strijd, waarin de Kerk strijdt met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, de volstandige belijdenis, de heiligheid des levens, de onverzettelijke bescherming van de waarheid en een standvastige lijdzaamheid om alles te verdragen om Christus' wil. Gods Kerk op aarde is een strijdende-Kerk. En al strijdend, tegen vijanden van buiten en van binnen, openbaart zij zich als de ware Kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's