De kerk bij Wilhelmus à Brakel (1635-1711) (Slot)
De strijd om de ware kerk krijgt bij Brakel haar spits, waar het gaat om de plicht zich bij de ware kerk te voegen...
Waarschuwing tegen het volgen van de Labadisten
De strijd om de ware kerk krijgt bij Brakel haar spits, waar het gaat om de plicht zich bij de ware kerk te voegen, zoals de Ned. Geloofsbelijdenis (art. 28), het zegt. Brakel is het daar ten volle mee eens, en daarom wijdt hij er een speciaal hoofdstuk aan (Hfdst. 25). Hij doet dit laatste natuurlijk ook, omdat het in die tijd, vanwege de verwarring der Labadisten, uiterst actueel was. De Labadisten hebben de kerk verlaten en tegen hen wil Brakel waarschuwen. Hij tekent dan ook van hen een negatief beeld. Zij gaven wel hoog van zichzelf op, maar het is voor Brakel duidelijk, dat God hun werk niet heeft gezegend (par. 8). God heeft erin geblazen. De Labadie noemde zichzelf wel de herder van de van de wereld afgezonderde kerk en Yvon heeft deze titel zelfs nog uitgebreid, maar zij zijn onder elkaar verdeeld geworden door jalouzie, twist en elkaar bestrijdende opvattingen. Hun kerk is verwoest, niet zonder tekenen van Gods toorn over haar. Vooral Yvon is tot allerlei dwalingen gekomen, ongestadig als hij was in zijn woorden. Naast de Labadisten noemt Brakel ook nog ds. De Herder, die uit Bleiswijk waar hij predikant was, wegging en als een vrije dominee in Rotterdam een vrije gemeente stichtte. In het begin maakte hij grote opgang, maar het is op niets uitgelopen. En hetzelfde geldt van ene Bardowitz in Amsterdam, evenals De Herder een semi-labadist. Brakel waarschuwt: wie evenals zij handelt, het zal hem ook op gelijke wijze vergaan.
Afscheiding is geen zegen maar een zonde
Brakel meent zo krachtig te moeten spreken, omdat hij het verlaten van de Kerk beschouwt als een verschrikkelijke zonde. Zij is immers het lichaam van Christus. Van de Kerk zich afscheiden, is zich van Christus' volk, van zijn lichaam afscheiden. Men bedroeft de godzaligen, men ergert anderen, men maakt dat de naam van God wordt gelasterd en men doet de eenvoudigen dwalen. God zal dit niet ongewroken laten. Trouwens, het is ook een bewijs van ontrouw. Men heeft toch aan God in tegenwoordigheid van de gemeente zijn plechtige belofte afgelegd, toen men als lidmaat werd aangenomen? Men doet beloftebreuk. En hierbij geldt niet de uitvlucht van: ik wist toen nog niet beter. Brakel zegt: De Heere zal het nochtans zoeken en vinden. Zal men het Verbond breken en onschuldig zijn?
Ook hier brengt Brakel het onderscheid in tussen een plaatselijke Kerk en de Kerk in haar geheel. Vanuit een plaatselijke vervallen situatie mag men niet generaliseren en op grond daarvan tot de verstrekkende stap van een afscheiding komen. Want op een andere plaats wordt de waarheid nog wel zuiver gepredikt, de zonden bestraft en tegengegaan, de Godzaligheid voorgestaan en erop aangedrongen. Er zijn in die gemeenten zelfs 'duizenden ware godzaligen' die de heiligheid veel zuiverder practizeren dan in de afgescheidenen. Daar is Christus nog onder hen wonende en wandelende.
De H. Geest werkt nog door het Woord, bekeert nog dagelijks zielen, vertroost de bekeerden en doet hen groeien. De censuur wordt daar nog geoefend tegen hen die afdwalen in leer en in leven. En dat gebeurt op sommige plaatsen meer dan zij (de afgescheidenen) weten en denken. Wat is het dan dwaasheid om de Kerk te verlaten en zich naar de dorre woestijn te begeven!'
De Crypto-Separatisten
Brakel richt zich op deze wijze vooral tot hen, die min of meer naar het gevoelen van de Labadisten overhellen. Hij kende hun motieven en de kracht ervan. In zijn Leere en Leydinge... noemt hij zelfs elf oorzaken, die tot overhellen en overgaan naar de Labadisten kunnen leiden. Velen van deze gelovigen waren nog wel lid van de kerk, maar bleven wel weg uit de samenkomsten van de gemeente of namen althans niet deel aan het Avondmaal. Zij werden daartoe gedrongen door het motief, dat wie aan het Avondmaal deelneemt daarmee betuigt dat hij gemeenschap heeft met alle andere deelnemers. En omdat enerzijds (vele) goddelozen daaraan deelnemen en anderzijds het Avondmaalsformulier zelf zegt, dat de christen met de goddeloze geen gemeenschap mag oefenen, daarom is die christen verplicht om zich te onthouden, totdat de kerk gezuiverd is (par. 20). Men bedoelde deze onthouding ook als een stil protest. Men moet immers getuigenis geven tegen de verdorvenheid van de kerk, en dat kan men in deze desolate staat van de kerk niet beter en duidelijker doen dan door zich af te zonderen (par. 27). Dat Brakel op deze zaak zo uitvoerig ingaat, is er het bewijs van, dat bovengenoemde opstelling veel voorkwam. Invloedrijke voormannen als Jodocus van Lodenstein hadden trouwens daartoe het voorbeeld gegeven. Brakel noemt hen de 'scrupuleuzen' (ook 'vreesachtigen'), mensen, die angstvallig nauwgezet zich willen wachten om mede schuldig te zijn aan het verval van de Kerk. Opmerkelijk is, dat zij door Brakel niet negatief worden beoordeeld. Brakel gaat ervan uit, dat de meesten onder hen dit doen uit teerhartigheid en een dwalende conscientie. Daarom is het vooral onderricht, dat zij nodig hebben en dat hij hun graag wil geven (par. 12). Hij geeft dan een aantal redenen, waarom men zich niet van het Avondmaal mag onthouden. Ook wijst hij af, dat lidmaten uit de samenkomsten en ook van het Avondmaal wegblijven om elders in een plaatselijke gemeente te kerken (par. 25). Volgens Brakel geeft men dan toch de schijn, dat men de Kerk verlaten heeft en veroorzaakt men scheuring in de gemeente. Er ontstaat polarisatie en partijschap. De liefde wordt verbroken en men vervreemdt van elkaar (par. 16). Brakel ziet dat als een heilloze weg. Want vaak vindt dit wegblijven zijn oorzaak in de aanwezigheid van niet fundamentele gebreken. In feite komt men dan in hetzelfde vaarwater als de Dopers. Men zoekt naar een volmaakte Kerk. Maar waar het op uitloopt, is: scheuren op scheuren, zonder einde (par. 16). Trouwens men mag ook wel eens naar zichzelf kijken. Is deze onthouding niet een vrucht van eigenzinnigheid: ik ben heiliger dan gij? Denkt men soms de wijsheid alleen in pacht te hebben, en is er helemaal, geen besef, dat ook anderen de Geest kunnen hebben. En daarbij: heeft men zelf wel eens werkelijk moeite gedaan om binnen de eigen gemeente tot verbetering van de situatie te komen, door te spreken met predikant en kerkeraad. Men staat zo gauw klaar met de zaak vaarwel te zeggen. Maar dan moet wel worden beseft, dat men zelf ook meedoet aan het verval van de Kerk. En dat kan wel eens tot gevolg hebben, dat deze mensen zelf in een oordeel vallen. Ook hier zijn de Dopers een teken aan de wand. Soms komt men in een fatale reactie terecht. Zo nauw men het in het begin nam, zo ruim eindigt men. Men is de eenvoudigheid kwijtgeraakt en het tere geestelijke leven heeft moeten plaatsmaken voor nutteloze speculatie. Het verstand heeft het hart verdrongen. Een droevig oordeel.
De 'scrupuleuzen' en de Nadere Reformatie
Veelzeggend is de wijze, waarop Brakel deze scrupuleuzen beschrijft. Uit het ideaal, dat dezen voorstaan, kunnen wij veel terugvinden, wat de mannen van de Nadere Reformatie hebben gezien als de ideale kerk en gemeente, waarnaar zij streefden. Het richtte zich vooral op drie zaken: de ambten en de ambtsdragers, inclusief de overheidspersonen, de lidmaten waarbij vooral de aandacht werd gericht op de gezinnen en de huiselijke eredienst, en de uitoefening van de tucht. In de manier, waarop Brakel hierover spreekt, is gemakkelijk te herkennen wat W. Teellinck, J. van Lodenstein, J. Koelman en anderen in hun program-geschriften hebben opgesomd. Om één ding te noemen. Volgens hen moesten de huisgezinnen als kleine kerken zijn. Men moest 's morgens en 's avonds met elkaar Psalmen zingen, Gods Woord lezen, daarover spreken, bidden, de kinderen en dienstboden onderwijzen enz. Men vergelijke wat Petrus Wittewrongel hierover heeft geschreven in zijn Christelijke Huishouding (Vgl. Groenendijk, de Nadere Reformatie van het gezin, Dordrecht, 1984). Daarbij ging het niet alleen om het innerlijke, maar ook om het uiterlijke. Men beschouwde het ook als zonde, dat lidmaten in de kerk zaten met 'de kuiven op het hoofd, naakte boezems, veelvervige bonte klederen, de wereld in de top', par. 18).
Opmerkelijk is, dat Brakel deze visie toeschrijft aan de scrupuleuzen en zich enigermate ervan distantieert. Niet minder opmerkelijk wordt het, wanneer wij hieruit mogen opmaken, dat de stricte aanhangers van deze Nadere Reformatie later kennelijk zijn gaan behoren tot degenen, die het in de kerk (vele plaatselijke kerken) niet meer konden uithouden en in min of meerdere mate afgezonderd van haar leefden. De meesten deden dit zonder hun lidmaatschap op te zeggen, een kleine minderheid was wellicht overgegaan naar de Labadisten of sympatiserende gemeenschappen of helden althans ertoe over. In ieder geval ontdekte Brakel er een aanzet in, die leidt tot een verkeerd doel. Daarom is het de moeite waard om na te gaan, hoe Brakel zich tegenover hen opstelt. Dat willen wij tenslotte in het kort beschrijven.
Kerk-vernieuwing als een vooruitgrijpen op de Toekomst
Ook nu doet Brakel niet zijn best om het verval van de kerk goed te praten. Helaas moet hij toegeven, dat het droevig gesteld is. En als deze scrupuleuzen het ideaal zo hoog stellen: wie zou er niet verliefd raken op zo'n heilige gestalte van de Kerk? Brakel voegt eraan toe: 'mijn ziel verlangt er naar, en ik zie reikhalzend naar de Kerk in zo'n staat uit, als de Heere zijn Geest over haar zal hebben uitgegoten: maar wie zal dan leven!' Brakel ziet dit dus als een geschenk en gebeuren van de toekomst. Concreet: wanneer het Rijk der duizend jaren zal zijn aangebroken (par. 19). Daarom verwijt hij de scrupuleuzen, dat zij vooruit grijpen op een Kerk-vernieuwing die door God alleen kan en zal worden bewerkstelligd door zijn Geest in een meerdere mate over zijn Kerk uit te storten (par. 8).
Maar niettemin gaat het verval der Kerk hem zeer ter harte: 'het bedroeft mij tot in het binnenste van mijn ziel'. En dan wijst Brakel erop, dat hij daar ook vele malen getuigenis van heeft afgelegd, en dat hij zijn stem als een bazuin heeft doen, klinken om het volk des Heeren zijn overtredingen te verkondigen. 'Och! dat men zich bekere!' Maar de scrupuleuzen hebben ook te weten dat zij evenmin onschuldig zijn. En verder... 'Nochtans erken ik dat de Heere onder alle staten, zo overheden, leraren, huisgezinnen als particuliere leden nog de zijnen heeft, die in getrouwheid de Heere zoeken te dienen, en dat de sleutelen des hemelrijks door de kerk nog gebruikt worden en op sommige plaatsen meer dan men denkt'. Al met al, is er dan nog geen reden, dat men zich van het Avondmaal onthoudt (par. 19). Men moet wel getuigenis geven, maar niet op deze manier (par. 28), maar op de positieve wijze van juist mee te leven en het goede voorbeeld in woord en daad te geven. Verder wake men voor een reformatie-activisme (par. 28). Als de Heere zijn Kerk zal gelieven te herstellen, zal Hij overvloediger Geest uitgieten in zijn Kerk, of Hij zal een 'generale Geest' geven in alle goede leden om de ergerlijke uit te drijven of dat zij zelf eruit gaan. 'Laat ons zo lang wachten, en onze plicht doen in de Kerk'.
Brakel ziet van de mensen uit, ook van de kinderen Gods uit, geen weg. Want de 'gemoederen en bevattingen van hen zijn nu zo verdeeld onder elkaar door de verscheidenheid der gevoelens, dat geen vereniging onder hen te verwachten is, ook al is men bevrijd van het ergerlijke in de kerk en is men uit de kerk uitgegaan'. Daarom ziet hij ervan komen, dat als de scrupuleuzen (vreesachtigen) aanhang krijgen, op een scheuring uitloopt. En als zij dan toch willen blijven beweren, dat zij leden van de Kerk zijn en willen blijven, komt de Kerk terecht in een babylonische verwarring. Het wordt van kwaad tot erger. Daarom: laat af...
Brakei's visie op de Kerk geeft te denken
Wij willen hiermee de behandeling van Brakel's visie op de Kerk beëindigen, hoewel er nog meer over te zeggen zou zijn. Wij menen, dat wat Brakel over de Kerk geschreven heeft in vele opzichten nog de overweging waard is, en misschien hier en daar een wenk kan geven om een begaanbare weg te zoeken in de kerkelijke verwarring van onze tijd, die niet te veraf staat van de Schrift en onze Belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's