De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

7 minuten leestijd

Dr. S. Schoon, Herkenning na de nacht, een nieuw zicht op de verhouding tussen de kerk en het Joodse volk, 122 blz., ƒ 17, 90. Kok, Kampen 1984.

In en na Auschwitz zijn vele joden en christenen op een nieuwe wijze met elkaar in contact gekomen. Er ontstond langzamerhand een nieuw zicht op de relatie tussen kerk en Jodendom. Met deze publicatie wil dr. Schoon de bezinning in de chr. gemeente dienen inzake die relatie. Om de bezinning echt op gang te brengen zijn een aantal gespreksvragen toegevoegd.

Het boekje biedt veel informatie over de diverse standpunten inzake de relatie kerk-Israël, de leer van het verbond, de visie op Jezus de Messias, de verhouding tussen Israël en het werk van de Geest, de exclusiviteit van Jezus, Israël als getuige en de aard van de dialoog.

Grondtoon van het boekje is: Ook na Jezus Christus is God Israël trouw gebleven. Met name Rom. 9-11 worden aan de orde gesteld.

De auteur poogt enerzijds aan de betekenis van Jezus als de Messias voor Israël vast te houden, wekt anderzijds toch de indruk dat hij vanuit de leer van de Geest een eigen weg voor Israël ziet in Gods heilshandelen als Gods getuige. Het samen-onderweg zijn naar het Rijk krijgt gestalte in de dialoog, waarbij Schoon veel verwacht van een ontmoeting tussen Israël en de Zuidamerikaanse bevrijdingstheologie. Schoon schrijft weliswaar voorzichtig, met een open oog voor de diversiteit van standpunten.

Toch roept het boekje vele vragen op. Dreigt bij Schoon de Geest in zijn werk niet losgemaakt te worden van Christus? Ontkomt de schrijver er aan om toch uit te komen bij een gematigd twee-wegen concept? Teleurstellend vond ik de exegese van Joh. 14 : 6. Natuurlijk rechtvaardigt een beroep op deze tekst niet wat de eeuwen door Joden is aangedaan. Maar je krijgt bij Schoon de indruk dat alleen voor de christenen Jezus de weg is. Kom je dan niet op gespannen voet te staan met het gehele Johannesevangelie? Waarom zo selectief ten aanzien van Paulus? Waarom ook 1 Kor. 1 : 23-24 niet in de overwegingen betrokken? Kunnen we in de dialoog met Israël ooit om deze verzen heen?

Te denken geeft ook het feit dat orthodoxe rabbijnen zeggen, dat het christendom hen niets wezenlijks te leren heeft. Stuiten we daarmee niet op een fundamentele breuk? Hoe functioneert in een dergelijke dialoog 2 Kor. 3?

Het sympathiek geschreven boekje, dat de lijnen van Schoon's dissertatie verder uitwerkt, daagt ons uit om ernst te maken met de belijdenis dat God trouw blijft aan Zijn volk, roept anderzijds forse tegenspraak op, omdat het voor mijn gevoel toch te weinig laat uitkomen dat er buiten het geloof in Jezus de Messias geen heil is.

A. N.

Dr. J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, een exegetisch mozaïek, Kok-Kampen, 1984, 192 pag., ƒ 29, 90.

We mogen de hoogleraar Nieuwe Testament van de Theologische Hogeschool (Broederweg) te Kampen prof. dr. J. Van Bruggen wel erg dankbaar zijn voor bovengenoemde publicatie over 'ambten in de apostolische kerk'. In dit boek komen zowel de apostel als de oudste (te Jeruzalem en in de gemeenten van het zendingsterrein in de tijd van het N.T.) ter sprake, maar ook profeten, herders-leraars, enz. En natuurlijk ook de in de eerste Timotheüsbrief genoemde diaken en de weduwe van 1 Tim. 5. Van Bruggen schrijft op een hem eigen originele, tegelijk pittige wijze, scherp luisterend naar de tekstgegevens. Dat is de winst van dit boekwerk. Vanuit een Gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel. En dat komt in onze tijd ook niet dagelijks voor. Men zou wensen, dat een boekwerk als dit het licht had gezien, toen in enkele kerken van Gereformeerde huize (de NHK en de GK) de kwestie van de vrouw in het ambt speelde. Dat is inmiddels al weer 20 tot 30 jaar geleden. En de kwestie is haast geruisloos verdwenen. Ook al zijn de grote vragen m.b.t. wat een ambt is in de Bijbelse zin van het woord inmiddels niet opgelost. Naar mijn inzicht kan Van Bruggens boek hier een instructieve rol spelen, niet in het minst in de discussie, die binnen de Gereformeerde Gezindte de laatste tijd gevoerd wordt met betrekking tot de vraag, waar de vrouw staat in het geheel van het gemeentelijke gebeuren. Van Bruggen ziet haar op grond zijn exegese, die overigens voor mij niet in alle opzichten het laatste woord biedt, vooral functioneren in het diakonaat en zou het liefste zien, dat mannen en vrouwen als diakenen onder de geestelijke leiding van de lerende en regerende ouderlingen werkzaam zouden zijn binnen de gemeente. Zijns inziens gebiedt een eerlijke exegese dit. Mijn inziens echter heeft Van Bruggen niet overtuigend aangetoond dat diakenen in het N.T. op instigatie van opzieners functioneren. Wel meen ik, dat hij aangetoond heeft, dat vrouwen in de gemeenten uit de tijd van het Nieuwe Testament beter functioneerden in het gemeentelijk gebeuren dan dat in de kerken van Gereformeerde origine het geval is geweest en nog is. Alleen daarom al is de studie van Van Bruggen het lezen ten volle waard. Maar dan noem ik slechts één facet. De zaak van het ambt zelf, in onze tijd nogal aangevochten, is het waard dat we die bijbels doorlichten. Het zou daarom, denk ik, ook wel goed geweest zijn, als Van Bruggen het woord ambt, dat hij reeds op de eerste bladzijde van zijn studie zondermeer hanteert, op zijn Nederlandse voorwaarde had getaxeerd en gemeten aan de noties, die in het N.T. inhoudelijk verbonden worden aan de door hem zo genoemde ambten. Bovendien zou over de verhouding ambt en charisma vermoedelijk nog iets uitvoeriger geschreven kunnen zijn en zou een behandeling van de in hoofdstuk 7 genoemde charismata niet helemaal achteraan hebben moeten staan. Overigens zijn dit slechts enkele opmerkingen over het boek van Van Bruggen. Wij zijn blij, dat het boek (keurig uitgegeven door Kok-Kampen) is verschenen en wensen het in veler hand, vooral in die van de ambtsdragers. Bijbels bezinnen op het ambt is in onze tijd een broodnodige zaak.

C. den Boer

H. Rodrigues-Pereira e.a. Vreugde om de Tora, OJEC-serie, deel 2, 95 biz. ƒ - 14, 90, Kampen.

Eind 1981 werd het Overlegorgaan van Joden en Christenen in Nederland (OJEC) opgericht, als een orgaan waarin Joden en Christenen elkaar ontmoeten om in dialoog en onderlinge gedachtenuitwisseling ekaar beter te leren kennen en vooroordelen te bestrijden. Dan komt uiteraard de Tora ter sprake: Voor Israël een bron van vreugde, voor christenen is deze vreugde vaak onverstaanbaar geweest, omdat men geneigd was en is eerder te spreken van wetticisme en een ondragelijke last. Terecht onderstreept Schoon de betekenis van de Tora voor de joodse identiteit. Wat betekent dat voor de Jood van nu? Joodse auteurs vertellen in deze bundel over de joodse beleving van de Tora, over het herfstfeest van de Simchat Tora, de Vreugde der Wet, over de Tora-traditie in Talmoed en Misjna, over het 'lernen' in het leerhuis.

Christelijke auteurs haken op dit alles in. Zo stelt Kruis de vraag of ook de christen kan spreken over Vreugde in de Tora, een vraag de hij aan het slot van een uitroepteken voorziet en daarmee beantwoordt. Dankzij het offer van de jood Jezus is de Tora voor de heidenen een vreugde. En voor Israël, zou ik toch willen vragen. Heeft dat offer van de Zoon Gods voor Israël niet de weg tot de vreugde ontsloten?

Van Boxel en Vos gaan in op de betekenis van de Tora in het Nieuwe Testament, bij Jezus en bij Paulus. Jezus wordt daarbij toch wel sterk in de joodse traditie getrokken. Bevredigender vind ik het opstel van Vos over Paulus en de Tora: Pas in Christus komt de Tora van de Sinaï tot haar recht. Positieve punten vind ik: de informatie over het levende Jodendom. Daarnaast de grote betekenis van de Tora in het licht van de Christusopenbaring. Voor de eenheid van Oude Testament en Nieuwe Testament een belangrijk gegeven. Vragen houd ik wel over naar de aard, het doel en de grenzen van de aldus bepleite dialoog. '

A. N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's