De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zendingsopdracht voor alle tijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zendingsopdracht voor alle tijden

11 minuten leestijd

Zending is toch niet alleen actueel daar waar mensen een andere huidskleur hebben en we zo gaarne spreken van 'arme heidenen'?

In Mattheus 28 vers 19 staat de overbekende zendingsopdracht: 'gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb'. Die zendingsopdracht is na Pinksteren door de apostelen uitgevoerd, zodat de landen buiten Israël het Evangelie hbren mochten. De Heilige Geest deed zo ook ons land aan door middel van zendelingen als Willibrord en Bonifatius. Hun arbeid, zijnde arbeid in het Evangelie verduurde de eeuwen tot op vandaag.

Toch hebben gevestigde kerken in de wereld niet altijd, of niet altijd direct deze zendingsopdracht voor zichzelf verstaan. We moeten zelfs zeggen dat, althans wat ons land betreft, zendingsgenootschappen eerder de opdracht zagen dan de kerken in het algemeen. Al moeten we ook weer niet vergeten dat ten tijde van het vestigen van de koloniën ook de kerk meeging, of om zo te zeggen de dienaren van de kerk meetrokken. Maar dan was het toch meer terwille van de eigen landgenoten in den vreemde dan terwille van de autochtone bevolking. Door de zendingsarbeid van de genootschappen en de kerken is intussen het Evangelie verbreid onder degenen die 'verre' waren. Ze zijn 'nabij' gekomen, getrokken door het Woord des Heeren. De kracht van het zendingswerk lag als het goed is in de totale benadering van het leven. We spreken vandaag van een 'holistic approach'. Dat wil zeggen, behalve het geestelijk welzijn van de mens lag ook de mens in zijn leefsituatie in het blikveld. Door de verkondiging van het Evangelie werden mensen getrokken uit de duisternis tot het licht. Maar tegelijkertijd was er aandacht voor het onderwijs, de landbouw, de medische verzorging. Kortom, met het brengen van de boodschap was er de daadwerkelijke inzet om het leven (meer) leefbaar te doen zijn.

Problemen

Het is er intussen vandaag niet eenvoudiger op geworden om heen te gaan en alle volkeren te onderwijzen. De volkeren, die vrij werden van koloniale overheersing, werden vaak minder toegankelijk voor de kerken uit de vroeger koloniserende landen.

Er is soms sprake van de moratoriumgedachte. Zendingsarbeiders terug naar hun land, we doppen onze eigen boontjes wel. Maar zeker is dat de groei naar zelfstandigheid van de kerken, die uit de zending ontstaan zijn, in de naoorlogse jaren toen de dekolonisatie een feit werd, versneld heeft plaatsgevonden. Op zich is de zelfstandigheid van de dochterkerken, zoals ze aanvankelijk werden betiteld, een positieve zaak, een bijbelse noodzaak. Maar het betekent wel verschuiving in de wijze waarop de zending dan in de betreffende landen bezig kan zijn. In ieder geval altijd in samenwerking met de kerken daar. Er is geen sprake meer van moeder en dochter om zo te zeggen. Het gaat om partnerkerken, liever om zusterkerken. Maar dan nog heeft de zending vaak te maken met ressentimenten uit het verleden vanwege herinneringen aan de koloniale tijd.

Er zijn ook landen, volkeren in de wereld die helemaal niet toegankelijk zijn voor het Evangelie. We denken aan de landen achter het ijzeren gordijn. Al wat daar van buitenaf geschiedt moet heimelijk geschieden, al is er soms nog enige vrijheid voor de kerken daar om er te zijn. En laten we verder noemen Israël. Israël heeft een duidelijk verbod op alle arbeid, die doet denken aan zending of evangelisatie. Met zulk een doelstelling komt men Israël als organisatie niet binnen. Toegegeven, er is tussen kerk en Israël een andere relatie, vanwege de gemeenschappelijke wortel, dan tussen de kerk en de heidenen. Maar ook wie dit erkent zal toch de verkondiging van de enige Naam tot Zaligheid gegeven niet achter mogen houden. Israël zal moeten horen van Jezus, de Messias van Israël.

Holistic?

Intussen is er in de zendingsarbeid vandaag ook een intern probleem. Er is een verschuiving binnen de kerken zélf opgetreden als het gaat om de opdracht om de boodschap te brengen aan volkeren elders in de wereld. Hierboven sprak ik al over de holistic approach, de totale benadering van de mens (ziel én lichaam; diens bestaan voor God èn in de menselijke verhoudingen). Ongetwijfeld is er in het verleden ook wel eens sprake geweest van een verenigde aandacht voor alléén het geestelijke, zodat bijvoorbeeld de vragen van gerechtigheid in de samenleving minder uit de verf kwamen. Maar vandaag is de slinger in allerlei benaderingen van zending ver naar de andere kant doorgeslagen. De nota 'Visie en werkelijkheid' van de 'Raad voor de Zending' is daarvan een schrijnend voorbeeld. Ik zeg niet dat het persoonlijk appèl gehéél ontbreekt. Gezegd wordt b.v. dat 'ook in de 80-er jaren grote aandacht gegeven dient te worden aan de verkondiging van het Evangelie als appèl aan de mens om zich in geloof en gehoorzaamheid te wenden tot de levende God'. Maar als het gaat om de invulling van deze gehoorzaamheid dan is het toch een bepaalde maatschappelijke betrokkenheid wat de klok slaat. Ik citeer letterlijk hoe deze visie met name geënt is op een bepaalde 'verwachting van Zijn Rijk'.

'Het Rijk als Zijn initiatief en gave, is Gods allerdiepste bedoeling met deze aarde: de volstrekte zeggenschap van Zijn liefde, gerechtigheid en vrede. Zijn volk is, in de gestalte van de gemeente en de persoon van de enkeling, bondgenoot in de Messiaanse strijd tegen zelfzucht, onrecht en geweld. Menselijke medewerkzaamheid in deze komt niet verder. Maar is ook niet minder, dan het oprichten van voorlopige tekenen van het Rijk, die naar het heil verwijzen.'

En verder met betrekking tot de nu gehuldigde visie op zending:

'In deze visie wordt de opdracht zichtbaar het oordelende en bevrijdende Evangelie in Woord en daad te verkondigen in de concrete conflict- en onrechtsituaties van deze tijd. Hier ligt een duidelijke accent-verschuiving in het verstaan van de opdracht vergeleken met de bewoordingen van art. VIII, lid 3 van de kerkorde, waar de nadruk nog geheel ligt op zending (en diakonaat) onder 'de volkeren in de niet-gekerstende wereld', in regionale zin.'

In gesprekken over genoemde nota blijkt telkens weer dat eigenlijk op de achtergrond van dit alles ligt de gedachte dat de wereld verzoend is; het gaat nog slechts om een betere wereld, waarin het Rijk Gods zich realiseert door onze strijd tegen onrecht, geweld, discriminatie. Verloren zijn en verloren gaan is een zaak van hier-en-nu. Het oordeel voltrekt zich vandaag reeds, waar mensen falen.

Ik zou echter willen zeggen, dat degene die met de gedachte van algemene verzoening op de achtergrond zending wil bedrijven ook best thuis kan blijven. De kerk zal dan bij haar bezig zijn in de wereld niet meer zijn dan een humane instelling, een sociaal instituut. Zendingsarbeid ontaardt dan tot ontwikkelingssamenwerking of politieke actie. Me dunkt een levensgrote bedreiging voor de zending vandaag.

Wee mij

Het 'wee mij indien ik het evangelie niet verkondig' zal ook vandaag de zendingsopdracht zijn volle ernst geven. Met nadruk op twee zaken: wee mij en verkondiging van het Evangelie. Ook de moderne mens, waar dan ook in de wereld, zal kennis moeten hebben, geloofskennis, van de Enige Naam tot behoud gegeven. 'Wee mij' geeft uitdrukking aan de ernst van de situatie, waarin mensen buiten God leven: zonder God en zonder hoop in de wereld. De nadruk op Evangelieverkondiging tekent hierbij de bewogenheid van de kerk om de liefde en barmhartigheid van God in Christus te proclameren in een wereld die ten dode wankelt.

Me dunkt dat daarbij de Evangelieverkondiging dichtbij, in eigen kerk en gemeente een test-case is voor het verstaan van de zendingsroeping. Wie dichtbij, in eigen gemeente en ten aanzien van hen die naast onze deur of om zo te zeggen in Amsterdam wonen, niet bewogen is om het heil van mensen, zal ook nimmer de bijbelse opdracht verstaan om alle volkeren te onderwijzen. Wie hier de deur van het Evangelie sluit en geen zicht heeft op de ruimte die God schept in de aanbieding van Zijn heil aan verlorenen, aan in zichzelf verlorenen zal de deur in andere landen niet kunnen open zetten. De zendingsopdracht ligt vlakbij. Zending is toch niet alleen actueel daar waar mensen een andere huidskleur hebben en we zo gaarne spreken van 'arme heidenen'? Zendingsroeping is actueel onder de verloren schapen van Nederland, de punkers en de 'nette' mensen die het wat het Woords Gods betreft voor gezien houden, de verschoppelingen in de samenleving en zij die rijk en verrijkt zijn en nergens gebrek aan hebben. Daarom is het verheugend dat te onzent de G.Z.B, en de I.Z.B. de handen ineen slaan met betrekking tot de toerusting voor de zendingsarbeid dichtbij en ver weg (in de benoeming van ds. C. Snoei).

En verder, 'zending in zes continenten' is vandaag met de zendingsopracht voor alle volkeren gegeven. Als dan ook maar het 'wee mij' centraal staat.

De doop

Het is treffend altijd weer dat in de zendingsopdracht direct ook de doop genoemd wordt: dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.' Wie zending opvat als ontwikkelingssamenwerking behoeft eigenlijk niet meer te dopen. Wie de ruimte van de belofte aangaande het heil des Heeren voor verlorenen niet ziet, behoeft eigenlijk óók niet meer te dopen. De doop is het hoopvolle teken van Gods belofte, dat Hij overwint in mensenlevens en ook in de wereld. Hij brengt de machten van zonde en onbekeerlijkheid eronder en zegt Zijn genade toe bij de verkondiging van het Evangelie. 'Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden', zegt Marcus (15 : 16). De doop is bij de verkondiging een onuitwisbaar teken. Calvijn zegt:

Christus gebiedt, dat zij, die het Evangelie aannemen en belijden, gedoopt worden, opdat hun de doop, eensdeels een zegel des eeuwigen levens voor God, anderdeels een uiterlijk teken des geloofs bij de mensen zijn zou. Wij weten toch, dat God ons door dit onderpand een getuigenis onzer genadige aanneming geeft; want Hij lijft ons in het lichaam zijns Zoons in, zodat Hij ons onder zijne kudde rekent. Daarom ook worden daar het geestelijke bad, waarin Hij ons met zichzelf verzoent, en de nieuwe gerechtigheid, afgebeeld. Zoals nu God ons door dit zegel Zijn genade bevestigt, zo verplichten zich anderzijds allen, die zich dopen laten, als door hun eigen handschrift, aan Hem.(...)

Christus beveelt, dat de boodschap der eeuwige zaligheid aan alle Heidenen gebracht worde; dit bevestigt Hij door er het zegel des doops aan te hechten. Nu wordt het geloof aan het Woord terecht voor de doop gesteld, aangezien de Hei­denen geheel vervreemd van God waren en met het uitverkoren volk volstrekt niets gemeen hadden. Want anders was het een vals teken, als het aan de ongelovigen, die nog geen lidmaten van Christus zijn, de vergiffenis der zonde en de gave des Heiligen Geestes voorstelde. Want wij weten, dat zij, die te voren verstrooid waren, door het geloof tot het volk Gods vezameld worden. Verder wordt nu gevraagd met wat recht God degenen, die te voren verstrooid waren, tot zijn kinderen aanneemt. Voorzeker kan men niet loochenen, dat Hij, na ze eens met zijn gunst omhelsd te hebben ook in het vervolg hetzelfde met hun kinderen en nakomelingen doet. Hij heeft, zich bij de komst van Christus als de gemeenschappelijke Vader van Joden en Heidenen geopenbaard. Daarom moet ook de belofte, die te voren aan de Joden gedaan is, heden ten dage noodwendig ook de Heidenen gelden, deze namelijk: Ik zal uw God zijn en uws zaads God na u, (Gen. 17 : 7). Zo zien wij dan, dat zij, die door het geloof in Gods kerk ingegaan zijn, met hun zaak als lidmaten van Christus beschouwd en tezamen tot de beërving der zaligheid geroepen worden. En op deze wijze wordt de doop van het geloof of het onderricht niet gescheiden; want hoewel de kleine kinderen, vanwege hun jonkheid, de genade Gods door het geloof nog niet aannemen, zo rekent ze God toch er mede inbegrepen als Hij hun ouders aanspreekt. Zo zeg ik dan, dat het geen vermetelheid is om aan de jonge kinderen de doop toe te dienen, waartoe zij van de Heere uitgenodigd worden, als Hij belooft hun God te zijn.'

De doop is het teken van het niet werelds bepaalde beloftekarakter van de Evangelieverkondiging.

Bij de bezinning op zending - ook op de zendingsdagen - mag de gemeente van binnen naar buiten kijken. Zo niet dan is er slechts geestelijke zelfbespiegeling. Maar het gaat om Gods wereldwijde werk. Daarom mag er vreugde zijn om de gegeven roeping. Mag er zeker ook dankbaarheid zijn omtrent blijvende vrucht op de verkondiging in Woord en daad. Zendingsopdracht is een blijvende roeping vanwege de zendende God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Zendingsopdracht voor alle tijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's