Jong en oud in één gemeente (1)
Als wij het over de jongeren van de gemeente hebben, dan zien wij die jongeren samen met de ouderen in één gemeenschap voor ons. Jong en oud in één gemeente!
'Gaan uw kinderen nog naar de kerk?'
Dit is de titel van een boek dat een paar jaar geleden uitkwam. Nu gaat het mij hier niet om het boek maar om de vraag die in de titel verwoord wordt: 'Gaan uw kinderen nog naar de kerk?' Dat is een vraag die heel veel gesteld wordt aan ouders met oudere kinderen. Vaak door ouders die zelf oudere kinderen hebben die niet meer naar de kerk gaan. Het kan een pijnlijke vraag zijn, een vraag die een hoop pijn oproept. Want hoe vaak moet het antwoord niet ontkennend zijn!
Niet vanzelfsprekend
Uw kinderen, de kinderen van de gemeente. Als ze klein zijn zullen ze nog makkelijk meegaan naar de kerk. Dan is het a.h.w. 'vanzelfsprekend'. Maar dat vanzelfsprekende gaat er wel vanaf. Meer en eerder dan vroeger, toen de kerk nog geen uitzonderingspositie innam. En dat laatste is nu meer en meer het geval. Als christenen, in het vasthouden aan het Woord, worden wij steeds meer bekeken als vreemde eenden in de bijt van onze samenleving. Daarin ligt voor ons overigens een toetssteen of het bij ons meer dan schijn is. Maar hierdoor wordt het met name voor onze jongeren zo moeilijk gemaakt. De stem van de gewoonte die in het kinderleven t.a.v. de kerkgang spreekt wordt sneller tot zwijgen gebracht door allerlei andere stemmen die hun in de oren klinken. Stemmen van lokeenden. Het zijn stemmen van de afgrond. Ook al klinken ze paradijselijk. Wie enigszins op de hoogte is van de leefwereld van de joneren weet ervan. Die zal ook met bewogenheid en vol begrip om de jongeren heen willen staan om ze vast te houden - om, bij wijze van spreken, het Woord van Gods belofte onder hun leven te schuiven, opdat ze niet in die afgrond verloren gaan maar de Heere Jezus leren kennen en Hem bewust leren volgen, luisteren naar Zijn stem. En dat is nu juist iets wat niet vanzelfsprekend is. Het Evangelie, daar is niets vanzelfsprekends aan.
Jong en oud
Wanneer wij het nu hebben over jong en oud, dan hebben wij hierbij geen verschil in 'aanzien' maar alleen verschil in leeftijd op het oog. In de christelijke gemeente bepaalt de leeftijd van een gemeentelid zijn 'aanzien' niet. In bepaalde politieke kringen is dat wel het geval. De VVD kiest al jaren voor een jonge leider. Het is vooral de leeftijd van Nijpels waardoor zijn aanzien en het aanzien van zijn partij bepaald wordt. Binnen de PvdA is op dit moment de vraag, i.v.m. de opvolging van Den Uyl als fractieleider: moeten wij geen jonge fractieleider hebben om het aanzien van de partij op te vijzelen? In onze samenleving in het algemeen hebben ouderen vandaag eerder afgedaan. Ze tellen minder mee. In bet bedrijfsleven hebben ze steeds minder kansen. In Oostbloklanden zien we het omgekeerde. De ouderen bepalen daar het aanzien van de samenleving. Je begint daar pas mee te tellen als je een bepaalde leeftijd bereikt hebt. We zien dat m.n. bij de politieke leiders, die zo ongeveer allemaal de leeftijd van 60 (soms ruimschoots) gepasseerd zijn. In Afrika tel je pas mee als je als man vader geworden bent, en dan wel in het bijzonder vader van een zoon. Toen onze oudste zoon geboren werd (wij woonden en werkten in Kenya) zeiden veel Afrikanen tegen mij: 'Nu bent u een mzee' (letterlijk oude man, oudste - iemand met gezag).
Om 'aanzien'
In de christelijke gemeente tellen wij vanaf onze geboorte mee. Leeftijd is niet van belang. Ons 'aanzien' wordt in de eerste plaats bepaald doordat de Heere ons aanziet. En Hij ziet ons al aan vanaf het allereerste begin van ons leven. Dit ligt vervat in wat wij belijden omtrent het Verbond en de kinderdoop. Van de kleine kinderen van de gemeente, die nog niet kunnen praten en denken - die nog geen besef van hun eigen leven hebben, belijden wij dat zij al lidmaten zijn van de gemeente van Christus.
Ze hebben - als we dat zo zouden mogen zeggen - een 'volwaardige' plaats in de gemeente. Als wij er daarom voor pleiten om ruimte te geven aan onze jongeren - en dat doen wij! - dan gaat het hierbij principeel om de ruimte van hun eigen plaats. Opdat zij die ontdekken en ook leren innemen, in het gelovig verstaan en aanvaarden van de verantwoordelijkheid die ook op hun schouders ligt.
In de tweede plaats hangt ons 'aanzien' ook samen met de vraag van onze geestelijke volwassenheid. Geestelijke volwassenheid brengt geestelijk gezag (altijd afgeleid van het Woord) met zich mee. In het kerkelijk leven ontmoeten wij wat dit betreft ook jonge figuren. Enkele voorbeelden uit de kerkgeschiedenis: Calvijn schreef de eerste versie van zijn beroemde Institutie toen hij 23 of 24 jaar was. De bekende R. M. McCheyne stierf op de leeftijd van 29 jaar. Zelf dacht ik vroeger dat hij wel erg oud moest geworden zijn, omdat hij zo bekend geworden was en zoveel had nagelaten. Spurgeon werd predikant in Londen toen hij 19 jaar was. En dit was zijn tweede gemeente!
De ruimte van de gemeente
Wanneer wij het hebben over de ruimte van de eigen plaats, dan is dat duidelijk geen geïsoleerde plaats. Het is een plaats in het geheel van de gemeente. M.a.w. de ruimte van de eigen plaats wordt omvangen door de ruimte van de gemeente. In de ene ruimte leren leven houdt tegelijk ook in in de andere ruimte leren leven. Dat is een onlosmakelijk gegeven. Dat houdt ook in dat het jeugdwerk (en dat geldt voor alle vormen van gemeentewerk) geen geïsoleerd gebeuren mag zijn. Wij bevinden ons hiermee op het terrein van de gemeente als gemeenschap, het terrein van de ontmoeting en van de wederzijdse verantwoordelijkheden. Hierbij gaat het ons om de jongeren onderling, maar ook om jong en oud. Het innemen van de eigen plaats kan niet anders dan tot gevolg hebben: elkaars woordelijke en dadelijke gemeenschap zoeken. Wie die gemeenschap niet zoekt heeft zijn plaats niet ingenomen. Voor deze gemeenschap zijn geen grenzen, ook geen leeftijdsgrenzen. Aan het gemeente-zijn zitten grenzeloze aspecten. Dat grenzeloze is juist het verbindende. Samen-leven in de ruimte van de gemeente is: samen-leven in de ruimte van Gods genade. Hieraan denken wij als wij het hebben over 'jong en oud in één gemeente'.
Het verbindend element
Wat is nu dat grenzeloze, dat verbindende - de grond van de gemeenschap van de christelijke gemeente? We zouden als antwoord op deze vraag stil willen staan bij een uitdrukking die wij o.a. in Rom. 1 : 8 tegenkomen, nl. de uitdrukking 'uw geloof'. Paulus schrijft daar aan de gemeente te Rome: 'Ik dank God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld' (N.V.: .. 'omdat in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt').
Uw geloof
Als wij deze woorden nog eens lezen, dan komt de vraag op: wat is dat geloof en van wie is het? Wiens geloof wordt verkondigd, over wiens geloof wordt gesproken? Paulus schrijft zijn brief aan de gemeente te Rome. Wanneer hij het dus heeft over 'uw geloof', dan spreekt hij heel de gemeente aan. Maar de gemeente bestaat toch uit een aantal mensen, jongeren en ouderen? Laten we ons bijv. eens even indenken dat de plaatselijke gemeente waartoe wij behoren de gemeente te Rome is - over wiens geloof heeft Paulus het dan? Of bedoelt hij een soort gemiddelde, het gemiddelde van het geloof van de leden van de gemeente te Rome? Nee, Paulus denkt hierbij niet aan het geloof van het ene of het andere gemeentelid... hij bedoelt ook niet een soort gemiddelde, maar met 'uw geloof' bedoelt hij o.a. wat wij zouden kunnen noemen 'het geloof'. Zoals hij het in dezelfde brief in hfst. 10 ook heeft over 'het Woord des geloof s, dat wij prediken'. En zoals wij het ook hebben over 'belijdenis des geloofs' (van het geloof). Het geloof, dat is het geloof van de kerk. Dat is wat wij in de Bijbel (het Woord des geloofs) hebben ontvangen - het getuigenis van apostelen en profeten. Dat is het Evangelie van Gods belofte - van Zijn genade aan zondaren. Het hart van dit geloof is Jezus Christus en Die gekruisigd. In het Woord is dit geloof - ook wel het allerheiligst geloof genoemd - ook aan óns geschonken. Het is de eeuwen door van geslacht tot geslacht, tot op de dag van vandaag, overgeleverd. Onveranderd! Dat is enorm! God verandert niet. Zijn Woord ook niet. En het geloof ook niet. Daarin ligt vastheid, ook voor vandaag. Het geloof - daarin gaat het om waar de kerk door de eeuwen heen op gebouwd is en waar zij van geleefd heeft en wat zij beleden heeft. En het gaat erom, dat ook wij daarop gebouwd worden en daarvan leven en dat belijden, in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen en alle plaatsen.
Het geloof - ons geloof
Wanneer wij nu dit geloof belijden, dan gaat het daarbij niet om wat ik ervan vind of wat u ervan vindt of jij - dan gaat het niet om wat ik voel of wat u voelt of hij - het gaat niet om onze ervaringen. Het is niet zo dat ik mijn geloof belijd en u uw geloof en jij jouw geloof. Wij vullen de inhoud van dat geloof zelf niet in! Soms lijkt dat wél zo in onze gesprekken. Wij doen wel vaak alsof het om iets van ons gaat. We denken van onszelf uit: ik vind, ik geloof... Dat is ons 'eigen', om zo te zeggen. Maar wij moeten van God uit denken, van Zijn Woord uit. Het gaat in het geloof om wat Hij gegeven en beloofd heeft. Het geloof, dat is vast en onveranderlijk. Dat ligt vast in het Woord, in God. Dat ligt vast in Christus en in Zijn werk. Dat maakt de Heilige Geest vast in ons leven, als Hij ons in Christus inlijft.
Wat nu het geloof was voor de gemeente te Rome, dat is het ook voor ons. Belijdenis doen van het geloof is: 'amen' zeggen op het geloof, zoals velen dat de eeuwen door hebben gedaan. Dat is zeggen: het geloof (objectief) is mijn geloof (subjectief). Ik stem daar mee in.
Ik zet daar mijn hart op. Zo belijd ik mijn geloof. Dus eerst: het geloof, dan: mijn geloof. Het geloof - uw geloof, jouw geloof, ons geloof. Hierin ligt de band met het verleden, met de vaderen, ook met Abraham, de vader der gelovigen.
Het geloof van de gemeente
Wanneer Paulus het dus in zijn brief aan de gemeente te Rome heeft over 'uw geloof (zie ook 2 Thess. 1:3), dan gaat het om het geloof waar de leden van de gemeente 'amen' op gezegd hebben. Zij hebben gezegd: het geloof is ons geloof. Dat is het geloof van de gemeente - zoals de gemeente ook haar geloof belijdt als in onze erediensten de geloofsbelijdenis gelezen wordt. Dat is de gemeente waartoe jongeren en ouderen behoren, de gemeente met sterke en zwakke gelovigen, met gelovigen die gegroeid zijn in de genade en de kennis van de Heere Jezus Christus en met gelovigen die pas het nieuwe leven in Hem hebben ontvangen, met de kinderen van de gemeente die in het geloof worden onderwezen.
Eén gemeente
Het mooie van de uitdrukking 'uw geloof' is, dat het gemeenschappelijke er zo duidelijk in naar voren komt. Het is niet het geloof van de enkeling, maar van de gemeenschap. Van de gemeente als gemeenschap, een gemeenschap van jongeren en ouderen. Het gaat bij jong en oud niet om twee 'gemeenten', om twee aparte stromingen die volledig langs elkaar heenleven. Als wij het over de jongeren van de gemeente hebben, dan zien wij die jongeren samen met de ouderen in één gemeenschap voor ons. Jong en oud in één gemeente!
Het gaat in de gemeente om de gemeenschap. Allereerst om de gemeenschap met Christus. En van Hem uit ook met elkaar. Wanneer wij dat niet alleen met woorden uitspreken maar ook met ons hart beamen, dan moeten wij tegelijk onze schuld belijden dat wij voor dit gegeven nauwelijks of geen oog hebben. De gemeenschap van de gemeente... wat houdt dat nu concreet voor ons in? Als we eerlijk zijn, zullen we erkennen dat onze gemeenten wat dit betreft slecht opgevoed zijn en ons ook slecht laten opvoeden. Is ons gemeenteleven niet veel armer dan wij zelf beseffen? En belemmeren wij hierin niet veel meer de doorwerking van de Heilige Geest dan wij ons realiseren? De woorden van de Heere Jezus in Zijn gebed tot de Vader: .. .opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt' (Joh. 17 : 21), worden nogal eens geciteerd in het kader van de oecumene en 'Samen op Weg' en zo toegepast in de geïnstitutionaliseerde gestalten van de kerk. Wij moeten bij deze woorden naar mijn overtuiging vooral en in de eerste plaats denken aan de eenheid van de plaatselijke gemeente als zij als lichaam van Christus functioneert en... als er een bloeiend gemeenteleven is. Als de gezindheid van Christus de onderlinge verhoudingen bepaalt. Als er zo eensgezindheid is. Als de gemeente één gemeente is, ook naar buiten toe, een hechte gemeenschap van allemaal verschillende mensen, jongeren en ouderen, samen levend uit de bron van het Woord, daarvan getuigenis afleggend in handel en wandel, in woord en daad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's