Proefpolder in de lage landen bij de zee
Modaliteitengesprek in Driebergen
Modaliteitengesprek in Driebergen
In de Nederlandse Hervormde Kerk lijkt het modaliteitengesprek te zijn vastgelopen. Dat was de conclusie van het rapport van de visitatoren-generaal in 1976 aan de generale synode. Vooral daar, waar de Gereformeerde Bond sterk is vertegenwoordigd en waar deelgemeenten zijn van andere modaliteit, zijn de standpunten verhard. Daarom kreeg de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie opdracht om de vastgelopen gesprekken weer op gang te brengen. Gesprekken tussen vertegenwoordigers van de verschillende modaliteiten werden zo opgezet in Driebergen, Gouda en Zwolle. Het resultaat van de gespreksgroep Driebergen is geweest dat een boekje is uitgegeven onder de titel 'Kan het Anders?', een handreiking voor het modaliteitengesprek in de Nederlandse Hervormde Kerk. Het boekje wil een oproep aan gemeenteleden zijn om 'de soms uitzichtloze situaties te doorbreken en het gesprek weer op gang te brengen'. Zoals het ook in Driebergen gebeurde, waar men b.v. elkaars preken beluisterde.
Aan het gesprek in Driebergen werd deelgenomen door ds. G. H. Abma (Gouda), dr. C. F. V. Andel (secr. Van de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie), ds. C. den Boer (Woudenberg), dr. F. Boerwinkel (oud-direkteur van academie De Horst in Driebergen), ds. G. H. Cassuto (Bilthoven), ds. W. Dekker (Rotterdam), mevr. M. E. L. Verburg-de Waard (lid moderamen van de Raad voor de Herderlijke Zorg), dr. K. M. Witte- veen (wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de theologische faculteit vari de Rijksuniversiteit te Utrecht), mevr. ds. J. T. Butijn, mevr. J. J. de Leeuw-Wesseldijk en J. van Asselt (Woudenberg).
Uit het genoemde boekje geef ik in het hiervolgende voornamelijk één en ander ter informatie door, zonder de gesprekspartners in de rede te vallen. Tenslotte heeft men gezamenlijk besloten om na de vele gesprekken dit naar buiten te brengen, waarbij ieder een eigen verantwoordelijkheid voor zijn of haar stuk draagt.
Eenheid in verscheidenheid
De titel van dit artikel is ontleend aan de bijdrage van de hervormd-gereformeerde predikanten G. H. Abma en W. Dekker. Zij schrijven over 'eenheid in verscheidenheid'. Zij gaan in op het apostelconvent te Jeruzalem waar het ging om het elkaar aanvaarden en vasthouden van Joden-christenen en heiden-christenen. Verder wijzen ze op Rom. 15 waar Paulus schrijft dat niemand voor zichzelf leeft of sterft. 'Hetzij dat wij leven, wij leven de Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven de Heere'. En in Efeze 2 wordt gesproken over Christus die beiden (Joden en heidenen) één gemaakt heeft en de middelmuur des afscheidsels gebroken heeft.
De schrijvers concluderen uit één en ander dat traditie en culturele achtergrond een rol spelen bij het bijbellezen en dus ook mede het modaliteitenprobleem bepalen. Zij zeggen niet zonder meer 'nee' tegen een 'verantwoord compromis' maar protesteren wel tegen het opofferen van de eenheid van de gemeente aan zaken 'die meer met cultuur en traditie te maken hebben dan met de heilsfeiten'.
Uit 1 Cor. 12 en 14 benadrukken zij verder dat de Heilige Geest in de gemeente vele charismata tot bloei doet komen en het grootste charisma is de liefde. Intussen zou het van 'hopeloze arrogantie' getuigen - aldus deze bij drage - als we zouden veronderstellen vandaag voor het eerst voor de opdracht van het kerk-zijn gesteld te zijn; alsof er geen kerk der eeuwen is. Niet dat het dan louter formeel gaat om 'de belijdenis geloven', het gaat om het belijden van het geloof, maar wel in verbinding met de kerk der eeuwen. En als zodanig is het optimisme bij het invoeren van de Nieuwe Kerkorde in 1951 niet bevestigd door de feiten. Was ervoor 1951 felle richtingenstrijd, omdat het autonome denken was gaan heersen over de Schrift en daarom fundamentele stukken van de leer des heils werden aangetast, na 1951 zijn de oude richtingen onder andere naam (modaliteiten) weer naar voren gekomen.
Maar het gesprek moet blijven! Als zodanig was Driebergen - zeggen zij - een proefpolder in de lage landen bij de zee. 'Als we geloven in een heilige, algemene, christelijke kerk kunnen we op voorhand (curs. van mij, V. d. G.) niemand uitsluiten van de gemeenschap der heiligen.'
Israël
De tweede bijdrage is van ds. G. H. Cassuto. Hij benadert de problematiek van de modaliteiten uit een gans andere invalshoek. Hij schrijft over 'Israël en de gemeente'. Israël is, vanaf het moment dat dit volk de wereldgeschiedenis binnentreedt 'gemeente of vergadering des Heeren'. Israël is - zo meent Cassuto - het volk van het oude én van het nieuwe verbond. De heidenvolkeren (de gojim) zijn degenen die ver weg ('van verre') zijn maar door hun aanneming van Jezus Christus dichtbij (nabij) zijn gekomen, medeburgers der heiligen (van Israël) zijn geworden. De aanvaarding van Christus was en is de weg tot de God van Israël. Met de 'verstoktheid' van de Joden weet ds. Cassuto dan intussen geen raad. Want van de oudste zoon in de gelijkenis staat geschreven 'kind, gij zijt altijd bij mij'. Er zal een tijd komen dat ook de Joden steeds helderder de betekenis van Jezus, als de Ene Rechtvaardige, als Zijn knecht, die verzoening bewerkte en bracht, gaan ontdekken. God zélf zal dit wonder verrichten en dan zullen ook niet-joodse gelovigen pas werkelijk gaan ontdekken wie Jezus was en is. 'Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja de slip zullen grijpen van een joodse man, zeggende: wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is' (Zach. 8 : 23). In de ontmoeting van kerk en Israël ligt de vernieuwing van de gemeente. En de toekeer van Israël tot zijn Messias, Jezus van Nazareth zou een nieuwe 'modaliteit' kunnen betekenen. Zouden de modaliteiten dan misschien overbodig worden? , vraagt Cassuto.
Opdracht van de gemeente
Dr. F. Boerwinkel schrijft over 'de opdracht van de gemeente'. Hij zet daartoe in bij het doopbevel uit Mattheus 28: 'gaat dan, onderwijst alle volken, ze dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden al wat Ik u geboden heb'. Die opdracht wordt gegeven aan joodse discipelen, die een opvoeding in het onderhouden van de Tora (de wet) achter de rug hebben. Christus heeft die geboden (b.v. het sabbatsgebod) niet als zegenrijke regel willen ontkrachten. Wél wordt in het Nieuwe Testament (bij Paulus) alle werkheiligheid en werkgerechtigheid eraan ontnomen. Letterlijk zegt Boerwinkel, dat christenen uit de heidenen niet hebben gezien 'hoe een op de juiste wijze houden van deze sabbatsregel ons voor veel stress en hartinfarcten had kunnen behoeden.' We beginnen te weinig met gehoorzaamheid aan Gods geboden, aldus Boerwinkel, en daaruit komt veel geloofsonzekerheid en - tobberij voort.
Hebben we niet veel te weinig Jezus' leer en geboden ernstig genomen (ook t.a.v. de kernwapenen b.v.) en is daarmee niet gepaard gegaan een sterke polarisatie?
In de discussievragen stelt hij dat lang het gezegde gold 'de leer verdeelt, maar het leven verbindt'. Moet nu niet gezegd worden dat juist de wijze waarop men over levensvragen oordeelt (abortus, homofilie, kernwapens) scheiding brengt, méér dan wat geleerd wordt? Hij mist in de prediking het ethisch aspect, het 'doen van de geboden'.
Wat is waarheid?
Ds. C. den Boer gaat in op de waarheidsvraag: wat is waarheid? Ten aanzien van het modaliteitengesprek zegt hij al direct: 'wij mogen van elkaar geloven, dat wij niet sceptisch of schouderophalend tegenover Jezus als de Waarheid staan'. Dit vraagt om een luisterhouding. 'Luisteren naar elkaar, omdat geen sterveling, die gedurig aangewezen is op rechtvaardiging als van een goddeloze moet denken dat hij de waarheid in pacht heeft. Luisteren naar elkaar ook omdat waarheidsbeleving in gemeenschap met elkaar wordt beoefend. De eenheid is ook een kant van de waarheid en bepaald niet de onbelangrijkste.' Het komt er echter op aan dat we elkaar verstaan in ons luisteren naar Schriften belijdenis. We moeten wél voluit rekening houden met het historisch proces waarin de Bijbel tot ons is gekomen (wat fundamentalisten niet doen), met verschillende culturen en literaire genres. Maar de Schrift is niet een voor meerderlei uitleg vatbaar 'zoekproject'. Het gaat om de luisterhouding van art. 5 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis. Het Woord van God komt op ons toe als Openbaring, (van boven naar beneden). En God openbaart zich dan in Zijn grote heilsdaden, in de heilsgeschiedenis van Zijn volk Israël, in kruis en opstanding van Jezus Christus. De Bijbel is ons houvast. De waarheid is, bijbels gesproken, statisch en dynamisch (in onderlinge betrokkenheid). Mijn bestaan is betrokken op wat vast staat. Ds. Den Boer toont waardering voor de uitdrukking gemeenschap met de belijdenis, zoals die in art. X van de hervormde kerkorde voorkomt, in zoverre dit namelijk betekent een benadrukken van 'de religie der belijdenis'. Maar dan mag daar toch zéker wel toe gerekend worden 'dat God in Christus' bloedstorting plaatsvervangend verzoening liet doen over onze zonden'. Hij signaleert intussen dat dit hart van het Evangelie vandaag wordt geofferd aan wettische ideologieën, en dat zich dogmatische en ethische ketterijen van formaat voordoen.
En daarom, de kerk der Reformatie belijdt in historisch besef. Hij eindigt met de opmerking: 'het is bijster kil geworden in onze tijd. Komt dat misschien, omdat de waarheid is gestruikeld op de straat? ' (Jesaja 59 : 14.)
Godsdienst en vrijheid
De tegenpool van het artikel van ds. Den Boer in deze bundel vormt de bijdrage van dr. K. M. Witteveen, die schrijft over 'Godsdienst en vrijheid'. Met Luther zegt hij: de christen is een vrij mens, aan niemand onderworpen en hij is in geloof en liefde een dienstplichtig knecht van alle dingen en aan ieder onderworpen. Witteveen pleit voor ruimte in de kerk. Groei naar volwassenheid, naar een volwassen geloof, vraagt vrijheid. En de (eigen) tijd speelt daarin een belangrijke rol. 'Zelfs de binnenste kern van het mens-zijn voor Gods aangezicht beleeft men in verschillende eeuwen verschillend.' Daarom moeten we leren begrijpen dat én de waarheid én het geloof dynamisch (beweeglijk) zijn. Als belijdenissen toetsstenen voor rechtgelovigheid worden dan ontaardt 'irenische discussie tot bittere polemiek'.
Zelfs Luthers ontdekking van de rechtvaardiging van de goddeloze moet in het raam van zijn tijd worden verstaan en in onze tijd dus dynamisch worden geïnterpreteerd. Het gaat om de navolging van Christus vandaag. Maar intussen laten we ons niet afbrengen - aldus Witteveen - van 'die waarheid, de harde, bittere, zachtmoedige waarheid van het kruis, bevestigd in het leven en offer van hen, die hun kruis opnemen en proberen Hem te volgen, in de geest der zaligsprekingen, zachtmoedig en vredestichtend, dragende de 'wapenen van het licht'. De lezer proeft hier de hedendaagse vrijzinnige visie; niet het harde modernisme van de vorige eeuw, maar toch wel die van het Bergrede-christendom.
Gemeenschap als cement
Nadat mevr. M. E. L. Verburg-de Waard een groot aantal niet theologische factoren als 'stoorzenders' in het' modaliteitengesprek heeft genoemd, sluit dr. C. P. van Andel af met een hoofdstuk getiteld 'Gemeenschap: het cement dat de kerk bijeen houdt' . Gemeenschap - de koinonia van Handelingen 2 - is voor Van Andel uitgangspunt. Ook in de nieuw-testamentische gemeente waren er spanningen (iedere huisgemeente een eigen modaliteit) maar de gemeenschap was het cement. Ze hadden gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus. Het avondmaal is dus de maaltijd van gemeenschap bij uitnemendheid. 'Christelijke gemeenschap is gemeenschap met anderen, omdat die anderen, evenals ik deel mogen hebben aan dezelfde gaven van de Heer.' En gemeentevorming vindt allereerst plaats op grond van het feit, 'dat de Heer zelf Zich door Zijn Geest en Woord een gemeente vergadert'.
Van Andel besluit dan met te zeggen: 'Voor het modahteitengesprek zou het goed zijn om niet alleen met elkaar te praten maar af en toe ook eens elkaars kerkdiensten bij te wonen en vooral ook het brood met elkaar te breken...'.
Kort commentaar
Ten besluite maak ik bij het hierboven weergegeven boekje nog enkele opmerkingen.
1. Als een rode draad loopt door het boekje dat het gesprek tussen de modaliteiten en de kerk onopgeefbaar en niet vrijblijvend is. Het boekje zelf geeft - bij alle (diepgaande) verschillen die er zijn - daarvan een voorbeeld. Het zou dan ook goed als voorbeeld kunnen dienen voor gesprekken die regionaal of plaatselijk gehouden worden. In ieder geval is het goed om het appèl tot gesprek te horen en door te geven. In gesprekken met elkaar worden caricaturen opgeruimd, vijandsbeelden neergehaald, misverstanden opgeruimd maar treden de échte verschillen ook pas goed aan het licht. En dan hopelijk voor Gods Aangezicht. We zullen hebben te spreken over wat ons (allen) in de kerk ten diepste beweegt en ook elkaar terechtwijzen waar dat nodig is (en dat IS nodig).
2. Een boekje als dit lost geen modahteitsproblemen op. Dat doet alleen de Heilige Geest in de verkondiging van het Woord, als de Geest ons samen de Waarheid doet verstaan.
Bovendien gaat het in een dergelijk boekje altijd weer - en terecht - om de kardinale zaken. Maar hoeveel zaken zijn er niet, die niet het kardinale, het hart (de heilsfeiten) raken en die tóch vervreemdend tussen leden of gemeente van dezelfde kerkwerken? Kwesties, die traditioneel of (plaatselijk) 'cultureel' bepaald zijn, zaken als bijbelvertaling, berijming van de psalmen, als of niet het vrije lied, liturgische gebruiken, opstelling in ethische en politieke vragen, levensstijl, kleding tijdens de eredienst (al of niet een hoofddeksel voor vrouwen), lengte van de kerkdienst, zondagsviering. Kortom er zijn zóveel zaken die in de praktijk delend zijn, dat theologische vertogen die helend kunnen zijn in die praktijk niet zoveel uitwerken.
3. Eén ding valt intussen wel op in dit boekje. Nergens is - expliciet - sprake van wat we plegen aan te duiden met het begrip bevinding. In de praktijk van het gemeentelijke leven blijken hier bepaald ook wegen uiteen te gaan. De gemeente voelt - vaak intuïtief - aan of de boodschap afstandelijk, beschouwelijk, alleen recht in de leer en naar de belijdenis is of ook op het hart gericht is; met andere woorden of ook het toepassende werk van de Heilige Geest aan de orde komt. We kunnen in de kerk wel uitgaan van gemeenschap, maar is er ook gemeenschap door de Heilige Geest die wederbaart, levend maakt, het Woord door het oor in het hart brengt? Ik weet best dat bevinding een niet te definiëren begrip is. Zodra we het gaan definiëren zitten we voor we het weten óók in de beschouwelijkheid of in de objectieve bevindelijkheid. Ik weet ook best dat in kringen, die de naam bevindelijk dragen men al te vaak op het karakter van de bevindelijkheid uiteen gaat. Zulks is vandaag zelfs weer uiterst actueel. Maar dat neemt niet weg dat het werk des Geestes, zoals dat via de prediking van de volle Raad Gods, dat wil zeggen naar het Woord, plaats vindt pas echt-cement zal blijken te zijn. Juist onder 'elkaars prediking' kan het zo tegenvallen als het hierom gaat. Want tenslotte is het ook nog zo dat de Geest waarheid van leugen onderscheidt, de leugen (in eigen hart, maar ook in kerk en gemeente) ontmaskert en de waarheid doet open gaan in Hem die de Waarheid is.
Nogmaals, het bevindelijke aspect had meer aandacht kunnen krijgen. Nu blijft het teveel een kwestie van (toch) standpunten over belijden, belijdenis, gemeenschap, verscheidenheid, ruimte, vrijheid. Maar waar de Géést des Heeren is, daar is de echte vrijheid.
N.a.v. C. P. V. Andel e.a., Kan het Anders? , uitgave Boekencentrum, ' s-Gravenhage, 95 pag., ƒ 12, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's