Wandelen in de vreze des Heeren (5)
Heeft het vasten iets met de vreze des Heeren te maken en moet zij ook nu betracht worden?
In dit slotartikel willen wij, zoals een vorige keer beloofd, ingaan op de vraag óf het vasten ook bij 'het wandelen in de vreze des Heeren' behoort. Kortom: heeft het vasten iets met de vreze des Heeren te maken en moet zij ook nu betracht worden?
De Schrift
Het lijkt ons niet onjuist om eerst de Schrift maar weer te laten spreken. Niemand zal durven ontkennen, dat er in het Woord Gods niet over vasten wordt gesproken. Wij komen het bij Israël van oude tijden tegen. Opvallend is wel, dat de Heere aan Israël het slechts op de grote verzoendag had geboden om te vasten. Wel komen wij het vasten méér tegen, maar dan als een vrijwillige zaak. Het vrijwillig vasten was een uitdrukking van de verootmoediging van de ziel voor God. Te denken valt hier o.a. aan David die vastte, totdat zijn zoontje gestorven was. Dit vrijwillig vasten ontaardde echter in allerlei uitwendige ceremoniën, waaraan een verdienstelijke werking werd toegeschreven. Vooral de profeten waarschuwen ernstig daartegen. Zij roepen op tot het ware vasten, de verootmoediging van de ziel: scheurt uw hart en niet uw klederen! Zij dringen aan op waarachtige bekering: doding van de oude mens en levendmaking van de nieuwe mens. In 't bijzonder na de Babylonische ballingschap is het vasten zeer sterk toegenomen. Van de Farizeeën weten wij, dat zij twee keer per week vastten. Ook de sekte van de Esseeërs kende dit gebruik. In het Nieuwe Testament lezen wij van Johannes de Doper en zijn discipelen, dat zij vastten. Ook de Heere Jezus Christus heeft gevast, althans voor Zijn ambtsaanvaarding. Veertig dagen heeft Hij zonder eten en drinken in de woestijn verkeerd. Het is niet met zekerheid te zeggen of de Heere en Zijn discipelen op regelmatige tijden hebben gevast. Dit concluderen wij uit de vraag: 'Waarom vasten Uw discipelen niet'?
Hoe het ook zij: het vasten wordt ons in de Schrift meegedeeld!
De christelijke kerk
Ook in de christelijke kerk komen wij het vasten tegen. Zij nam het gebruik van het vasten uit het Jodendom over. In de Handelingen der apostelen - men mag ook zeggen: de Handelingen van de verhoogde Christus - wordt er herhaaldelijk melding van het vasten gedaan. Latere eeuwen lieten eenzelfde beeld zien. Ook daarin treffen wij het vasten aan. Alleen herhaalt zich dan wat in Israël was voorgevallen nl. een veruitwendiging. Het vasten werd een uitwendige handeling en er werd verdienste aan toegekend. Vooral de kerk van het Westen i.c. de Rooms-katholieke kerk heeft een groot aantal vastendagen gekend. Het gebruik is op zichzelf niet te veroordelen als er maar geen bepaalde verdiensten aan worden toegekend, waardoor genade geen genade meer is. Wij menen ook, dat het vasten aan de christelijke kerk niet geboden is. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen, dat het vasten ons niets te zeggen heeft. De bedoeling ervan moet ons bekend blijven. Vasten was immers de uitdrukking van de verootmoediging der ziel? Het is intussen wel treffend, dat W. à Brakel in zijn 'Redelijke Godsdienst' een heel hoofdstuk wijdt aan het vasten. Van het vasten zegt hij: 'Vasten is een buitengewone godsdienstige oefening in welke een gelovige een dag zich van alles wat het lichaam verkwikt, onthoudt, en zich zowel naar het lichaam als naar de ziel voor God verootmoedigt, als een middel om zijn begeerte te verkrijgen'. Duidelijk is, dat à Brakel geen enkele verdienste aan dit vasten toekent. Hem staan alleen de verootmoediging van de ziel en het verkrijgen van een begeerte voor ogen. Hij schrijft het vasten bovendien niet op voor een vastgestelde dag. Wij krijgen zelfs de indruk, dat het alleen voor incidentele gevallen geldt. Hij schrift o.a.: 'Het vasten is een buitengewone oefening', 't is geen dagelijks werk gelijk bidden, lezen, danken, zingen; maar 't geschiedt bij bijzondere gevallen van nood, gevaar van plagen, die drukken of dreigen, van een bijzondere gewichtige zaak te aanvaarden, van verlegenheid, moetende in een gewichtige zaak kiezen, of ook over zaken die wel dagelijks voorkomen; maar over welke men bijzonder wil aangedaan zijn, als 't zoeken van de gemeenschap met God, kracht tegen de bijzondere noden, aanwas in de genade'.
Sober leven
In hoeverre men bepaalde vastendagen heeft gekend in de zeventiende en achttiende eeuw kunnen wij niet beoordelen. Wel schijnt zo nu en dan in verband met de nood van het volk óf van de kerk een vastendag uitgeschreven te zijn. Wat wij wel weten is, dat degenen die in de vreze des Heeren wandelden een zeer sober leven hebben geleid. Allerlei uitspattingen en zwelgpartijen waren hen vreemd. Overdaad schaadt! Inderdaad was men bang, dat de overdaad een godvrezende wandel in de weg stond. Dat men streng was voor zichzelf en een sober leven leidde, blijkt o.a. uit een figuur als Jodocus van Lodenstein. Niet alleen zomers, maar ook in de winter stond hij 's ochtends om vier uur op. Hij nam geruime tijd voor schriftlezing en gebed, zodat hij de nieuwe dag weer aankon. Hij sliep, at en dronk juist zoveel als nodig was om in leven te blijven om God te kunnen dienen. Het moet gezegd worden, dat deze wel zeer sobere levenswijze zijn gezondheid, die toch al niet al te best was, niet heeft bevorderd. Hij was vegetariër en geheelonthouder. Dat was hij echter niet uit principe, want aan de zieken in zijn gemeente liet hij als versterking van lichaamskrachten vlees en wijn brengen. Zijn eigen sobere leefwijze kwam echter op uit de vreze des Heeren.
Ook Th. à Brakel heeft een wel zeer sobere levenswijze gekend en onderhouden. In 'De trappen des geestelijken levens' geeft hij verschillende aanwijzingen, hoe een christen het leven moet inrichten. Van hem is ook bekend, hoe hij Psalm 119 : 62 letterlijk in praktijk bracht: Te middernacht sta ik op om U te loven over de rechten Uwer gerechtigheid'. Deze tekst mocht niet louter geestelijk verstaan worden, maar zij moest ook in de praktijk gebracht worden. Het zal ons ook bekend zijn, hoe sterke nadruk Th. à Brakel legde op de sabbathsviering en hoe sober de maaltijden waren die op die dag opgediend werden. Ook zijn personeel moest ruimschoots voor de zondag klaar zijn met het werk, opdat het zich reeds kon voorbereiden op de zondag. Brakel leidde een ascetisch leven, waarin het vasten een plaats had. Toch was deze godvrezende man geen 'overgeestelijk' man. Hij legde zeker zijn wil niet op aan anderen, ook niet wat zijn levenswijze en -stijl betreft. Kort voor zijn dood zegt hij tot zijn zoon: 'Leest veel in Gods Woord en zingt veel de psalmen van David, dat verkwikt de geest. Gebruikt soms verkwikkingen voor het lichaam in spijs en drank en anderszins. Dat ik het niet gedaan heb, is omdat ik geen leermeester gehad heb, die mij waarschuwde. Men kan zijn lichaam ook te veel ten laste leggen'. Uit dit laatste concluderen wij, dat hij wel zeer zeker een eenvoudig en sober leven voorstond, maar dat dit niet ten koste van het lichaam mocht gaan.
Het vasten in ruimere zin
Wij weten niet óf het vasten in algemene zin nog wordt toegepast. Wij denken wel eens, dat wij opnieuw dit gebruik tot verootmoediging van de ziel voor God moeten leren. Want de vraag doet zich voor: onthouden wij ons nog wel eens iets, kunnen wij nog ergens afblijven? Hiermee bedoelen wij niet óf wij wel van bepaalde gerechten en dranken ons kunnen onthouden. Misschien zou dat ook meer nodig zijn t.b.v. onze lichamelijke en geestelijke gezondheid. Toch zouden wij het vasten niet zo beperkt willen zien. Dat heeft de gereformeerde theologie ook niet gedaan. De gereformeerde theologie in vroeger eeuwen zag het vasten in veel ruimere zin. Onder het vasten werd verstaan een zich onthouden van allerlei dingen, die de mens tot zonde konden overhalen. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw wees men dan op de dans, de kermis, het toneelspel, het kopen en verkopen op zondag, het drankmisbruik. Allemaal verzoekingen die er van een wereld, die in het boze ligt uitgaan. Het pakket waarvan wij ons hebben te onthouden, zou in onze dagen met vele zaken uitgebreid kunnen worden. Als wij vasten vertalen met 'onthouden', dan hebben wij ons te onthouden van alles wat tegen Gods wil en wet ingaat. In 'Christendom en Cultuur' van de hand van dr. H. Goedhart lazen wij de volgende passage: 'Wanneer wij ook nu onder vasten rekenen wat de Catechismus in antwoord 109 zegt: God gebiedt ons onthouding van de onkuisheid en al wat de mens daartoe trekken kan, dan is zulk een vasten altijd geboden. En dit moet op alle zonden, niet alleen op die van onkuisheid betrokken worden. Voorzichtigheid tegen verzoekingen moet altijd in acht genomen worden'. Zou voorzichtigheid niets met de vreze des Heeren te maken hebben? Het heeft er alles mee te maken! Zo wandelt in vreze de tijd uwer inwoning. (1 Petrus 1 : 17-slot).
Slot
Ter afsluiting van deze artikelenreeks zal het duidelijk zijn, dat de vreze des Heeren en een wandelen daarin in de prediking niet mag ontbreken. De prediking als uitleg en toepassing van het Woord Gods kan hieraan niet voorbijgaan, niet in voorwerpelijke zin, niet in onderwerpelijke zin. Allereerst al niet, omdat het Woord dat bediend wordt ook over het leven voor Gods aangezicht spreekt, maar vooral ook niet omdat de toepassing dient te onderwijzen in de wandel in de vreze des Heeren. Niet casuïstisch zoals wij in één van de artikelen hebben aangetoond, maar genormeerd aan de onfeilbare openbaringsbron: Gods Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's