De maatschappij van welstand (2)
Ds. Van Heusden stond voor ogen een maatschappij, die door maatschappelijk ingrijpen de ondergang van het protestantisme in het zuiden, met name in Brabant, zou verhoeden.
Vervolg levensgeschiedenis ds. Jacob van Heusden (1757-1841).
In 1792 werd ds. Van Heusden beroepen te Hilvarenbeek, welk beroep hij aannam, de plaats waar hij was geboren en opgegroeid en waaraan hij vele dierbare herinneringen had. Daar woonde toen nog zijn ouders, 2 zusters, zijn jongste broer Cornelis van Heusden, terwijl daarnaast nog 2 broers woonden in Lage Mierde en in Tilburg. Van Heusden werd hier dus predikant temidden van zijn familie.
Hilvarenbeek lag in die tijd ook zeer afgezonderd temidden van een zandwoestenij. Wie vandaar uit naar de omliggende plaatsen wilde gaan, kon dit het beste te voet doen. In het Brabant van toen waren de met karresporen doorgroefde zandwegen in de zomer door hun mulheid en in de winter door de modder moeilijk te berijden. Ds. Van Heusden zag echter helemaal niet op tegen het maken van lange voettochten. Toen in 1802 een felle onderlinge twist de Hervormde Gemeente van Gouda verscheurde, was ds. Van Heusden geroepen om daar als vredestichter op te treden. De tocht van Hilvarenbeek naar Gouda had hij daartoe helemaal te voet afgelegd.
In Hilvarenbeek heeft ds. Van Heusden bijna 50 jaar gestaan, van 1792 tot 1841, zij het, dat de laatste jaren i.v.m. zijn ouderdom en achteruitgang van zijn gezondheid zeer moeizaam waren. De kleine Hervormde Gemeente van Hilvarenbeek (toen voor 1795 nog geheten Gereformeerde Kerk) kwam elke zondag samen in de St. Pieterskerk, die in 1636 door de Rooms-Katholieken was ontruimd. Van de preken, die ds. Van Heusden 's zondags hield (2 diensten per zondag!), vertelde later zijn zoon mr. C. J. van Heusden, dat zij altijd zeer eenvoudig waren en nooit langer dan ten hoogste 25 minuten duurden.
Het was de Rooms-Katholieke meerderheid van Hilvarenbeek steeds een doorn in het oog geweest, dat hun oude kerk bij de anderen, die in de minderheid waren, in gebruik was, en dat zij van een schuurkerk gebruik moesten maken. Na de staatsregeling van 1798 werden door de Rooms-Katholieken in Hilvarenbeek onmiddellijk krachtige pogingen ondernomen om weer in het bezit te komen van de St. Pieterskerk. Ondanks het sterke verzet van o.m. ds. Van Heusden werd op grond van artikel 6 van de Additionele Bepalingen van de staatsregeling van 1798 de kerk van Hilvarenbeek in 1799 weer in Rooms-Katholieke handen gebracht. De Hervormden moesten vervolgens 10 jaar gebruik maken van een noodkerk. Ds. Van Heusden nam vervolgens in 1807 de toevlucht tot de Koning van Holland (Koning Lodewijk Napoleon derhalve) en deed al het mogelijke en... met succes. Zijne Majesteit stelde aan de Gereformeerde Gemeente van Hilvarenbeek een som van ƒ 6000, —ter beschikking voor het bouwen van een nieuwe kerk en de aankoop van de oude pastorie. Op 19 november 1829 werd de nieuwe kerk, ook wel genoemd het 'Lodewijks-Kerkje' in gebruik genomen, waarbij ds. Van Heusden een preek hield over Psalm 133 : 1. Laatstgemelde gebeurtenis was kenmerkend voor de teruggang van het protestantisme in Brabant en de opmars van het Rooms-Katholicisme. De laatsten begonnen zich te ontworstelen aan de druk, waaronder zij ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden hadden geleefd. Tal van openbare ambten, die voorheen voor gereformeerden waren gereserveerd, werden nu bezet door Rooms-Katholieken.
Voor ds. Van Heusden is het vanaf die tijd duidelijk geweest, dat er ingegrepen moest worden, indien men wilde voorkomen, dat binnen afzienbare tijd overal op het brabantse platteland de nog overgebleven protestantse gemeenten ofwel geheel verdwenen zouden zijn, ofwel geheel verarmd zouden geraken. Er moest dus iets gebeuren. Ds. Van Heusden stond voor ogen een maatschappij, die door maatschappelijk ingrijpen de ondergang van het protestantisme in het zuiden, met name in Brabant, zou verhoeden. Zo werd in 1822 opgericht: 'De Protestantsche Maatschappij tot bevordering van welstand, voornamelijk onder landlieden'. De toevoeging 'Protestantsche' werd later uit de naam verwijderd. Bij de oprichting werkten voorts o.m. mede, ds. Van Volkom te Breda, de oudste zoon van ds. Van Heusden mr. C. J. van Heusden, die op dat moment rechter in Breda was en voorts ene heer P. Biesheuvel, een Bredase industrieel. Hoewel het werkterrein van de Maatschappij voornanelijk in het zuiden lag en ook wel in het land van Maas en Waal, kwamen de leden uit het gehele land. Vooral gegoeden van protestantsen huize traden toe als lid. Plaatselijke afdelingen werden gevormd onder leiding van plaatselijke bestuurders. De vereniging kreeg een dagelijks bestuur, later wel genoemd de Permanente Commissie.
De maatschappij had ten doel steunverlening aan hervormde landgenoten, met name in het zuiden en de instandhouding van hervormde gemeenten. In de vorige eeuw was in Brabant het begrip protestants gelijk aan de naam hervormd.
De leden betaalden jaarlijks een contributie van ƒ5, — en op deze wijze werd langzamerhand een fors kapitaal bijeen gebracht. Met dit kapitaal zouden her en der hoeven, landerijen en andere onroerende goederen worden aangekocht. Daarnaast kwam het wel voor, dat leden of bestuursleden van de maatschappij op persoonlijke titel een of meer boerderijen kochten, die dan door hervormde pachters werden in gebruik genomen. Een enkele maal gebeurde het, dat zo'n pachter in de loop der jaren in staat was om eigenaar te worden van de door hem betrokken boerderij.
De maatschappij telde al gauw een paar duizend leden, die elk jaarlijks ƒ5, —contributie bijeen brachten. Zo kwam in korte tijd een voor toen formidabel kapitaal bijeen. Als we dan bedenken dat vaak voor 3 à 4 duizend gulden een komplete boerderij gekocht kon worden, wordt het duidelijk, dat de Maatschappij van Welstand al spoedig aan haar doel kon gaan beantwoorden. Met name wanneer een Hervormde Gemeente in het zuiden door ledenverlies met de ondergang werd bedreigd, werd de Maatschappij van Welstand te hulp geroepen. Zo was dat b.v. het geval met de gemeenten van Veldhoven, Nuenen, Hoogeloon, St. Oedenrode, Oijen, Lith, enz... In die gemeenten werden dan zo mogelijk door de maatschappij boerderijen aangekocht, waarvoor vervolgens pachters werden aangetrokken uit de overwegend protestantse delen van Brabant en ook wel van benoorden de grote rivieren. Uiteraard moesten deze pachters hervormd zijn en gewaardeerde leden kunnen worden van de Hervormde Gemeente, waarbinnen de boerderij of ander onroerend goed gelegen was. De objecten, waarop de hervormden van elders dan werden aangetrokken, werden in de termen van de maatschappij 'ondersteuningen' genoemd. Degenen, die ze betrokken, heetten 'ondersteunden'.
In het in 1834 opgestelde reglement werd het doel aldus omschreven: 'Protestantsche huisgezinnen te ondersteunen en langs dien weg kleine protestantsche gemeenten in stand te houden, en derhalve welstand te bevorderen'. Voorts werd in het reglement bepaald, dat de maatschappij haar doel zou trachten te bereiken 'door geschikte en brave protestanten, die in bekrompene omstandigheden verkeerden, tot een vast bestaan te helpen, hun tot dat einde huizen en landerijen voor een lage prijs te verhuren, en inzonderheid hen, bij genoegzame bekwaamheid en geschiktheid, behulpzaam te zijn tot de uitoefening van den landbouw'. Voorts zou de maatschappij 'hare ondersteunden tevens opleiden tot verlichte kennis en getrouwe beoefening van den Christelijken Godsdienst (!) en daardoor ook tot naarstigheid, zuinigheid en andere deugden, waardoor zij bij de verleende middelen, in hunne stand tot gewenschte welvaart zouden kunnen komen'.
In verband met het doel van de maatschappij (versterking der Hervormde Gemeenten) hield men ook bij de selectie van toe komstige pachters streng de hand aan de eis, die in het oorspronkelijke reglement was gesteld, dat de te ondersteunen personen 'bekwaam tot voortteling' moesten zijn.
Zo werden tal van hervormde boeren uit de overwegend protestantse streken van Brabant, o.m. Capelle en Sprang, Het Land van Heusden en Altena en de westhoek van Brabant, en ook wel vanuit het noorden, overgeplaatst naar de overwegend Rooms-Katholieke streken van Brabant, teneinde zo de aldaar kwijnende Hervormde Gemeenten nieuw bloed in te pompen. Zo wordt het duidelijk, wanneer de mededeling wordt vernomen: 'Die en die is destijds naar het zuiden vertrokken, naar een boerderij van welstand'.
Nu is het bepaald niet zo, dat degenen, die een ondersteuning van welstand betrokken, daardoor zonder meer uit de problemen waren. Integendeel, in veel gevallen begonnen de problemen zich dan pas goed te laten gelden.
Het was nl. zo, dat zelfs voor een betrekkelijk klein gezin de meeste hoeven van welstand van te geringe omvang waren om daarop meer te vinden dan een sober bestaan. De meeste huizen verkeerden in een vervallen staat en bovendien had men, verlokt door een lage koopprijs, af en toe ook bedrijfjes aangekocht, die door hun ligging voor de landbouw niet erg geschikt waren. Zij die op een hoeve van welstand werden geplaatst, waren niet zelden betere tijden gewend geweest en konden zich onvoldoende aan hun nieuwe staat aanpassen. Wanneer hun gezinnen talrijk werden, was de armoede niet meer te overzien. Op den duur hadden de meeste pachters van welstand meer kinderen dan koeien. Hier wreekt zich het uitgangspunt van de maatschappij, dat men meer het hoofddoel voor ogen had t.w. de versterking van de Hervormde Gemeenten, dan het welzijn van degenen, die op de ondersteuningen werden geplaatst. Daarbij moet men ook nog bedenken, dat de maatschappij nu niet bepaald zachtzinnig omging met de pachters, die er in haar ogen niet veel van terecht brachten (hetgeen vaak ook niet mogelijk was).
Dat door de maatschappij vaak geen al te hoge eisen werden gesteld aan de inrichting der ondersteuningen, bewijst het volgende. Op een boerderijtje in Dinther hadden in een aantal jaren tijds verschillende families elkaar afgewisseld. Als gevolg van sterfgevallen, waren zij steeds in moeilijkheden gekomen. Als oorzaak van deze sterfgevallen gold verschillende malen de tyfus. Nadat deze ziekte 40 jaar lang steeds was teruggekomen begon men argwaan te krijgen en werd een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek wees uit, dat de afvoer van het privaat slechts door een dunne wand was gescheiden van de put, waaruit de bewoners steeds hun drinkwater hadden betrokken.
Het is weinig verheffend te lezen hoe pachters, die het niet al te best deden (hoe kon dat vaak anders met een gebrekkige uitrusting op schrale zandgrond zonder voldoende bemestingsmogelijkheid? ) hardhandig van de hoeven werden verwijderd. Deze kwamen dan veelal ten laste van de plaatselijke diakonie. Vaak was er in zo'n geval sprake van touwtrekken tussen de maatschappij van welstand en de diakonie. De diakonie probeerde de beëindiging van de pacht tegen te houden, omdat dit een verzwaring van haar lasten betekende. Een oude pachter zonder opvolgers was voor de maatschappij ook niet interressant meer, zodat de pacht met hem ook zo spoedig mogelijk werd beëindigd, hetgeen betekende, dat de man brodeloos en dakloos werd. Ook dan weer moest de plaatselijke diakonie voor hem in de bres springen.
We moeten deze gang van zaken zien in het raam van de maatschappelijke denkbeelden in de vorige eeuw. De leiders van de maatschappij van welstand 'de Heren van Welstand' waren de weldoeners en men mocht blij zijn tot hun ondersteunden te behoren. Ondanks de bizarre omstandigheden diende men slechts dankbaarheid jegens zijn weldoeners te tonen, zelfs wanneer die weldoeners een pachter van zijn hoeve verwijderden, diende de laatste dit zonder morren te accepteren. Helaas moet gezegd worden, dat de verhoudingen en de grote tegenstellingen ook aan de maatschappij van welstand niet zijn ontgaan.
De vraag kan dan ook gesteld worden of de Hervormde Gemeenten door de heersende praktijken van de maatschappij wel zo zeer gediend waren. Om een voorbeeeld te noemen. In 1827 werd in Baardwijk, waar het zielental van de Hervormde Gemeente dreigde te dalen beneden het getal, dat vereist, was om een eigen predikant te kunnen beroepen, een huisje met grond aangekocht voor ƒ 325, — (genoemd ondersteuning 13!). Wie zich over die prijs zou vewonderen, zal deze koopsom beter begrijpen, wanneer hij weet dat het 'huisje' 10 jaren later werd omschreven als 'nauwelijks een woning voor mensen'. Gezien haar geldmiddelen, moest de protestantse maatschappij wel zuinig zijn en dat wreekte zich tevens in de aard van verschillende aankopen. In dit geval was ook deze ondersteuning te klein om daarop tot welstand te kunnen komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's