Het geding om de kerk tussen Kuyper en Hoedemaker (2)
Kuypers 'Tractaat' vormde de wetenschappelijke voorbereiding van de Doleantie.
De Doleantie
Groen van Prinsterer was indertijd niet met de Afscheiding meegegaan. Allerlei motieven zullen daarbij hebben meegewerkt. Naar ik meen niet het minst zijn liefde voor de Vaderlandse Kerk. Hij zag deze kerk als de Nederlandse kerk der Reformatie, waarin de Hervormde Gezindheid, dat wil zeggen de religie van de Gereformeerde belijdenis, alle recht had. Desondanks was ook hij op een gegeven moment zover, dat hij de mogelijkheid van scheiding niet meer uitsloot. Dat was in 1869, toen de Synode buiten staat bleek om leertucht te oefenen over dr. J. Zaalberg, die in zijn prediking de fundamenten van de kerk aantastte. Groen publiceerde toen een zevental 'Bijdragen voor Kerkgemeentelijk Overleg'. Na te hebben gewezen op het voorbeeld van ds. Thomas Chalmers, de stichter van de Vrije Kerk van Schotland, schrijft hij, dat we in Nederland pas aan scheiden mogen denken, wanneer '... door een strijd van den echten stempel... door eensgezindheid en beleidvol moedbetoon, in de Kerk zelve reeds een herlevende Kerk, als zelfstandig geheel en rijpe vrucht, gevormd zij.' Waar Groen zo dacht, is het geen wonder, dat we Kuyper in 1870 in zijn intreepreek te Amsterdam horen zeggen: 'We moeten verbouwen of verhuizen'. Een poging tot zo'n 'verbouwing' van de kerk was het voorstel tot facultatieve kerspelvorming, dat hij in 1874, samen met zijn moderne collega's, bij de kerkeraad indiende. Volgens dat voorstel zou de Amsterdamse Hervormde gemeente verdeeld moeten worden in vijf kerspelen, twee voor de orthodoxen, twee voor de modernen, en één voor hen die zich tot geen van deze beide richtingen aangetrokken zouden voelen. De kerkeraad zou alleen in administratieve zin toezicht houden op deze 'deelgemeenten', geestelijke leiding zou hij niet meer geven. Het plan is niet doorgegaan en later heeft Kuyper erkend, dat het ook niet in overeenstemming was met het gereformeerde kerkrecht. In 1883 was het vier eeuwen geleden, dat Maarten Luther te Eisleben geboren werd. Kuyper maakte gebruik van de gelegenheid, een uiteenzetting te geven van het recht op Kerkhervorming in een boek, dat hij noemde: 'Tractaat van de Reformatie der Kerken', en dat hij opdroeg aan 'de zonen der Reformatie hier te lande'. Kuyper huldigt Luther als strijder voor de vrijheid van denkbeelden en geweten. Joden, rooms-katholieken en vrijdenkers kunnen, volgens hem, Luther eren. Maar vooral de protestanten moeten het doen:
'Alle man, die roept: 'Te breken met ons kerkverband ware revolutie!', die heeft het recht verbeurd, om als echte zoon der reformatie mee te jubelen op het feest van dien held des Heeren, die juist door breuke met het kerkverband van zijn dagen de held onzer liefde en de stichter onzer kerken werd'. Het boek bestaat uit vier hoofdstukken: I. Algemene beginselen (van de gestalte der Kerk volgens de Schrift), II. Van de rechte formatie der kerken, III. Van de deformatie der kerken, IV. Van de reformatie der kerken.
In deel II wordt o.a. de Pluriformiteit der kerk verdedigd met een beroep op het onderscheid van volken, landen en gewesten, ja van dorpen onderling, al wordt dan beweerd, dat de eenheid van het lichaam van Christus deze onderscheiden delen in organisch verband samenhoudt. Zelfs bij overeenstemmende belijdenis zijn twee kerkformaties in eenzelfde plaats mogelijk. Het ambt van de gelovigen beslist; zij mogen zich nooit bij iets neerleggen omdat de predikanten het zo beslisten. De gelovigen moeten naar vermogen zelf betalen voor het onderhoud der kerk en iedere gelovige mag ook het evangelie gaan verkondigen, al kan de Kerk alleen zenden met bevoegdheid om te dopen. In deel III komt het begrip doleren aan de orde. Dolerende kerken zijn onvolkomen kerken, niet door het kruis der vervolging, maar 'door den druk dien een ingedrongen en dus valsch kerkbestuur op haar uitoefent'. Een dolerende kerk is 'een kerk die naar God klaagt of haar plage mocht worden weggenomen... een kerk die klaagt zonder zich op te richten is een lamenterende kerk'. In IV verschijnen titels als: 'Dat alle goede reformatie God tot auteur heeft' (par. 52); 'Van reformatie door geleidelijk kerkherstel' (par. 54); 'Van reformatie door breuke met het bestaande' (par. 55); uitlopend op par. 64: 'Van de reformatie die in de gereformeerde kerken dezer landen thans dient ondernomen'.
Als de reformatie ergens succes heeft gehad, noemt Kuyper het stichten van nieuwe kerken 'hervormen' of 'zuiveren'; anders heet het 'een nieuwe kerk stichten'. 'De hervorming' (riep) 'eigenlijk geen nieuwe kerken hier te lande in het leven..., maar' (was) 'slechts een voortzetting in zuiverder vorm... van de oude christelijke kerken die in de 6e en 7e eeuw hier ontstonden'. 'Al wat geschiedde, was dat de bestaande kerk in professie en eredienst en organisatie van misbruiken gezuiverd werd'. Want de ware kerk kon volgens Kuyper in 'een valse kerk', ja in 'een synagoge des Satans' veranderen en dan moet de gelovige haar verlaten. Hij moet dan kiezen of delen. Maar, aldus Kuyper, 'vooral lette men er op, dat de vraag nooit is, of ge enig kerkgenootschap, maar uitsluitend of ge uw kerk zult verlaten. Een kerkgenootschap bestaat in de nu meest gangbare zin uit kerken en die kerken uit leden. Gij zijt dus lid van uw kerk, en uw kerk is lid van een kerkgenootschap. Uw kerk kan dus het genootschap verlaten, maar wat gij alleen verlaten kunt, is uw kerk... Ik heb dus volstrekt niet te letten op wat elders plaats grijpt, maar alleen te letten op mijn eigen kerk... In de zeven brieven aan de gemeente in Klein-Azië heeft de Here Christus nergens op de verantwoordelijkheid der leden voor het kerkverband gewezen.'
De laatste paragraaf van Kuypers 'Tractaat' bevat eigenlijk het hele plan van de 'reformatie' die volgens hem in de kerk moest worden ondernomen. De beweging dient uit te gaan van de plaatselijke kerken, die hij verdeelt in drie categorieën: 1. die waar nog tamelijk zuivere bediening van Woord en sacramenten is; 2. die waar de goede bediening ontbreekt, maar waar nog bidders zijn en hoop op herstel is; 3. die waar geen uitzicht op terugkeer of genezing is; zij zijn gestorven. De reformatie der kerken moet dienovereenkomstig op drie verschillende wijzen ter hand worden genomen: en moet in de derde categorie óf een kerke Christi oprichten óf zich aansluiten bij een plaatselijke gescheiden kerk; in de tweede categorie een dolerende kerk oprichten onder leiding van een gelovige kerkeraad; in de eerste categorie de band verbreken met de valse leraars.
Wat de kerkelijke vergaderingen betreft: de kerkeraden van de eerste categorie moeten de kerken van de tweede te hulp komen en in de derde categorie missie bedrijven. Zij moeten het kerkverband gebruiken om andere kerkeraden tot mede-reformatie te brengen en als dat niet mogelijk blijkt, de band met hen verbreken en met de dolerenden samen een nieuw kerkverband oprichten. De classes moeten de verkiezingen voor de onwettige besturen nalaten, en met andere classes een nieuw verband aangaan, waaruit een wettige geestelijke nationale synode op grond van de formulieren van enigheid kan worden samengeroepen. De bestaande synode moet haar aangematigd gezag opgeven, de classes uitnodigen om op grond van de formulieren van enigheid een nieuwe synode door gedeputeerden samen te stellen en door deze gedeputeerde synode de reformatie van het kerkverband ter hand te doen nemen. De overheid moet de besluiten van 1815 en 1852 intrekken; de financiële banden losmaken, na kapitaaluitkering aan de plaatselijke kerken voor wat deze rechtens toekomt. Met de gescheiden kerken moet men plaatselijk samengaan op de basis van Gods Woord naar de drie formulieren van enigheid. In de slotparagraaf 65 - 'Van inbezitneming der Hoogere Besturen' - worden pogingen om door kerkelijke verkiezingen de macht in de hogere besturen te veroveren verworpen. Dat zou toch alleen maar een vorm van samenwerking met broeders opleveren zonder vaste grond van gemeenschappelijke belijdenis, een ongeestelijk kerkherstel, en de oude verdeeldheid zou toch terugkeren.
Kuypers 'Tractaat' vormde de wetenschappelijke voorbereiding van de Doleantie. In feite was het een knappe verdediging van revolutie in de kerk. Maar voor revolutie was Kuyper niet bang. 'Er (kan) van revolutie in den goeden èn van revolutie in kwaden zin sprake vallen en volstrekt niet alle revolutie (mag) over één kam geschoren'. Er was 'doortastende reformatie' nodig in het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap. Het wachten was nu nog slechts op een aanleiding om het conflict te doen uitbreken. Die aanleiding kwam in 1884. De kerkeraad van Amsterdam weigerde attesten te geven aan leerlingen van vrijzinnige predikanten en bracht eigenmachtig veranderingen aan in het reglement van het bestuur der kerkelijke goederen. Het classicale bestuur greep in en schorste 80 kerkeraadsleden. Kuyper en de zijnen gingen in beroep bij de Algemene Synode; de Synode echter stelde hen in het ongelijk en bevestigde de afzetting. Daarna traden zij op als dolerende kerk, omdat zij voor de overmacht gezwicht waren, maar hun rechten, vooral op de kerkelijke goederen, niet opgaven. Kuyper heeft geen afscheiding gewild. Zijn doel was de bestaande kerken te reformeren en de synodale organisatie omver te werpen. Alleen aan de gemeenten, die volledig zouden breken met het Reglement van 1816, kende hij het recht toe zich de voortzetters te noemen van de oude Gereformeerde Kerk. Aan de synodalen, die ontoegankelijk bleven voor zijn reformatorische werkzaamheid, verweet hij een systematische verwaarlozing van de ene heilige algemene christelijke kerk. Al wie eerbied en liefde gevoelde voor die kerk, moest deelnemen aan de kerkhervormende beweging der Doleantie.
Ook al betreuren wij de stap die Kuyper meende te moeten nemen, dan gebiedt toch de eerlijkheid te erkennen, dat de reactie van de Synode vaak beneden alle peil was. Niet alleen verloren de dolerenden na een langdurig proces voor de burgerlijke rechter de kerkelijke goederen, men ontzag zich niet hen een tijdlang buiten heel de Christengemeenschap te sluiten. Dezelfde Synode der Hervormde Kerk, die straffeloos toezag, dat predikanten doopten in de naam van geloof, hoop en liefde, besloot onder praesidium van ds. M. A. Perk - in de vrije tijd voorzitter van het Toneelverbond - de Doop van de dolerenden niet te erkennen. Zolang deze zich niet als kerkverband geconstitueerd hadden, werden de kinderen 'herdoopt'. Kuyper had verwacht, dat het voorbeeld van Amsterdam algemeen navolging zou vinden. Maar al bleef uit wat hij zich had voorgesteld, toch betekende de Doleantie een geweldige aderlating voor de Nederlandse Hervormde Kerk. Een uittocht van ongeveer 100.000 Gereformeerden was het gevolg van zijn hervorming. In 1892 kwam de vereniging tot stand met de Christelijke Gereformeerden onder de naam: Gereformeerde Kerken in Nederland. Hoewel ook toen niet alle kerken der Afscheiding meegingen: de Christelijke Gereformeerde kerken bestaan tot op heden voort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's