Het geding om de kerk tussen Kuyper en Hoedemaker (3)
Tijdens zijn leven werd Kuyper door zijn volgelingen bemind, ja vereerd. Anderzijds wekte zijn optreden en zijn streven bittere weerzin en haat.
Kuypers visie op de kerk
Tijdens zijn leven werd Kuyper door zijn volgelingen bemind, ja vereerd. Anderzijds wekte zijn optreden en zijn streven bittere weerzin en haat. Misschien zijn we in onze tijd wat beter in staat om te waarderen wat Kuyper bezield heeft. Naar mijn mening was dat een sterke en diepe liefde voor Christus en Zijn Kerk. Maar Kuyper kon die liefde niet kwijt in de bestaande Hervormde Kerk. Die kerk had geen karakter en geen duidelijke Bijbelse boodschap. Na veel zoeken vond hij tenslotte bij Calvijn een kerkideaal, dat hij wel kon liefhebben. Tegelijk besefte hij dat de afstand tussen de zestiende en de negentiende eeuw ontzaglijk groot was. Calvijn en de andere reformatoren staken nog diep in de middeleeuwse cultuur en hij, Kuyper, wilde een modern cultuurmens zijn. Daarom moesten de lijnen van Calvijn worden doorgetrokken naar het heden. Kuyper kwam er rond voor uit dat zijn vorm van Calvinisme verder ging dan Calvijn. De uitdrukking 'Neo-Calvinisme', door de tegenstanders voor zijn theologie gebruikt, wees hij niét af. Om te beginnen zag Kuyper in de kerk en de cultuur een grote tegenstelling of antithese optreden. Enerzijds zijn er mensen, die het wezenlijk bederf van de menselijke natuur ontkennen en niet willen weten van schuld en verduistering van ons verstand.
Voor hen is de redelijke godskennis voldoende en openbaring achten zij onnodig. Anderzijds staan zij, die uitgaan van het schuldgevoel, voor wie de verzoening door het Lam van God onmisbaar is en die de menselijke rede geen betrouwbare gids meer achten. De laatsten hebben er weet van, dat de mens wedergeboren moet worden, de eersten missen dit besef. Centraal staat in deze gedachtengang het begrip van de wedergeboorte. De wedergeboorte is de manier, waarop de predestinatie zich in de mens verwerkelijkt. Het zaad van de wedergeboorte wordt op grond van Gods verkiezing in de mens gelegd. Kuyper zegt dus niet met Calvijn, dat wij door het geloof worden wedergeboren. Hij legt, als Comrie, de oorsprong van het nieuwe leven in de eeuwigheid en daaruit komt dan het geloof voort. Kuyper ziet de wedergeboorte als een zijnsverandering, als een ingestorte nieuwe kwaliteit, een 'invloeien van het goddelijk leven in ons hart'. En nu is het onze roeping 'het goddelijk leven, zoo het u werd ingestort, al meer in uw menselijk bewustzijn te doen ingaan'. Het vermogen om te geloven heeft God als een zaad der wedergeboorte in ons gelegd. Uit dit zaad 'kiemt te zijner tijd de stengel des geloofs', die uitbot in de bekering en vrucht draagt in geloofsdaden. Predestinatie en wedergeboorte zijn voor Kuypers kerkbegrip van fundamentele betekenis geweest. De predestinatie splitst het menselijk geslacht in twee stromen: hen in wie het nieuwe leven der wedergeboorte gelegd is en de anderen bij wie dit niet het geval is. Krachtens de wedergeboorte behoren wij tot de kerk; daarop kan ook de kinderdoop gefundeerd worden. 'Onze kerken doopen niet als konden zij door den Doop iemand wederbaren, maar in de veronderstelling, dat de dopeling vooraf wedergeboren is'. Ook dit had Kuyper niet zozeer bij Calvijn gevonden, maar bij Ursinus en Voetius. Overigens bedoelt Kuyper zeker niet alle nadruk te laten vallen op de verkoren en wedergeboren enkeling. Hij heeft wel degelijk gezien, dat God werkt in de lijn der geslachten met Zijn Genadeverbond. Zo is het van Gods kant. Aan de kant van de mensen gaat het er om, dat de verkorenen, wedergeborenen, gelovigen, elkanders gemeenschap zoeken. Zij verenigen zich op grond van de belijdenis, door een vrijwillige toetreding, die echter óók hun schuldige plicht is als daad van geloofsgehoorzaamheid. Op overeenkomstige wijze ontstaat dan ook het landelijk verband van de plaatselijke kerken, op de manier van een vrije toetreding, een confederatie, op grond van de belijdenis als akkoord van kerkelijke gemeenschap. Voorwaarde en tevens grens van eenheid van kerkformatie is gelegen in eenheid van overtuiging; waar deze ontbreekt kunnen wel andere formaties ontstaan, aan welke men de erenaam van kerk niet mag onthouden, maar dan is er toch wel sprake van een geringere graad van zuiverheid.
Er is terecht op gewezen dat Kuyper in dit kerkbegrip toch wel heel sterk van de mens uitgaat. Dat zal ook wel samenhangen met zijn voorliefde voor het kerkbegrip van de Emdense reformator Joh. A. Lasco, over wie hij zijn proefschrift schreef. Kuyper ziet de kerk dus veel meer als een vereniging, een menselijk samengaan, dan als een stichting, een planting Gods. De kerk is bij hem vooral de vergadering der gelovigen, op grond van predestinatie en wedergeboorte. Op deze lijn doorgaande kan Kuyper niet anders, dan de gedachte van de volkskerk afwijzen. In de eerste plaats staat deze volkskerk immers niet op de grondslag van een gemeenschappelijke belijdenis, maar ze is een staats- en massakerk, een valse eenheid, een onnatuurlijke band van gereformeerden en ongereformeerden, waar de wereld van alle kanten binnenstroomt. Deze volkskerk is zijns inziens niet anders dan een overblijfsel uit het Jodendom, een nationalisering van wat bij Rome de wereldkerk is. Deze onnatuurlijke band moet verbroken worden, opdat de natuurlijke, dat is de geestelijke, band van hen die bijeenhoren zich kan herstellen. Zij weten zich dan ook geroepen, op grond van het ambt der gelovigen, de reformatie der kerk ter hand te nemen. In de tweede plaats is deze gedragslijn ook geheel en al in de geest van de tijd. Die vraagt immers naar ontplooiing van het individu, vrijheid en democratie. En terecht, want God heeft in Zijn schepping een natuurlijke veelvormigheid gelegd. In de Reformatie is de kerk uit haar valse eenheid verlost en dit splitsingsproces moet voortgezet worden. Van secten moest Kuyper evenwel niets hebben, hij pleitte voor vrije, zelfstandige gemeenten. Volgens Kuyper zien de aanhangers van de volkskerkgedachte over het hoofd, dat ook buiten de kerk genade, algemene genade, werkt. Deze algemene genade - door hem meestal 'gemene gratie' genoemd - is het, die de zonde bedwingt en Gods schepping in stand houdt en die de particuliere genade (door welke God Zijn kinderen toebrengt) mogelijk maakt. Voor de kerstening van het volksleven heeft Kuyper de volkskerkgedachte niet nodig. Daarvoor gebruikt hij de idee van de kerk als organisme (organisaties, politieke partijen). Dus in plaats van een rechtstreekse een middellijke, indirecte , invloed van de kerk op de maatschappij. Daarom doet Kuyper ook met klem een beroep op de gelovigen om actief deel te nemen aan cultuur een politiek.
Voor Kuyper is de grondgedachte van het calvinisme: de losmaking van staat en maatschappij uit de macht van de kerk. Volkskerk staat voor hem gelijk met staatskerk. Als men de kerk te ruim opvat en niet ziet als een vergadering van gelovigen, dan wordt optreden tegen leervrijheid door middel van tucht onmogelijk. In zijn kerkbegrip heeft Kuyper al vroeg onderscheid gemaakt tussen de kerk, gezien als organisme en de kerk als instituut. Deze onderscheiding is van groot belang voor zijn visie op de verhouding christendom en cultuur, kerk en volk, kerk en staat. In zijn intreerede te Amsterdam, 10 augustus 1870, onder de titel 'Geworteld en gegrond', over Efeze3 : 17, komt deze onderscheiding voor het eerst naar voren. Geworteld is dan de kenschetsing van het organische leven; gegrond duidt het instituut aan. Beide worden afgeleid uit het eigen beginsel der Kerk: de eeuwige verkiezing. Het organisme is het wezenlijke, de kerk als lichaam van Christus. Het instituut is de vorm, het tijdelijke, de kerk als uitwendig waarneembare grootheid met haar ambten, vergaderingen, kerkorde, sacramenten, enz.
Wanneer we nu vragen naar de verhouding van de kerk en de staat, dan gaat het bij Kuyper allereerst om de kerk als instituut; de kerk als organisme kan de overheid niet onderscheiden. Wat is de taak van de kerk ten opzichte van de staat? Een publieke plaats en functie kent Kuyper de kerk niet toe. De overheid regeert niet in de eerste plaats bij het licht van Gods Woord, maar bij het licht van de algemene, natuurlijke openbaring, volgens het ingeboren besef van recht en gezag. In de Schrift ligt Gods wil immers verborgen. De Schrift is geen wetboek, zij bevat alleen beginselen. De staat mist te enenmale het orgaan om Gods Woord te verstaan. Alleen de gelovigen, met name de gelovige overheidspersonen, zijn daartoe, door schriftonderzoek en prediking der kerk, in staat. Door middel van de gelovigen moet de kerk de publieke opinie en vervolgens de wetgeving en zo de regering beïnvloeden. Dus geen rechtstreekse, maar een zijdelingse invloed, via de omweg van de organisatie. De stichting van bijvoorbeeld de Vrije Universiteit is zo verklaarbaar, hoewel deze door Kuyper in de eerste plaats werd ondernomen op grond van de bovengenoemde antithese. De aan een christelijke universiteit gevormde gelovigen zouden als vertegenwoordigers van de gemeente moeten onderzoeken wat op het gebied van recht en staat het gewettigde verlangen van de belijdenis is. Geen overheid kan beoordelen welke kerk de ware is. De enige roeping van de overheid is de kerk in haar veelvormig optreden geheel vrij te laten ontwikkelen. De kerk treedt op als een verschijnsel van een geheel eigen soort, met haar eigen gezag. Kuyper wijst de gedachte dat de kerk enkel een vereniging is volstrekt af. De overheid moet zich daarom ook volkomen buiten het bestuur van de kerk houden.
Dat er vele kerken zijn, ziet Kuyper niet als iets onnatuurlijks of iets zondigs. Het is een van God gegeven wet. En sinds de Reformatie is deze veelvormigheid, deze pluriformiteit, zelfs een historisch verschijnsel. Want de Reformatie legde immers veel meer de nadruk op het subjectieve element in de kerk, de gelovigen, dan op het objectieve element, het leergezag. De eenheid van de zichtbare kerk is volgens Kuyper een illusie; dat is iets van de eindtijd. Daarom kon Kuyper ook geen waardering opbrengen voor het theocratisch ideaal van Calvijn. 'Heel de kerk en heel het volk', zoals Hoedemaker het later zou uitdrukken, was voor hem een zaak die niet meer paste in de negentiende eeuw. De theocratie was een Middeleeuws ideaal en ging terug op het Oude Testament. 'Theocratisch wordt een volk alleen geregeerd, als God Zelf, zonder tusschenkomst van menschen, aan een volk, gelijk eens aan Israël, de wet geeft; ... de Theocratie bestaat alleen daar waar de monarchale macht rechtstreeks door God Zelf wordt uitgeoefend, zoals door de Urim en de Thummim en de inspiratie der profeten geschiedde'. In deze zin is de theocratie alleen iets van het begin en van het einde, van het paradijs en van het Rijk der heerlijkheid. Voor een theocratische inrichting van kerk en staat kan men geen beroep doen op het Oude Testament, op de situatie in Israël. Wel is er zijns inziens sprake van een nieuwtestamentische theocratie waarin de overheden als tussenpersonen - dus niet rechtstreeks - aan God hun heerschappij ontlenen. Dat er bij Kuyper geen sprake kan zijn van een staat met de Bijbel, zal na het bovenstaande geen verwondering wekken. Op zijn hoogst zijn er enkele overheidspersonen met de Bijbel. Wel acht Kuyper de overheid gebonden aan het protestants karakter van de natie. Niet een kerk maar het nationale leven staat tegenover de overheid. Een kerk die volgens haar eigen recht zou vaststellen wat voor de staat geldt, 'zulk een theocratie in een gemengde gemeenschap wenschen we niet'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's