De maatschappij van welstand (3)
Het is echter de vraag of de manier waarop de maatschappij haar doelstellingen heeft trachten te realiseren, altijd even verheffend is geweest.
Wat betreft de geestelijke strekking van de maatschappij, zo daar al van gesproken kan worden, deze moet geheel gezien worden binnen het geestelijke klimaat van de 19e eeuw. De doelstelling van de maatschappij was o.m. om de 'ondersteunden' op te leiden tot een 'verlichte kennis en getrouwe beoefening van het christendom'. Opvoeding tot allerlei christelijke en maatschappelijke deugden stond voorp. De geest van de liberale Theologie van de vorige eeuw straalt er van af. Met name de Groninger Theologie van prof. Hofstede de Groot heeft zijn stempel erop gedrukt. Prof. Hofstede de Groot was zelf lid van de maatschappij. Eén van de centrale gedachten van de Groninger Theologie was de opvoedingsgedachte. Het Evangelie diende tot opvoeding van het mensdom tot hoger waarden en hoger niveau! In dit verband zij opgemerkt, dat de leiding van de maatschappij van welstand zeer afkerig was van de afscheiding. Het protestantisme in het zuiden werd daar van nabij mee geconfronteerd, daar immers de afscheiding mede begon in de gemeente Genderen en Doeveren. Het woord 'Scholtianen' was zeer belast. Met de afscheiding werd over een kam geschoren een man als ds. A. P. A. du Cloux, hervormd predikant te 's-Grevelduin-Capelle, die rond het midden van de vorige eeuw een stempel op die gemeente heeft gedrukt en van heinde en ver mensen trok. Dit veroorzaakte soms deining in de omliggende gemeenten van de Langstraat. Wanneer op een gegeven moment onder steunden van de maatschappij lieten merken, dat zij niet zo gelukkig waren met de prediking, die in de gemeente, waarin zij gevestigd waren, werd gebracht, dan werd hun dit door de bestuurders van de maatschappij niet bepaald in dank afgenomen. De maatschappijbestuurders stond voor alles vrede en harmonie voor ogen. Daarom werden de aspirant-ondersteunden eerst onderzocht op hun geestelijke ligging. Deze moest overeenkomen met de ligging van de gemeente, waarin zij gevestigd zouden worden. Een aspirant-ondersteunde van orthodoxe inslag moest niet geplaatst worden in een liberale gemeente, daar men dan voorzag, dat zulks spanningen zou veroorzaken of openlijk protest tegen de prediking ter plaatse. Anderzijds moet ook gezegd worden, dat een aspirant-ondersteunde van vrijzinnige inslag bij voorkeur niet in een gemeente geplaatst werd van orthodoxe inslag. In zo'n gemeente werd bij voorkeur iemand geplaatst met dezelfde ligging. Hieruit is weer af te leiden, dat de maatschappij officieel niet een bepaalde kerkelijke richting vertegenwoordigde, hoewel het er in de praktijk op neer kwam, dat de leiding de geestelijke sfeer van de 19e eeuw ademde. De instelling van de maatschappij was met name pragmatisch en had vooral rust en harmonie op het oog.
De vraag kan dan gesteld worden, wat nu de diepste motieven waren voor het zo groots opgezette streven van de maatschappij. Men zou zich afvragen, waarom men zich er dan zoveel aan gelegen liet liggen om hervormde predikantsplaatsen in stand te houden, wanneer een duidelijke theologische stellingname ontbrak.
Bij dit alles moet men zich echter realiseren , dat het verlichte protestantisme nu niet bepaald gepaard ging met een eucumenisch besef, zoals dat heden ten dage genoemd wordt. Ook het verlichte protestantisme van de vorige eeuw kenmerkte zich door een grondige afkeer van Rome. Het Rooms-Katholicisme werd gezien als een bevoogding van het menselijk denken. Daarom zag men hoe dan ook in Rome een gevaar en een sta in de weg voor 'de opvoeding tot allerlei christelijke en maatschappelijke deugden'. In dat verband zag men er alles aan gelegen liggen, dat kwijnende hervormde gemeenten in het zuiden zoveel mogelijk in stand moesten worden gehouden en derhalve ook de predikants-plaatsen gered dienden te worden. Het uitgangspunt van de Maatschappij van Welstand was echter geen bestrijding van het Rooms-Katholicisme, doch een handhaving van het Protestantisme (zeg de Hervormde Gemeenten) in het zuiden van ons land.
Aan deze stellingname lag wel ten grondslag de scherpe verhouding tussen protestanten en katholieken in de vorige eeuw met name in het zuiden.
Hoe snel deze situatie explosief kon worden blijkt wel uit het volgende voorval, dat zich in 1847 voordeed in Heeswijk, welk voorval bekend is geworden als de 'kerkplundering van Heeswijk'.
In het met Dinther gecombineerde Heeswijk was in 1822 voor de daar destijds nog wonende hervormden een nieuwe kerk gebouwd, maar 25 jaar later was het zielenaantal ter plaatse gedaald tot een zeer klein getal. In de loop der jaren was het beste rneubilair uit de kerk van Heeswijk dan ook overgebracht naar de kerk van Dinther. Eenmaal per maand kwam toen nog de predikant van Dinther in de kerk van Heeswijk preken voor een gehoor, dat hij grotendeels zelf meebracht. Merkwaardigerwijze was het toezicht op de kerk toevertrouwd aan een bij die kerk wonende rooms-katholieke familie, die het gebouw schoonhield en de sleutel bewaarde.
In 1847 was er een hervormde jongeman uit Rotterdam in Dinther uitbesteed om daar het vak van boekbinder te leren. Deze jonge man had zich bereid verklaard om in zijn vrije tijd de Bijbels en gezangenboekjes van de kerk van Heeswijk thuis in Dinther opnieuw in te binden. Van tijd tot tijd ging hij dan ook die Bijbels en boekjes ophalen. Hij had echter het gebrek nogal slordig te zijn en liet alzo de deur van de kerk nog al eens openstaan.
Op vrijdag 24 september 1847 begaf de boekbinder zich weer eens naar de kerk van Heeswijk. Daar hij met de Bijbels en de boekjes bijna gereed was, wijdde hij nu ook zijn aandacht aan de kanselbijbel. Daar daarin nogal wat bladen gescheurd waren, verwijderde hij die uit het Boek om ze thuis bij te plakken en dan later weer opnieuw in te naaien. Helaas vergat hij ook nu weer om de deur van de kerk te sluiten. Mogelijk waaide de deur vanzelf in het slot, mogelijk is ook dat de deur later door een voorbijganger op een onhandige manier in het slot werd geworpen. Toen op zaterdag 2 oktober een 10-jarig meisje in opdracht van haar moeder de kerk wilde gaan aanvegen met het oog op de maandelijkse predikbeurt de komende zondag, kon zij de deur niet openkrijgen. Met behulp van anderen gelukte dat toch, maar dat gebeurde op hardhandige manier, zodat de kerk daarna niet goed meer te sluiten was.
Wanneer dan die zaterdagmiddag een viertal Heeswijkse kinderen met hun zakken vol noten langs de kerk komen, zien zij de deur op een kier staan. Nieuwsgierig als ze zijn hoe 'zonne kerk van protestaanten' er van binnen wel uit zou zien, gaan zij het kerkgebouw binnen. Spoedig ontdekken zij, dat het kanseldeurtje heel goed als notenkraker kan dienen. De basten van de noten springen door de kerk en komen op de openliggende Bijbel terecht. Eén van de 4 kinderen, een jongetje, kreeg van zijn vriendje de aanmoediging: 'Gaode gij ins preeke' . Het jongetje voldoet aan dit voorstel en bestijgt de kansel. Nauwelijks is hij echter boven of de andere kinderen roepen ontsteld: 'Daar komt de burgemeester aan'. De schrik slaat het jongetje dat de kansel is bestegen in zijn beentjes en nog sneller dan hij op de kansel gekomen is, is hij er weer af: Hij valt eenvoudig naar beneden en sleurt in zijn tuimeling ook het wrakke deurtje van de preekstoel mee dat op de vloer van de kerk in twee stukken blijft liggen. Overhaast verlaten de kinderen de kerk. De volgende dag, zondag 3 oktober, arriveert ds. Deerns van Dinther bij de Heeswijkse kerk en hij kan zijn ogen niet geloven. Het slot van de deur is geforceerd: overal in de kerk liggen basten van noten; het deurtje van de kansel is vernield en uit de kanselbijbel zijn bladen gescheurd. Eén der kerkgangers heeft op de heide tussen Heeswijk en Dinther een los blaadje uit een gezangboek gevonden (kennelijk verloren door de leerling-boekbinder). Bij verder onderzoek ziet ds. Deerns, dat ook de voorlezerslessenaar in de kerk verschoven is.
De conclusie is snel getrokken. Uiteraard zijn roomse onverlaten de kerk binnengedrongen om deze te plunderen. Vol verontwaardiging begeeft ds. Deerns zich naar de burgemeester (die hervormd was) om aangifte te doen van het gebeuren. De burgemeester reageert nogal lauw. Hijzelf was erbij, toen op de voorafgaande zaterdag het 10-jarige meisje de deur van de kerk niet open kon krijgen, zodat hij het verhaal over het forceren van het slot met een korreltje zout neemt. De rest van het verhaal is hem ook duidelijk, als hij zich uit de kerk vluchtende kinderen van de vorige dag in herinnering roept. Ds. Deerns vertelt het voorval aan een aantal collega's, waaronder ds. Pape van Heusden. Dezen zijn het erover eens, dat er ingegrepen moet worden. Nu had ds. Pape een zoon, die op dat moment Officier van Justitie in Den Bosch was, mr. J. W. D. Pape. Kennelijk daartoe aangezet door zijn vader, ontbiedt mr. Pape onmiddelijk een brigade van de marechaussee en in gestrekte draf gaat het (de Officier van Justitie voorop) naar Heeswijk. De burgemeester wordt ook bezocht en hij blijkt nog niet eens probes-verbaal te hebben laten opmaken. Hij krijgt instructies de zaak met kracht aan te pakken en de volgende dag vordert mr. Pape een gerechtelijk vooronderzoek . Uiteraard is uiteindelijk deze zaak met een sisser afgelopen. Binnen het bestuur van de maatschappij heeft het alleen tot gevolg gehad, dat de betrokken burgemeester, die één der administrateurs was van de maatschappij, bij het bestuur in ongenade viel. Men was kennelijk reeds niet tevreden over zijn administratie.
Dit komische voorval bewijst ondertussen hoe gespannen de verhouding in het zuiden was tussen de protestantse minderheid en de rooms-katholieke meerderheid.
Zo nodig, dan werd alles wel iets gezocht als een daad van agressie van de andere kant.
In dit licht is het te verstaan, dat geheel protestants Nederland in het begin van de vorige eeuw met zorg de situatie in het zuiden gadesloeg, hoe daar tal van hervormde gemeenten zo klein waren geworden, dat het zielental beneden de bepaalde grens van 50 dreigde te komen, zodat de predikantsplaats niet meer vervuld kunnen worden. Men zag het al gebeuren, dat voor het protestantisme in het zuiden het doek zou vallen en dit zou betekenen, dat de geestelijke ontwikkeling in dat deel van ons land stil zou komen te staan. Vandaar, dat men er zonodig alle moeite voor wilde getroosten om deze ontwikkeling een halt toe te roepen. Tegen die achtergrond werd de Maatschappij van welstand opgericht. Het is echter de vraag of de manier waarop de maatschappij haar doelstellingen heeft trachten te realiseren, altijd even verheffend is geweest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's