De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Verwarring, dat is het woord dat in de evaluaties van de seminaars het meest geklonken heeft.

Tien jaar Jeruzalem-seminaars

In het begin van de jaren zeventig werden er in samenwerking met dr. J. Schoneveld, theologisch adviseur van de Ned. Herv. Kerk in Jeruzalem, plannen gemaakt voor een jaarlijks theologen-seminaar in Jeruzalem, waarbij het zou gaan om een ontmoeting met het Jodendom van nu en waarbij de deelnemende theologen uit verschillende kerken zouden komen. Na tien jaar maakt Marius Groeneveld in Ter Herkenning (juli nr. 1984) de balans op. Over het aspect van de ontmoeting, het luisteren naar joodse stemmen schrijft hij:

'In het begin heeft dat best wel eens spanning gegeven, wanneer uit de kring van de deelnemers de behoefte kwam te reageren, in debat te gaan, of "een goed woord te spreken voor onze Heer". Die neiging is in de loop van de jaren afgenomen. De opzet van de seminaars-als-geheel versterkte het leer- en luisterelement en ik denk, dat zowel zij die voor de opzet van de seminaars verantwoordelijk waren als zij die eraan deelnamen, overwegend die ontwikkeling naar luisteren en leren positief hebben ervaren. De opmerking, dat de seminaars-als-geheel het luister-karakter versterkten, dient nader te worden toegelicht.

Vanaf de eerste voorbereiding stond voor ons vast, dat het seminaar, wilde het een ontmoeting met het Jodendom zijn, niet beperkt mocht blijven tot theologie. Daarom werd in de programma-opbouw gestreefd naar de afwisseling van een theologisch thema en ontmoetingen met het huidige Jodendom: de staat Israël en zijn burgers. Die opzet kwam niet voort uit de gedachte dat je, eenmaal tóch in Israël, die aspecten mooi op de koop toe kon nemen, maar uit de overtuiging, dat het Jodendom als godsdienstig verschijnsel niet los te zien is van het Jodendom als maatschappelijk en politiek verschijnsel. Zo werden in elk seminaar de lezingen rond het theologische seminaar-thema niet onderbroken, maar vergezeld door ontmoetingen met gevarieerde sectoren van de joodse samenleving. Het zal niemand verwonderen, dat daarbij vooral de politieke problematiek onze aandacht vroeg. Daarbij werd geprobeerd, zoveel mogelijk politieke stromingen, die in Israël een rol spelen, aan bod te laten komen. Niet alleen van uiterst links tot uiterst rechts, maar ook uit de niet-joodse bevolkingsgroepen: Arabieren, Palestijnen, Druzen. Methodisch was de opzet van de seminaars erop gericht, de verschillende onderdelen zo veel mogelijk in een geëigende omgeving te laten plaatsvinden.

Voor de thema-lezingen werd heel Jeruzalem doorkruist, bij voorkeur wandelend, anders met de Egged-bus. Van Mount Scopus tot Givat Ram via synagogen en openbare instellingen. De ontmoetingen op politiek vlak leidden meestal tot gesprekken in het parlementsgebouw. De kibboets werd bezocht, de Arabieren in hun dorpen, de Palestijnen op de Westbank, de Israëli's in hun nederzettingen op de Westbank, de orthodoxe Joden in hun kibboets, de liberale Joden in hun synagoge, de studenten in hun universiteit... en wat zich verder tijdens de tochten door het land toevallig of bedoeld op onze weg bevond. Gedurende de laatste seminaars werden deze ervaringen geconcentreerd tijdens een interviewmiddag, waarop de deelnemers met een rond het seminaar-thema geformuleerde vraag Jeruzalem introkken om er aan Jan en alleman naar een mening te vragen over de komst van de messias of de herbouw van de tempel. De middag, waarop van die ervaringen verslag gedaan werd ging tot de boeiendste onderdelen van het programma horen.

Voor mij bestaat er tussen die twee hierboven genoemde facetten van het programma - de theologische benadering en de politieke - als het om de ontmoeting met Israël gaat geen scheiding. Theologie kan niet bedreven worden zonder zicht op de realiteit - en verbondenheid met de realiteit - en de maatschappelijke werkelijkheid kan niet verstaan worden buiten de theologie om. Dat geldt voor elke situatie, maar in Israël schep je het van de straatstenen.'

Aan alle seminaars namen zowel belgische als nederlandse deelnemers deel, zowel Protestanten als Rooms-Katholieken. Van de onderwerpen kunnen genoemd worden: Israel, land, volk, staat; Toekomstverwachting; Het offer van Abraham; de Messias; Anti-Judaïsme, Profetie en vervulling. In zijn evaluatie zegt Groeneveld:

'Wat "deden" ze. Ze losten in ieder geval niets op. Ze openden wel ogen en wegen. Ze gaven hoop op de moelijkheid dat we, met veel inspanning, begrip en aanvaarding, elkaar misschien na eeuwen van verwijdering wellicht wat nader zullen komen. Want als er één ding is, waarvan je doordrongen raakt, is het, hoe enorm de kloof is tussen Joden en Christenen. Weliswaar kennen we van Buber de twee wijzen van geloven, met de nadruk op de emoenah dan wel op de pistis; zijn betoog lijkt niet meer dan een randopmerking voor wie ervaart, hoe in de loop van de eeuwen die twee uit elkaar gegroeid zijn. Want het moge waar en te wensen zijn, dat de kloof geen grote theologische diepte heeft, de historisch-sociologische breedte zal moeilijk te overbruggen zijn. En Plusser mag tijdens het eerste seminaar de hoopgevende stelling hebben geponeerd, dat Christendom en Jodendom werkelijk één geloof zijn (Christianity and Judaism are really one faith, stelling 56), een klemmende vraag zal zijn, hoe je dat, wanneer je het eenmaal zou kunnen ervaren, ook waar maakt. Want het historische proces, dat zich heeft ontwikkeld, is niet alleen een verwijderingsproces geweest, maar lijkt ook een proces te zijn, geweest - en dat ligt voor de hand - waarbij aan beide zijden een theologie is ontwikkeld die, via sterk apologetische processen, zich afzet tegen de theologie van "de ander". Zo bleek bijvoorbeeld tijdens de voorbereidingsbijeenkomst van het seminaar Profetie en Vervulling de verwachting sterk gericht te zijn op de vraag, hoe de joodse inleiders zullen denken over een theologie, die Christus als de vervulling van de profetieën ziet. Wanneer dan Jezus als mogelijke vervulling van profetieën in de joodse inleidingen helemaal niet blijkt voor te komen demonstreert dit de afstand tussen joods en christelijk denken. Daar zouden veel voorbeelden aan toe te voegen zijn. Beter dan daarover geïrriteerd te raken en te constateren, dat de joodse inleiders zich slecht van hun taak gekweten hebben is de conclusie, dat zelfs voor hen die open willen staan voor deze joodse wortels, de vanzelfsprekendheid van onze uitgangspunten moeilijk de baas te worden is. En wie wel bereid - en in staat! - is die zekerheden in de waagschaal te stellen raakt in verwarring. Verwarring, dat is het woord dat in de evaluaties van de seminaars het meest geklonken heeft.'

Natuurlijk is het belangrijk als vooroordelen weggenomen worden. In die zin kan verwarring positief zijn. Toch kan men zich afvragen of er ook niet iets anders aan de hand is, nl. het feit dat alle dialogen ten spijt, hier toch twee geloofsvisies op elkaar botsen die niet te verenigen zijn. Kan de christelijke gemeente ooit afzien van de belijdenis dat Christus de vervulling is van de profetie? En zal de weg van de Jood niet altijd weer uitkomen bij de Talmoed? Het gaat maar niet om een afzetten van de ene theologie tegenover de ander. Maar om de uniciteit van het getuigenis inzake Jezus de Christus der Schriften, zoals dat van meetaf aan in de apostolische prediking verwoord is.

***

Vacantietijd

In de pastorale notities in Opbouw gaat ds. A. H. Algra in waarom kerkelijke periodieken in vacantietijd zo mager zijn. Alles staat in het teken van de vacantie. Begrijpelijk is men geneigd te zeggen: De werkers hebben vacantie en de lezers idem dito. Maar hoe zit het met de thuisblijvers?

'De meeste mensen zijn immers toch weg? Misschien. Maar de zieken niet. Ook de mensen niet die een zware handicap hebben. Dan zijn er bovendien nog tallozen, die zich geen vakantie permitteren kunnen en er zijn mensen, die weliswaar niet zelf ziek zijn, maar die thuis blijven om hun kinderen, of om hun oude vader of moeder: "Wij kunnen gewoon niet weg om vader, die alleen zit". Al die mensen concluderen dat er "niks op de t.v. is" en hun tijdschrift, daar staat ook al niet veel in. Maar de "Kerk" slooft zich uit! Zij wil dienstbaar zijn aan de recreanten. Ze verschijnt op het kampeerterrein en een dominee begint zijn luchtige opwekkende toespraak, zoals al zijn ambtsbroeders dat doen, met een opmerking over het weer, een grapje daarover en dan een meditatie over het woord "recreatie", waarvan hij zegt dat het "herschepping" betekent. En nu mogen de hoorders zich herscheppen, zich recreëren, zo is de moraal van het verhaal. Maar wie herschepping nodig hebben, dat zijn niet de recreanten, doch de invaliden thuis. De kerkdiensten voor de radio en de t.v., dat zijn in deze tijd diensten vanuit de bossen of vanaf het strand. De "Kerk" toont daarmee dat ze bij de tijd is en zich kan aanpassen bij de mensen die weg zijn. Ze zou moeten gaan naar de mensen die thuis moesten blijven, geloof ik. Ik kan me de bitterheid van een rolstoelpatiënte voorstellen, die het al pijnlijk genoeg vindt dat zij en haar man er nooit eens op uit kunnen trekken en dat dan de kerk het al maar over vakantie heeft. De thuisblijvers moeten toch niet onder de vakantie lijden. Je moet respect heben voor de mensen van de ziekenomroepen, die gewoon doorgaan, alsof het in 't geheel geen vakantie-tijd is.'

Men zal het een doen en het ander niet nalaten. Laat de kerk present zijn in recreatiecentra , maar tegelijk de thuisblijvenden niet vergeten. Er ligt een belangrijke pastorale taak, juist in de zomertijd, voor de groep die gedwongen thuis moet blijven. Het is goed dat collega Algra daarop attendeert.

***

Gerechtvaardigde verschuiving?

In het Centraal Weekblad van 22 juni gaat prof. dr. K. Runia in op de nota 'Visie en werkelijkheid' die de Raad voor de zending vorig jaar aanbood aan de Herv. Synode. Een van de pijlers is de gedachte van het Rijk Gods. Runia schrijft over deze pijler die het gebouw van deze nota draagt:

'De tweede pijler die-de nota "Visie en werkelijkheid" draagt is de gedachte van het "Rijk Gods". Ook dit wordt terecht centraal gesteld. Maar ook hier moeten we de vraag stellen: hoe wordt het ingevuld? Er worden enkele zeer algemene omschrijvingen gegeven. Bijvoorbeeld het Rijk Gods is de volstrekte zeggenschap van Gods liefde, gerechtigheid en vrede. En: de gemeente is Gods bondgenoot in de messiaanse strijd tegen zelfzucht, onrecht en geweld.

Op zichzelf hoeft men geen enkel bezwaar tegen deze omschrijvingen te hebben. Het probleem ontstaat pas, als dit alles is wat gezegd wordt, want dan moet men concluderen dat het volstrekt onvolledig is en daar om éénzijdig is, Ook nu valt alle nadruk weer op de horizontale relaties, d.w.z. de relaties tussen mensen, groepen en volken. Maar is dat inderdaad het centrale punt in Jezus' rijksprediking? In zijn grote studie De komst van het Koninkrijk heeft prof. Herman Ridderbos ook een hoofdstuk over het "heil" van het Koninkrijk. Hij begint dan met een paragraaf over "de vergeving der zonden". Hij schrijft aan het begin ervan dat het kenmer­kend is voor de hele nieuwtestamentische verkondiging dat ze verlossing allereerst opvat als overwinning van zonde en schuld (189). Dat geldt niet alleen van de paulinische verkondiging van het Koninkrijk der hemelen. Het is de messiaanse proclamatie dat de grote heilstijd is aangebroken, "waarvan de kern en samenvatting de vergeving der zonden is" (191).

Precies hetzelfde vinden we bij Hans Küng in zijn magistrale studie over De Kerk, die hij geheel ziet tegen de achtergrond van Jezus' verkondiging van het Rijk. En wat is dat Rijk? De "Godsheerschappij" is voor Jezus allereerst "het heilsgebeuren voor de zondaars... Aan allen wordt Gods genade, erbarming en vergeving aangekondigd en door het handelen van Jezus nabijgebracht; de openbaring van Gods liefde tot de zondaars wordt het teken van de komende heerschappij van God" (61).

Verschuiving

Er vindt m.i. een fundamentele verschuiving in zending en evangelisatie en in de hele verkondiging van de kerk plaats, wanneer dit centrale gegeven niet meer centraal staat. In een recent artikel over verschuivingen in de kerk (met name in onze eigen kerken) heeft prof. Herman Ridderbos er op gewezen dat deze gedachtengang overal in doorwerkt ("De kerk in het krachtenveld van de tijd", in Wijkende Horizon - Facetten van Nederland in de periode 1958 / 1983, 20vv). In plaats van afstand van de wereld komt er nu solidariteit met de wereld. De inhoud van het gebed verandert: we bidden niet meer allereerst om verlossing uit de nood van de zonde, maar alles is geconcentreerd op de noden van de wereld.

De inhoud van het geloof zelf verandert ook. Woorden als "verzoening" krijgen een andere inhoud: niet meer de door Christus als de Zoon van God herstelde relatie tussen God en de wereld, maar de door de mens Jezus op gang gebrachte vernieuwing van intermenselijke relaties. Ook "gerechtigheid" krijgt een andere inhoud: niet meer de ons in Christus geschonken gerechtigheid, maar het grote kritische beginsel in een wereld vol onrecht en onderdrukking. Vandaar ook dat we hele nieuwe vormen van de 'status confessionis' krijgen, d.w.z. het punt waar het christelijk geloven mee staat en valt: niet meer de kernbegrippen van het christelijk geloof, maar de apartheid (de Hervormde Wereldbond in Ottawa) of de kernbewapening (de Wereldraad van Kerken en Reformierte Bund in Duitsland). Maar hebben die "nieuwe" aandachtspunten'dan niets met het evangelie te maken? Wel degelijk! Maar het is de vraag of je niet fout gaat wanneer ze het hart van de zaak worden.'

Het punt wat Runia signaleert is van veel gewicht. Het gaat maar niet om een bijkomstig detail, maar om de inhoud van de prediking en het getuigenis in de wereld. Natuurlijk mogen we ons niet laten vangen in een onzuivere tegenstelling; horizontaal of verticaal. Maar het gaat er om of het hart van de boodschap ook het hart blijft, nl. de oproep: 'Laat u met God verzoenen'. Het gesprek hierover zal niet mogen zwijgen. Belangrijk voor de ontwikkeling in zending, gemeenterusting en evangelisatie is, welke lijnen er op dit punt getrokken worden. De verschuiving die men bespeurt in de nota is in het licht van het Schriftgetuigenis niet gerechtvaardigd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's