De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

Dr. S. Schoon, Herkenning na de nacht, een nieuw zicht op de verhouding tussen de kerk en het Joodse volk, 122 biz., ƒ 17, 90. Kok, Kampen 1984.

In en na Auschwitz zijn vele joden en christenen op een nieuwe wijze met elkaar in contact gekomen. Er ontstond langzamerhand een nieuw zicht op de relatie tussen kerk en Jodendom. Met deze publicatie wil dr. Schoon de bezinning in de chr. gemeente dienen inzake die relatie. Om de bezinning echt op gang te brengen zijn een aantal gespreksvragen toegevoegd.

Het boekje biedt veel informatie over de diverse standpunten inzake de relatie kerk-Israël, de leer van het verbond, de visie op Jezus de Messias, de verhouding tussen Israël en het werk van de Geest, de exclusiviteit van Jezus, Israël als getuige en de aard van de dialoog.

Grondtoon van het boekje is: Ook na Jezus Christus is God Israël trouw gebleven. Met name Rom. 9-11 worden aan de orde gesteld. De auteur poogt enerzijds aan de betekenis van Jezus als de Messias voor Israël vast te houden, wekt anderzijds toch de indruk dat hij vanuit de leer van de Geest een eigen weg voor Israël ziet in Gods heilshandelen als Gods getuige. Het samen-onderweg zijn naar het Rijk krijgt gestalte in de dialoog, waarbij Schoon veel verwacht van een ontmoeting tussen Israël en de Zuidamerikaanse bevrijdingstheologie. Schoon schrijft weliswaar voorzichtig, met een open oog voor de diversiteit van standpunten.

Toch roept het boekje vele vragen op. Dreigt bij Schoon de Geest in zijn werk niet losgemaakt te worden van Christus? Ontkomt de schrijver er aan om toch uit te komen bij een gematigd twee-wegen concept? Teleurstellend vond ik de exegese van Joh. 14 : 6. Natuurlijk rechtvaardigt een beroep op deze tekst niet wat de eeuwen door Joden is aangedaan. Maar je krijgt bij Schoon de indruk dat alleen voor de christenen Jezus de weg is. Kom je dan nief op gespannen voet te staan met het gehele Johannesevangelie? Waarom zo selectief ten aanzien van Paulus? Waarom ook 1 Kor. 1 : 23-24 niet in de overwegingen betrokken? Kunnen we in de dialoog met Israël ooit om deze verzen heen?

Te denken geeft ook het feit dat orthodoxe rabbijnen zeggen, dat het christendom hen niets wezenlijks te leren heeft. Stuiten we daarmee niet op een fundamentele breuk? Hoe functioneert in een dergelijke dialoog 2 Kor. 3?

Het sympathiek geschreven boekje, dat de lijnen van Schoon's dissertatie verder uitwerkt, daagt ons uit om ernst te maken met de belijdenis dat God trouw blijft aan Zijn volk, roept anderzijds forse tegenspraak op, omdat het voor mijn gevoel toch te weinig laat uitkomen dat er buiten het geloof in Jezus de Messias geen heil is.

A.N.

Dr. J. van Bruggen, Ambten in de apostolische kerk, een exegetisch mozaïek, Kok-Kampen, 1984, 192 pag., ƒ 29, 90.

We mogen de hoogleraar Nieuwe Testament van de Theologische Hogeschool (Broederweg) te Kampen prof. dr. J. Van Bruggen wel erg dankbaar zijn voor bovengenoemde publicatie over 'ambten in de apostolische kerk'. In dit boek komen zowel de apostel als de oudste (te Jeruzalem en in de gemeenten van het zendingsterrein in de tijd van het N.T.) ter sprake, maar ook profeten, herders-leraars, enz. En natuurlijk ook de in de eerste Timotheüsbrief genoemde diaken en de weduwe van 1 Tim. 5. Van Bruggen schrijft op een hem eigen originele, tegelijk pittige wijze, scherp luisterend naar de tekstgegevens. Dat is de winst van dit boekwerk. Vanuit een Gereformeerde manier van omgaan met de Bijbel. En dat komt in onze tijd ook niet dagelijks voor. Men zou wensen, dat een boekwerk als dit het licht had gezien, toen in enkele kerken van Gereformeerde huize (de NHK en de GK) de kwestie van de vrouw in het ambt speelde. Dat is inmiddels al weer 20 tot 30 jaar geleden. En de kwestie is haast geruisloos verdwenen. Ook al zijn de grote vragen m.b.t. wat een ambt is in de Bijbelse zin van het woord inmiddels niet opgelost. Naar mijn inzicht kan Van Bruggens boek hier een instructieve rol spelen, niet in het minst in de discussie, die binnen de Gereformeerde Gezindte de laatste tijd gevoerd wordt met betrekking tot de vraag, waar de vrouw staat in het geheel van het gemeentelijke gebeuren. Van Bruggen ziet haar op grond zijn exegese, die overigens voor mij niet in alle opzichten het laatste woord biedt, vooral functioneren in het diakonaat en zou het liefste zien, dat mannen en vrouwen als diakenen onder de geestelijke leiding van de lerende en regerende ouderlingen werkzaam zouden zijn binnen de gemeente. Zijns inziens gebiedt een eerlijke exegese dit. Mijn inziens echter heeft Van Bruggen niet overtuigend aangetoond dat diakenen in het N.T. op instigatie van opzieners functioneren. Wel meen ik, dat hij aangetoond heeft, dat vrouwen in de gemeenten uit de tijd van het Nieuwe Testament beter functioneerden in het gemeentelijk gebeuren dan dat in de kerken van Gereformeerde origine het geval is geweest en nog is. Alleen daarom al is de studie van Van Bruggen het lezen ten volle waard. Maar dan noem ik slechts één facet. De zaak van het ambt zelf, in onze tijd nogal aangevochten, is het waard dat we die bijbels doorlichten. Het zou daarom, denk ik, ook wel goed geweest zijn, als Van Bruggen het woord ambt, dat hij reeds op de eerste bladzijde van zijn studie zondermeer hanteert, op zijn Nederlandse voorwaarde had getaxeerd en gemeten aan de noties, die in het N.T. inhoudelijk verbonden worden aan de door hem zo genoemde ambten. Bovendien zou over de verhouding ambt en charisma vermoedelijk nog iets uitvoeriger geschreven kunnen zijn en zou een behandeling van de in hoofdstuk 7 genoemde charismata niet helemaal achteraan hebben moeten staan. Overigens zijn dit slechts enkele opmerkingen over het boek van Van Bruggen. Wij zijn blij, dat het boek (keurig uitgegeven door Kok-Kampen) is verschenen en wensen het in veler hand, vooral in die van de ambtsdragers. Bijbels bezinnen op het ambt is in onze tijd een broodnodige zaak.

C. den Boer

Dr. B. Wentsel, De Openbaring, het Verbond, en de apriori's, Dogmatiek deel II; Kampen 1982, 633 blz., ƒ 95, - .

Dit tweede deel van de dogmatiek van Wentsel houdt zich geheel bezig met de vraag welke vooronderstellingen er mee gaan spreken, zodra wij beginnen de Schrift uit te leggen, en in hoeverre deze legitiem zijn. Zijn eigen vooronderstellingen geeft hij telkens na afloop van een stuk weergave van en gesprek mét de traditie, ook in haar ontsporingen, en, in de eigen tijd aangeland, ook na behandeling van eigentijdse stromingen. Wat er dan aan eigen vooronderstellingen uitkomt is niet zo'n grote verrassing, want de eerste 8 hoofdstukken gaan op indringende wijze in op het karakter van de Schriftopenbaring en van de heilsopenbaring. Hoewel de schrijver hier met de inhoud van de dogmatiek bezig is, had hij mijnentwege op deze plaats best een lans mogen breken voor het zo gesmade en in onbruik geraakte vak van de historia revelationis, waarin men vroeger de wording van de inhoud van de godsopenbaring door de geschiedenis heen, ter sprake bracht. Bij Wentsel is het in hoofdzaak zo, dat je zijn vooronderstellingen op dit punt afleest aan allerlei standpuntbepalingen, zoals bijvoorbeeld die inzake de dubbele predestinatie.

We hebben hier een voluit gereformeerde dogmatiek voor ons, en het is mijn overtuiging dat allen die op willen leiden in gereformeerde zin of in die zin opgeleid wórden aan deze eerste complete gereformeerde dogmatiek sinds Bavinck niet voorbij kunnen gaan, en wie dan Bavinck niet heeft overgeslagen zal bij Wentsel veel van hem in moderne toonzetting en vormgegeven op nieuwe fronten, terugvinden.

Niet dat ik niet een paar bezwaren heb. Allereerst vind ik de ordening van de stof wat gewild. Deze noodzaakt dan ook tot doublures. Ik hoop dan ook te zijner tijd op een goed naslagregister aan het slot. Voorts is dit geen doorlees-dogmatiek, maar een raadpleeg-dogmatiek. Dit hangt m.i. samen met de rationele wijze waarop Wentsel de zaken brengt. Ketters zijn niet alleen mensen met afwijkende meningen die afgewezen dienen te worden - anders waren het geen ketters - maar ze zijn ook altijd het zout in de pap van de kerk geweest doordat ze van iets bezeten waren dat de kerk had laten liggen. Iets van deze bezetenheid en gedrevenheid zou ik terug hebben willen vinden bij de weergaven van Wentsel én bij zijn terugwijzen van hetgeen hij onbijbels oordeelt. Zodoende heeft Wentsel een actuele dimensie, een doorleefd accent, niet, dat wij bijvoorbeeld bij Bavinck wél aantreffen. Te weinig ontmoeten we hier een mens van wie we het gevoel hebben dat hij door modern denken is heengegaan en óp heeft moeten krabbelen.

Toch weet ik twee redenen te noemen waarom ik vind dat onderwijsgevenden in de theologie niet aan deze dogmatiek voorbij mogen gaan. De eerste is deze, dat Wentsel gereformeerd klassieke thema's nieuw verwoordt, en dat in een tijd die gewend is ze weg te moffelen omdat we schijnen te leven in een tijd die van oordeel is dat oude schatten niet meer nieuw kunnen zijn, en dat nieuwe schatten per definitie de oude in de schaduw moeten stellen. Wentsel poogt daarentegen te laten zien dat het oude in het nieuwe opengaat. Mijn tweede woord van aanbeveling vindt zijn kracht in de grondgedachte dat gereformeerde theologie om levend en krachtig te blijven en om verdiept en verrijkt te worden - en zelfs dié gereformeerde theologen die in feite volstaan met het verleden te herhalen, zijn het met de mond met deze stelling eens - de kennisname van, het gesprek mét, het luisteren naar moderne eigentijdse theologie nodig heeft als brood. Doen we dit niet, dan zijn we niet alleen ontrouw aan wat gereformeerde theologie wil betekenen, maar missen we ook de kans om haar te verrijken met de vrucht van na-denken over hetgeen in onze tijd omgaat. Daartoe opent Wentsel de mogelijkheden, doordat hij niet alleen de klassieke leer integraal aap de orde stelt, maar ook de eigentijdse stromingen en theologieën, met degelijke literatuurverwijzing.

Veel boekbesprekingen hebben vaak een zin aan het slot in de geest van: men hoeft het niet in alles met de schrijver eens te zijn om . . . Een makkelijke zin, want zo heeft de criticus die waardering bood, zich gelijk ingedekt. Toch een zin die geen onzin is. Ik zou graag eens met de schrijver willen spreken over de combinatie van de woorden algemeen en openbaring, over de koppeling van voorzienigheid en predestinatie, en zo meer. Voor mij is echter hoofdzaak dat dit boek m.i. in een vacuüm valt en dat gereformeerde theologiebeoefening zijn kans moet grijpen.

S. Meijers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's