De Maatschappij van welstand (4)
De Maatschappij heeft zich in de latere jaren steeds ten volle ingezet voor haar pachters.
Het streven van de Maatschappij van welstand staat niet op zichzelf, doch moet gezien worden binnen het kader van enkele andere organisaties, die in de vorige eeuw werden opgericht en hetzelfde doel nastreefden.
Zo werd in 1842 opgericht de Vereniging Unitas onder leiding van enige prominente lieden. Bij die oprichting werd overwogen: 'De noodzakelijkheid, dat er een bolwerk werd opgericht tegen de steeds toenemende aanmatiging van het jesuïtisme in Nederland' . Onder die overwegingen had men besloten 'met vertrouwen op den goddelijken bijstand en den geest der christelijke liefde zich aan het voorgestelde heilige oogmerk toe te wijden' en daartoe 'de grondslagen gelegd voor een genootschap, bestemd om onder den naam Unitas alle welgezinde protestanten in den lande te verenigen tot verdediging van de algemene belangen der protestanten in dit koninkrijk'. Men stelde zich ten doel om allerlei bedrijven en industriële ondernemingen te ondersteunen, een taak waartoe destijds de Maatschappij van welstand vanuit andere streken van ons land werd aangezocht, doch waaraan door deze maatschappij geen gevolg werd gegeven. Het verschil tussen de Maatschappij van welstand en Unitas lag dus hierin, dat de Maatschappij van welstand zich met name bewoog op het terrein van hulpverlening in de agrarische sector, terwijl Unitas vooral in de industriële sector hulp verleende aan bedrijven, die in protes tantse handen waren teneinde alzo de protestantse gelederen in stand te houden en te versterken.
Zowel de Maatschappij van welstand al Unitas vroegen hoge jaarlijkse bijdragen van hun leden. Unitas vroeg ƒ 6, — per jaar en de Maatschappij van welstand aanvankelijk ƒ 5, —, later ƒ 5, 25 per jaar. Dit werd voor een aantal in Noord-Brabant wonende protestanten als een groot bezwaar gevoeld en wel zodanig, dat zij in 1844 nog een vereniging erbij stichtten. Deze vereniging zou ook voor minder draagkrachtige landgenoten de gelegenheid moeten openen om deel te nemen aan de strijd tegen Rome. Bovendien zou langs deze weg geldelijke steun verleend moeten worden aan protestantse landgenoten in alle Nederlandse provincies, dus niet alleen in het zuiden, maar ook vooral waar zij maatschappelijk ten onder dreigden te gaan. De naam van de vereniging die alzo in 1844 werd opgericht luidde: 'Christelijk hulpbetoon'. De stichter van deze vereniging was ds. Carel Willem Pape te Heusden. De leden van deze vereniging betaalden een wekelijkse contributie van 2 cent of ƒ 1, — per jaar. Het doel van deze vereniging was om in het gehele land 'voor het protestantisme te waken en werkzaam te zijn door protestanten, in het bijzonder behoeftigen, tegen den invloed der roomsche propaganda te beveiligen en te behoeden tegen afval van hun belijdenis' .'
In 1849 meldde zich een vierde protestantse vereniging t.w.: 'De protestantsche broederschap Phylactérion'. Deze vereniging beoogde een tegenkracht te vormen tegen het ultramontanisme, hetwelk een roomskatholieke beweging was die de politiekkerkelijke betekenis van de rooms-katholieken wilde verstevigen. Tegenover dit ultramontanisme wilde Phylactérion 'het zedelijke en stoffelijke welzijn van de protestanten bevorderen'.
Zo waren er in de vorige eeuw 4 organisaties ontstaan, die hetzelfde doel nastreefden nl. versteviging van het protestantisme tegenover het opdringende rooms-katholisme, doch elk op een eigen terrein. De Maatschappij van welstand streefde dit doel na door de agrarische sector te beschermen; Unitas was werkzaam op het gebied van industrie en handel; Christelijk hulpbetoon voorzag in huiselijke noden en maatschappelijke problemen; Phylactérion wilde een dam opwerpen tegen het streven van het ultramontanisme.
Daarnaast werden nog opgericht de Evangelische Maatschappij, die vooral in woord en geschrift het protestantisme tegenover het rooms-katholicisme beoogde te verdedigen. Verder moet in dit verband nog genoemd worden de Gustaaf Adolfvereniging, opgericht in 1854, waarvan het doel werd omschreven als: 'De vrijheid van het protestantisme te beschermen, het leven ervan te versterken en in de geestelijke behoeften te helpen voorzien van alle geloofsgenoten, waar zij ook wonen, die door gebrek aan voldoende hulpmiddelen voor hun kerkelijk leven in gevaar verkeren voor het protestantisme verloren te gaan'. Deze vereniging was een onderdeel van de duitse 'Gustav-Adolph-Verein'. Ook deze vereniging werkte nauw samen met de Maatschappij van Welstand.
Tenslotte moet nog vermeld worden 'De Nederlandsche Protestantse Unie', die op 25 juni 1856 op initiatief van de meergemelde ds. C. W. Pape van Heusden te Utrecht werd opgericht met het doel om zoveel mogelijk de eenheid onder de protestanten te bevorderen. Deze Protestantsche Unie heeft echter weinig van zich doen spreken.
Verschuivingen in het beleid
Zoals in een der vorige artikelen uiteengezet waren tal van maatschappij boeren praktisch gedwongen om onder armoedige omstandigheden te blijven leven. De bedrijven waren klein. Er was geen mogelijkheid om veel vee te houden, hetgeen weer tot gevolg had dat er weinig mest werd geprocudeerd. Dit had weer tot gevolg een geringe opbrengst van het land. Kunstmest bestond nog niet, zodat men geheel afhankelijk was van de aanwezigheid van natuurlijke mest. Dat gaf slechts de mogelijkheid om de produktie op te voeren. Daarom was de mestproduktie in die tijd met name op de zandgronden een van de hoofddoeleinden van de veehouderij. Dit gaf de mogelijkheid tot opvoering van de produktie en tot ontginning van woeste heidegronden.
Op dit laatste is de Maatschappij zich in de loop der jaren gaan toeleggen. De maatschappij heeft in de loop van de tijd tal van woeste gronden aangekocht. Door stimulering van mestaankoop van elders heeft de Maatschappij in samenwerking met haar pachters deze gronden in cultuur kunnen brengen. Toen de kunstmest kwam, werd dit proces uiteraard versneld.
Naarmate dit proces voortging, werden de bedrijven van de Maatschappij allengs vergroot. Inmiddels was de tijd voorbij, dat de Maatschappij her en der in kleine hervormde gemeenten steeds weer mensen neerdropte en deze daar in armoedige omstandigheden achterliet, met slechts het enige doel het zielental van de plaatselijke hervormde gemeente op peil te houden. Langzamerhand was de Maatschappij ertoe overgegaan om haar pachters slechts op rendabele en levensvatbare bedrijven te plaatsen. Overigens was de noodzaak van het oorspronkelijke deel minder geworden, nu door de opkomst van de industrie ook steeds meer protestanten vanuit het noorden en midden van ons land naar het zuiden waren getrokken. Het welzijn van de pachters was voorop komen staan.
Mede naar aanleiding van de landbouwcrisis in de tachtiger jaren van vorige eeuw is de Maatschappij er daarnaast toe overgegaan om kredieten te verstrekken aan haar 'ondersteunden'. Dit raakte zelfs zo ingeburgerd, dat de Maatschappij in 1902 nog haar pachters afraadde om zich aan te sluiten bij de inmiddels opgekomen boerenleenbanken. Uiteindelijk is toch de kredietverlening door de boerenleenbanken over genomen en is deze aktiviteit voor de Maatschappij sterk verminderd.
De Maatschappij heeft zich in de latere jaren steeds ten volle ingezet voor haar pachters. Dat kwam o.m. ook tot uiting in het feit, dat de Maatschappij de pachten wilde verlagen, wanneer de omstandigheden dat noodzakelijk maakten. Met name de tegenslagen als gevolg van de landbouwcrisis in de jaren tachtig van de vorige eeuw waren voor de Maatschappij aanleiding om de pachten te verlagen teneinde zo haar pachters een steun in de rug te geven.
De Maatschappij heeft verder in tegenstelling tot andere grondeigenaren en grond bezittende instellingen gestreefd naar continuïteit. Men heeft zich er nimmer toe laten verleiden om verpachtingen elk jaar of om de paar jaar in het openbaar bij opbod te doen plaatsvinden. Dit laatste was met name in de vorige eeuw en ook nog in het begin van deze eeuw vaak gebruikelijk. Dit had dan tot gevolg een zekere roofbouw op de grond. Immers geen enkele pachter had veel animo om de uiterste zorg te besteden aan de grond, die hij pachtte, wanneer hij niet de zekerheid had, dat hij gedurende langere tijd de grond in gebruik zou kunnen hebben. Immers het volgende jaar zou een hogere bieder hem voor kunnen zijn en de grond in gebruik kunnen nemen. Waarvoor zou hij dan zoveel zorg aan het land besteden? Het instituut van de periodieke verpachting bij opbod kwam dan ook de kwaliteit van de landerijen bepaald niet ten goede.
In tegenstelling tot het heersende gebruik heeft de Maatschappij er naar gestreefd om haar pachters voor hun leven op de boerderij te laten en zo mogelijk de pacht over te laten gaan op de volgende geslachten. Dit is uiteraard bevorderlijk geweest voor de staat van de boerderijen en de gronden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's