Uit de pers
Theologie van de bevrijding
In het laatste nummer van het maandblad Credo schenkt ds. M. P. v. Dijk aandacht aan de theologie van de bevrijding. Van Dijk haakt daarbij in op een publicatie van Theo Witvliet over bevrijdingstheologie in de derde wereld. Allereerst wijst hij op de sterke invloed van de gedachte van de zgn. anonieme christen. Christus is present in al die bewegingen die strijden voor een betere wereld, gerechtigheid zoeken te verwezelijken door de verdrukten enz. Vervolgens noemt Van Dijk het Schriftgebruik.
'Het zal genoegzaam bekend zijn dat wij niet als een blank, onbeschreven papier de bijbel benaderen. Ieder neemt, als hij de bijbel leest, zichzelf mee. Dat zelf is niet geïsoleerd van de rest van de wereld. Men heeft zijn eigen geschiedenis niet alleen, maar staat met alle vezelen in een contekst, de contekst van zijn omgeving, de contekst van zijn cultuur en van de ideeën die zich daarin hebben postgevat. Tot deze cultuur behoort ook het sociale leven, dat wil zeggen: tot deze cultuur behoren de gedachten omtrent de verhouding tussen heer en knecht, patroon en arbeider, geld en winst, arm en rijk. Als wij de Bijbel lezen nemen wij dat allemaal mee. Ongemerkt leggen wij onze gedachten en overtuigingen in de gedachten en overtuigingen die wij in de bijbel vinden. Wij hebben bijvoorbeeld een zeer patriarchale, autoritaire instelling ten aanzien van de verhouding zoals die naar onze mening moet heersen tussen overheid en onderdanen, ondernemers en arbeiders, mannen en vrouwen, ouders en kinderen. Of, dat is ook mogelijk een zeer progressieve instelling omtrent deze verhouding. Onwillekeurig vinden wij dan in de bijbel onze gedachten terug. De bijbel bevestigt hetgeen wij van huis uit aan cultureel erfgoed meenemen. Niemand is een onbeschreven blad papier, ook niet en zeker niet als hij de bijbel leest. Maar het maakt wel verschil en daarop wil ik de aandacht vestigen of wij ons van onze bevooroordeeldheid bewust zijn of niet. Het maakt groot verschil of wij kritisch willen staan tegenover onze cultuur of persé niet kritisch willen staan. Nog erger wordt het wanneer wij bij voorbaat onze gedachten willen rechtvaardigen en poneren dat wij de bijbel moeten lezen vanuit een of andere bevrijdingsbeweging of bij het licht van zulk een bevrijdingsbeweging. Zeker ik weet dat men kritisch wil zijn en denken maar ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat hier meer aan de hand is.
Niemand leest de bijbel zonder dat hij zijn eigen gedachten meeneemt. Er is altijd, zoals de duitser zegt, een "Voraussetzung", een vooronderstelling, iets dat voorafgaat. Maar is deze vooronderstelling in een of ander opzicht normatief? Eigenlijk is slechts één voorafgaand iets legitiem, namelijk het geloof dat de bijbel Gods Woord is en dat wij ons aan die bijbel willen onderwerpen, niet alleen met onze gedachten maar nog veel meer met onze daden. Het is niet de arme of de rijke die de bijbel leest als het goed is om het eens cru te zeggen maar de gelovige. Niet de heerser of de onderdaan, niet de uitbuiter of het slachtoffer, niet de geleerde of de minder ontwikkelde, niet de vrouw of de man, maar de gelovige.
Terecht wijst de bevrijdingstheologie erop dat de man (de vrouw) die de bijbel leest niet het autonome subject mag zijn. Het autonome subject, dat wil zeggen: de mens, de man, de vrouw die zich niet bij voorbaat onderwerpt aan de bijbel maar zich als mondig mens bij voorbaat een kritische instelling veroorlooft. Het is zeker juist als men stelt dat een groot gedeelte van de nieuwe theologie uit deze drang naar mondigheid en autonomie (eigenwettelijkheid) is voortgekomen. Men wilde zich aanpassen aan de vragen en de problemen van de mondige mens. Zodoende ontstond een "burgerlijke" theologie welke zeker de ontwikkelde aansprak, de elite om het zo eens te zeggen, maar aan de sociale nood van de massa voorbijging. Ik geloof dat deze kritiek juist is en doel treft. De man die de bijbel las was de verlichte, geletterde, culturele mens van onze westerse beschaving. De theologie was op hem gericht. Maar nu zit ik toch nog met een aantal vragen. Is het nu heus een vooruitgang als in de plaats van de autonome, mondige mens de arme wordt gesteld, de vernederde, gekwetste, in zijn bestaan bedreigde mens van onze dagen? Dat de bijbel zeer maatschappij-kritisch is, zij voorondersteld. Maar niet de arme leest als het goed is de bijbel. Als het goed is leest de arme gelovige de bijbel, niet de man of de vrouw, de zwarte of de blanke, maar deze mensen als gelovige mannen, vrouwen, zwarten, blanken. En dat samen, met en voor elkaar.'
De vraag naar de vertolking van het Schriftgetuigenis, de zgn. hermeneutische vraag staat centraal in de theologie. Het is ook een belangrijke vraag: welke sleutel hanteren wij? Kenmerkend voor vele visies is toch dat men het verstaan van de werkelijkheid, de horizont van de mens van nu min of meer tot norm maakt. Dat kan de horizont van de arme zijn of de onderdrukte, de vrouw of de mens van een ander ras. Kritiek op de bevrijdingstheologie zal niet moeten vervallen in de fout het maatschappelijke aspect te negeren. Het heil des Heren is totaal. Maar het hart van dit heil is de verzoening met God door het geloof. En of men nu arm of rijk is, blank of zwart, van nature begeren we dit heil niet. Het getuigenis van deze bevrijding staat haaks op onze werkelijkheidservaring. De bevrijdingstheologie mag dan kritiek hebben op de burgerlijke theologie van de 19e eeuw, maar de vraag is of ze wezenlijk boven de Schriftopvatting van de Verlichting uitkomt, door de Bijbel te willen lezen vanuit een sociaal-economisch vooryerstaan, in concreto een analyse van de werkelijkheid vanuit de arme.
***
Medische ethiek in een tijd van snelle ontwikkeling
Hoe hebben we ons op te stellen ten aanzien van allerlei medisch-wetenschappelijke ontwikkelingen, als we willen denken vanuit reformatorische beginselen?
Drs. M. J. V. Lieburg, direkteur van het Medisch Encyclopedisch Instituut aan de VU, gaat in het nummer van 17 aug. 1984 van het jongerenblad Daniel op deze vragen in. Van Lieburg gaat uit van twee basisprincipia: Verantwoording tegenover God en verantwoordelijkheid tegenover de medemens, de patiënt, de samenleving. In dit spanningsveld staan we en we mogen het een niet opofferen aan het ander.
'De invulling die Woord en Geest naar reformatorisch belijden geven aan onze verantwoording is even konkreet als de invulling die kennis en inzicht geven aan onze verantwoordelijkheid. Terwijl de invulling van onze verantwoording derhalve aan geen verandering is onderworpen, is de inhoud van onze verantwoordelijkheid aan voortdurende wisseling onderhevig. Kennis van en inzicht in de mogelijkheden én gevolgen van ons handelen ondergaan een stormachtige ontwikkeling. Niemand ontkomt aan het geweld waarmee nieuwe kennis zich een weg door de samenleving baant, óók door de reformatorische gezindte. Wij leven in het tijdvak van de informatika, waarin de toegang tot kennis vergemakkelijkt wordt en de groei van kennis onbegrensd schijnt te zijn. Die explosie van wetenschap, die zich niet langer beperkt tot de akademische elite, maar doordringt tot in de huizen van eenvoudigen, rukt aan het vertrouwde, in de reformatorische gezindte vastgelegde schema van verantwoording en verantwoordelijkheid. Ons verantwoordelijkheidsbesef is onderdeel, zo men wil, prooi van een beangstigend snelle ontwikkeling. De nadruk die in de reformatorische traditie op hét leven coram Dei wordt gelegd, moge dan remmend en vertragend werken op de inwerking van die ontwikkeling op de reformatorische gezindte, zij gaat er niet aan voorbij. Het gevaar van een ontkoppeling tussen leer en leven, tussen verantwoording en verantwoordelijkheid, is daarbij levensgroot. De terreinen van seksualiteit, vaccinatie, gezinsvorming, leefritme, techniek en mode zijn er de duidelijke voorbeelden van. Overal verschuivingen, erkend of niet-erkend, gewild of ongewild.'
Er is een geweldige groei van kennis in de medische wetenschap aan te wijzen. Van Lieburg wijst op de kennis t.a.v. de bouw van ons menselijk lichaam, het moleculaire onderzoek, de koppeling van psychische en sociale factoren. Laboratoria en computers zijn de onmisbare hulpmiddelen van de medicus geworden. Tegelijk kwam de roep om aandacht voor de gehele mens.
'Het reformatorische denken is door deze ontwikkeling op verschillende manieren onder druk gezet. Allereerst wijs ik met nadruk op het gevolg van deze vluchtig geschetste ontwikkeling voor de relatie arts-patiënt. Door de hoge vlucht van de medische wetenschap en met name de natuurwetenschappelijke status die de geneeskunde kreeg, kreeg de medikus gemakkelijk de allure van een ingenieur aan wie de rekonstruktie van het zieke lichaam veilig kon worden overgelaten. Onze verantwoordelijkheid voor ons lichaam werd onvoorwaardelijk gedelegeerd aan de medikus. Sinds het besef doordringt dat een medische behandeling niet de uitkomst is van een wiskundige formule, waarvan de berekening alleen de medikus mogelijk is, maar een afweging van argumenten voor en tegen en van allerhande konsekwenties, groeit de twijfel of we niet al te lichtvaardig onze verantwoordelijkheid op de noemer van de medische wetenschap en van haar beoefenaren hebben gezet. Die twijfel is nog ernstig versterkt door de normvervaging waaraan de geneeskunde duidelijk zichtbaar lijdt. De recente ontwikkelingen rondom abortus, euthanasie en voortplantinstechnologie hebben duidelijk gemaakt dat de scheiding tussen levens-relativerende en levenseerbiedigende geneeskunde de reformatorische gezindte voor de noodzaak stelt de delegering van onze verantwoordelijkheid aan de medische professie kritisch te herzien.
In dit verband moet de oprichting van de pro-life patiëntenverenigingen worden genoemd als voorbeeld hoe een nieuwe fase in de bezinning op de relatie verantwoording en verantwoordelijkheid op medisch terrein aangebroken.
Een tweede verstorende faktor in de relatie reformatorische traditie en medische wetenschap is de zogenaamde medikalisering geweest, dat wil zeggen het proces waarbij steeds meer verschijnselen in het menselijk bestaan onder de oordeelsbevoegdheid van artsen wordt gebracht. Geen onderdeel van ons dagelijks leven en van het maatschappelijk gebeuren, of de medikus heeft er zijn gezaghebbende stem in het kapittel. Keuringen, voorlichtingsonderzoeken, een begeleiding van wieg tot graf door allerhande bureau's, medische diensten, medischpsychologische tests, etc. De individualiteit van de mens lost zich daarbij ongemerkt op in de kollektieve strukturen die de medikalisering in het leven roept. En de reformatorische traditie? Hoeveel vragen worden er niet in de spreekkamer van de huisarts gebracht, die niet minstens even goed en pricipieel bezien zelfs beter door het pastoraat beantwoord zouden kunnen worden? Hoeveel problemen, die een ernstige afweging van verantwoording en verantwoordelijkheid eisen, worden nu niet vertaald in medische termen en medische klachten, terwijl het in feite gaat over vragen en zorgen die ver uitgaan boven het niveau van het medisch-biologisch denken? We zijn zo vertrouwd met de medikalisering van onderwerpen als abortus, euthanasie, geboorteregeling, drugsverslaving en zoveel meer, dat we ons nauwelijks meer realiseren dat de medische kennis die voor de doordenking van deze themata nodig is in geen verhouding staat tot de vragen van de algemeen ethische aard die er een rol in spelen. Artsen zijn ook de gezochte sprekers, wanneer het over deze onderwerpen gaat. Hoeveel wordt ons daarbij echter niet aangeboden als ethische bezinning, wat niet meer is dan ethische beroepsethiek! Natuurlijk is die beroepsethiek van grote betekenis en zal bij de vorming van artsen, verpleegkundigen en andere werkers in de gezondheidszorg een belangrijke plaats moeten innemen, maar zij mag geen surrogaat zijn voor de algemene ethiek, waarin de verantwoording en verantwoordelijkheid van ieder persoonlijk aan de orde is.'
De schrijver wijst, als ik hem goed begrijp, op het belang van duidelijke en schriftuurlijk gefundeerde uitgangspunten. We mogen niet volstaan met een aantal beroepscodes, maar zullen hebben te zoeken naar de wijze waarop we handelend bezig kunnen zijn overeenkomstig de hoge stijl van Gods geboden. Het complexe is evenwel dat we regels voor het concrete handelen niet altijd rechtstreeks uit de Schrift kunnen afleiden. Worden we niet met allerlei problemen geconfronteerd die men in de bijbeltijden niet kende. Ik denk aan genetische onderzoekingen, orgaantransplantaties, de vragen rondom de reanimatie. Maar dat roept destemeer de noodzaak op te zoeken naar algemene richtlijnen opdat we in gehoorzaamheid aan de Heere God, de Schepper van ons leven onze weg mogen gaan. Nu in de maatschappelijke ontwikkeling het horizontalisme toeneemt, in die zin dat een beroep op Goddelijke normen, afgewezen wordt als onwetenschappelijk en onzakelijk, wordt het er voor de christenwetenschapper niet eenvoudiger op. Hij of zij moet immers voortdurend optornen tegen visies waarbij het maatschappelijk nut of het algemeen belang centraal staan. Het is belangrijk dat zij die in beroepsuitoefening of wetenschappelijk bezig-zijn willen buigen voor de Schrift, gezamenlijk zich bezinnen op taak en roeping. Niet uit zucht naar macht, maar veeleer uit de bijbelse gedachte van de wederzijdse versterking en bemoediging.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's