Kleine criminaliteit
Voor een niet onbelangrijk deel bestaat het huidige inbrekersgilde uit verslaafde jongeren. Ze moeten op tijd hun shot hebben...
Inbraak is vandaag geen zeldzaamheid meer. Onze goederen zijn niet meer veilig. Voor een niet onbelangrijk deel bestaat het huidige inbrekersgilde uit verslaafde jongeren. Ze moeten op tijd hun shot hebben en zo'n shot kost (veel) geld. Daarom trekken ze erop uit om in te breken in auto's, huizen, bedrijven. En het gestolen materiaal wordt direct afgezet bij daarvoor beschikbare helers.
Wat doet de politie? Of liever wat kan de politie doen? Wie zich daarover wat oriënteert komt tot de conclusie, dat het politieapparaat machteloos staat om het hoofd te bieden aan deze criminaliteit. 'Kleine criminaliteit' heet het op de processen-verbaal, die door de politie worden opgesteld. Kleine criminaliteit, maar alle gevallen samen van kleine criminaliteit zorgen ervoor, dat we in ons land te maken hebben met één grote criminaliteit. Want de goederen van de burgers zijn vogelvrij. Is dat niet te sterk gezegd? Feit is dat wanneer inbrekers, die voor 'kleine' criminaliteit worden opgepakt - tot welke waarde aan geld en goederen de kwalificatie 'klein' geldt weet ik niet - vaak nog dezelfde dag weer worden vrijgelaten en dus weer op de samenleving worden losgelaten. Ruimte voor insluiten ontbreekt vaak, zo wijd verbreid is het verschijnsel geworden. En wanneer de politie soms nog poogt een opvangcentrum voor afkicken te vinden stuit men of op lange wachtlijsten of op speciale voorwaarden van de centra, waaraan de delinquent dan vaak weer niet voldoet.
Uit het leven gegrepen
Men kan deze dingen ook zwart op wit lezen. Een man uit het vak - A. C. Baantjer, rechercheur in Amsterdam, thans met pensioen - heeft een serie korte schotsen over de wederwaardigheden van de politie, vanuit zijn ervaringen op het bureau aan de Warmoesstraat uitgegeven ('Die zotte Warmoesstraat'). Onthullende lectuur, openhartige en eerlijke verwoording ook van een stuk machteloosheid om adequaat te handelen inzake de toenemende criminaliteit. Enigszins cynisch merkt de schrijver op: 'Het modewoord is "resocialisatie". Maar wat valt er nog te resocialiseren aan iemand, die al veertig, zeventig of honderdtwintig maal voor een misdaad is opgepakt? Het verplegen, verzorgen en vermaken van gevangenen kost de gemeenschap scheppen met geld. Inderdaad. Het is goedkoper om ze los te laten, wat dan ook - onder diverse noemers - veelvuldig gebeurt. Dat dan uw auto weer wordt open gebroken of uw fiets gestolen is te betreuren, maar u moet wat voor uw gevallen medemens over hebben. Begrijpt u de narigheid? De overheid neemt het liefst zelf geen maatregelen, maar schuift het probleem naar u en mij, naar de vezekeringsmaatschappijen, die uiteindelijk weer existeren door de premies, die wij gezamenlijk opbrengen.' En critisch naar de overheid toe zegt hij: 'de angst- en onrustgevoelens van de burgers laten de overheid blijkbaar koud. Met haar mond belijdt ze dat vooral de kleine criminaliteit moet worden teruggedrongen, maar aan het apparaat, dat daarvoor moet zorgen, worden de middelen ontnomen. Dat heet dan bezuinigen... bezuinigen ten koste van uw veiligheid en gemoedrust.'
Verder zegt hij dat er in de jaren zestig en zeventig lieden opstonden, die zeiden 'dat gevangenisstraf niet zo'n best middel was om mensen te bekeren'. Dus drong men erop aan zo weinig mogelijk van dit middel gebruik te maken. 'Op buitenlandse congressen vertelden deze profeten vol trots dat de misdadigheid in ons land vrijwel geheel aan banden was gelegd, want zie, er zaten maar zo weinig misdadigers in onze gevangenissen... Wat men niet vertelde was, dat zelfs ernstige misdadigers weer zeer snel werden vrijgelaten om dat sprookje van de geringe criminaliteit in ons land te laten voortleven. Het krankzinnige van de hele situatie was, dat men op basis van dit sprookje begon gevangenissen en huizen van bewaring te sluiten en het bewakend personeel in te krimpen.'
Krachteloos
Dit alles neemt niet weg dat de andere kant van de medaille ook is de 'krachteloosheid' - zo noemt Baantjer het - van het politieapparaat vanwege het onuitroeibare kwaad van de heroineverslaving. Ik citeer nog een keer letterlijk:
'Hoe krachteloos ons optreden is geworden, hoe zinloos ook, bewijst een junk. Deze aan heroïne verslaafde man - ik zal hem Jansen noemen - breekt geparkeerde auto's open en neemt daaruit alles weg wat van zijn gading is. En dat doet hij al jaren. Wanneer iemand bij ons in het politiebureau wordt gefouilleerd, dan stoppen wij zijn waardevolle bezittingen - geld, portefeuille, papieren, horloge, ringen - in een doorschijnende plasticzak. Om niet in de war te raken doen wij op die plasticzak een plakkertje met de naam van de arrestant. Dat gebeurt ook bij Jansen. Wanneer hij op last van de justitie weer op vrije voeten wordt gesteld, krijgt hij de plasticzak met zijn bezittingen weer mee. Jansen heeft er iets op gevonden om ons politieleven enigszins draaglijk te maken. Wanneer hij een auto heeft opengebroken, dan laat hij in die auto de plastic fouilleringszak met zijn naam daarop achter. Dat is een prachtige aanwijzing om Jansen opnieuw te arresteren. Dat doen we dan ook. Wanneer Jansen op last van de justitie weer wordt vrijgelaten, krijgt hij opnieuw zijn fouilleringszak mee, die hij prompt weer achter laat in de eerstvolgende auto die hij openbreekt. Ik weet niet of Jansen het beseft - daarvoor is hij te ernstig verslaafd - maar als iemand de machteloosheid van ons bedrijf aan de kaak stelt, dan is het deze junk.'
Het meest aangrijpende verhaal, dat de rechercheur dan doet is wel het volgende. Een jongeman grist een aantal briefjes van honderd uit de handen van een man, die in een warenhuis uit de kassa's bundeltjes bankbiljetten ophaalde. Op heterdaad betrapt werd hij gepakt. Op het bureau zegt hij 'ik ben al ver over tijd... begrijp je, man... ik moet een shot'. En op dat zelfde moment grist hij de biljetten opnieuw uit de handen van de politie en gilt: 'ik moet een shot... ik moet een shot'.
Twee kanten
De kwestie van de zogeheten 'kleine criminaliteit' heeft twee kanten. Krijgen we niet de rekening gepresenteerd van in veel gevallen te slap en toegeeflijk overheidsbeleid, juist ook waar het justitie betreft. Is ons strafrecht niet zo versoepeld en 'gehumaniseerd' dat het kwaad al breder om zich heen kon en kan grijpen? De wijze Prediker zegt een wijs woord: wee u, land, welks koning een kind is en welks vorsten in de morgenstond eten' (Pred. 10 : 16).
Als de koning een kind is - om in de beeldspraak te blijven - grijpt de kleine criminaliteit om zich heen, zonder dat de delinquent wezenlijk wordt aangepakt en zullen de grenzen tussen kleine en grote criminaliteit ook vervagen. Hoeveel landen zijn zo niet in de volstrekte corruptie terecht gekomen en onbestuurbaar geworden! Een rechtsstaat vereist een gezonde rechtspraak.
Maar de andere kant van de kwestie is dat duizenden jongeren vandaag lijf en leven verwoesten met drugs. Ook hier kan men vragen of we niet de rekening gepresenteerd krijgen van wat we allemaal in ons land lieten binnenkomen. Intussen zijn duizenden letterlijk afhankelijk geworden en als zodanig - men versta mij niet verkeerd - 'verminderd toerekeningsvatbaar'. Hoeveel ouders - en het geldt voor alle kringen - worstelen niet met deze gesel van de heroïneverslaving van een zoon of dochter, zodat ze hen letterlijk buiten het huis moeten sluiten, omdat de goederen niet meer veilig zijn maar stuk voor stuk worden verhandeld om maar aan geld voor de shot te komen? Want de shot moet! Zo ellendig afhankelijk zijn de verslaafden geworden. Plaatst het ons binnen de christelijke gemeente ook niet voor de noodzaak om aan opvang, zowel van verslaafden als van hen die om hen heen staan met de aangrijpende nood vandien, gestalte te geven? Schrijnend vond ik de opmerking, die een rechercheur maakte: lange wachtlijsten en speciale voorwaarden voor opname in de opvangcentra. En zo blijven de (veel) heroïneverslaafden vrij rond lopen in de samenleving, waar ze - gedreven als ze worden - van dag tot dag de goederen van anderen kunnen roven. De politie kan, vanwege de uitgebreidheid van dit kwaad en een slap overheidsbeleid, de zaak kennelijk niet meer aan. Wee het land, welks koning een kind is. Maar ook wee de gemeente, die niet naar haar ellendigen omziet. De Prediker zegt nog een wijs woord: twee zijn beter dan één... want indien zij vallen, de één richt zijn metgezel op; maar wee de éne die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen...' (Pred. 4 : 10).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's