Boekbespreking
C. V. d. Waal, De vervulde Thora, commentaar op Johannes 1 : 1-8 : 29, 400 blz., ƒ40, —. Uitgeverij v, d. Berg, Kampen 1984 C. v. d. Waal, Het Evangelie naar Johannes, 252 bIz., ƒ 27, 90, Oosterbaan en Le Cointre, Goes 1984.
Op 14 juli 1980 overleed te Pretoria de bekende nieuwtestamenticus dr. C. v. d. Waal. Hij had zich de laatste jaren intensief met het vierde Evangelie bezig gehouden. Na zijn dood zijn van deze diepgravende studie een tweetal pennevruchten verschenen. Te weten: en beknopt commentaar op het gehele evangelie, leesbaar voor elk gemeentelid, en een gedeelte van een breed opgezet werk dat ten gevolge van het overlijden, niet tot voltooiing is gekomen. Bij Joh. 8 : 29 wordt de commentaar beëindigd.
Uitgangspunt voor benadering van het vierde evangelie is voor Van der Waal het verbond. De wet van Mozes is door Jezus ten volle vervuld. Voor de exegese van het vierde evangelie is het door de exegeet gekozen uitgangspunt een zaak, die van betekenis is. Het uitgangspunt bepaalt de exegese goeddeels. Op dit punt zijn er een geheel aantal 'sleutels' die als verstaansregel gehanteerd worden. Het gevaar van elk uitgangspunt is, dat de exegetische gegevens in een schema geperst kunnen worden. Toch acht ik dit gevaar groter bij een godsdiensthistorische verklaring die een sleutel 'van buitenaf hanteert, dan een die zich beroepen kan op gegevens van het Evangelie zelf. Wei is de visie van de auteur zeer expliciet waar het betreft de relatie tot Israël. Ook uit andere werken van deze geleerde blijkt hoezeer hij uitgaat van de gedachte dat de nieuwtestamentische kerk in plaats van Israël gekomen is en hoe de voorrechten van Israël zijn overgegaan op de kerk. 'Wereld' wordt dan ook consequent opgevat als aanduiding van deze tegenwoordige boze eeuw, die zich nestelt in het verbondsvolk. Men kan de vraag stellen of hiermee recht gedaan wordt aan de samenhang tussen het israëlitische en het universele. De auteur verzet zich tegen de gedachte dat de kerk een interimfiguur zou zijn. De kritiek op Graafland op blz. 234 van de grote commentaar miskent m. i. de intentie van Graaflands opmerking, aangezien ik daar deze interim-gedachte niet in lees, maar wel de trouw aan Israël in de lijn van Rom. 9 : 11 en een nog komende vervulling van de belofte.
Qua opzet lopen beide commentaren nogal uiteen, gezien het verschillend karakter. In de grote, onvoltooide commentaar is de auteur voortdurend in gesprek met exegeten, geeft hij een groot aantal excursen en figuren die de structuur verduidelijken. Verschil in lettertype maakt dat het geheel toch overzichtelijk blijft. Evenals in andere werken verraadt zich in de stijl hier en daar invloed van K. Schilder, en blijkt de auteur op vele terreinen van cultuur en geschiedenis thuis te zijn. Hier en daar trof ik een nuanceverschil aan tussen beide commentaren. In de grote commentaar wordt i.t.t. de populaire commentaar de relatie van Joh. 5 : 5 met Deut. 2 : 14 ontkend. Ook is er in beide commentaren verschil t.a.v. de uitleg van Joh., 5 : 114: et verband tussen ziekte en zonde. Zo zou er meer te noemen zijn. Ik laat het bij deze enkele aanduidingen. Ook al kan men van mening verschillen inzake de sterk verbondsmatige aanpak en de consequenties voor de ekklesiologie, dit neemt niet weg, dat we ook in deze boeken de auteur leren kennen als een geleerde die met grote eerbied voor het 'Er staat geschreven' te werk wilde gaan, wars is van Schriftkritiek en voluit wil staan in de gereformeerde traditie. Het is verheugend dat het mogelijk geworden is deze uitgaven na het overlijden van Van der Waal onder onze aandacht te brengen. Wij wensen ze in veler handen.
A. Noordegraaf
C. J. den Heyer, De Messiaanse weg I, Messiaanse verwachtingen in het Oude Testament en in de vroeg-joodse traditie.
Uitgangspunt van dit werk, het eerste deel van een driedelige opzet, is de gedachte dat de kerk. zichzelf niet los kan zien van de joodse traditie, en dat het kerkelijk spreken inzake Jezus Christus niet los gemaakt mag worden van de joodse wortels. Wij hebben, zo zegt Den Heyer in navolging van Plusser, een joodse Christologie van het Nieuwe Testament nodig. Dit deel begint met een beschrijving van de Messiasverwachting van het Oude Testament en de joodse traditie. Oorsprong van het messiaanse verlangen is de trouw van God. In de loop van de geschiedenis is aan dit verlangen op zeer gevarieerde wijze en in talrijke voorstellingen vorm gegeven. Zeer gedetailleerd beschrijft Den Heyer deze voorstellingen in de verschillende perioden: voor, tijdens en na de ballingschap, in de intertestamentaire periode en in de tijd van Jezus' geboorte en leven op aarde. We krijgen daarin een groot stuk informatie, met goede literatuurverwijzingen. Belangrijk voor een werk als het onderhavige zijn intussen de vooronderstellingen. Deze komen ter sprake in het inleidend hoofdstuk en het eerste hoofdstuk over de Gezalfde des Heeren.
Juist deze vooronderstellingen roepen nogal wat vragen op. Kan men zeggen, dat niet de persoon van Christus, maar de komst van het Rijk centraal staat in het nieuwetestamentisch getuigenis, zoals de auteur toch lijkt de suggereren op blz. 8? Ik geef toe, dat we niet mogen vervallen in Christomonisme. We zullen trinitarisch hebben te spreken. Maar als het gaat over de Christologie, kan men het Rijk en de Messias toch niet van elkaar losmaken. De schrijver pleit voor een contextuele Christologie en voor ingrijpende correctie van het kerkelijk-dogmatische beeld van Christus, omdat z.i. de resultaten van het historisch-kritisch onderzoek daartoe nopen.
Ik ben van het laatste allerminst overtuigd, vind het ook niet aangetoond. Bovendien vind ik hetgeen gezegd wordt over de schuld van het Christendom allerminst relevant, als het gaat om de waardering van het belijden over Christus. Zal een contextuele Christologie niet een zeer tijdgebonden theologie zijn?
Op blz. 16 wordt gezegd: de wortels van het Nieuwe Testament liggen in het Oude Testament en in de joodse traditie tussen de beide Testamenten. Kan men zomaar het Oude Testament en de joodse traditie verbinden? Ik verwijs naar uiteenzettingen in Evang. Commentaar van de Groningse oudtestamenticus Van der Woude op dit punt. Gevaarlijk acht ik de stelling dat de niet-canonieke boeken uit de periode tussen Oude en Nieuwe Testament een waarde voor ons zouden hebben die weinig verschilt van die van de canonieke geschriften. Ik wil de waarde voor het verstaan van allerlei zaken niet ontkennen. Maar ik meen dat hier te snel is-gelijktekens gezet worden.
Niet duidelijk is me ook geworden in hoeverre het Oude Testament openbaringsgetuigenis is. Hier en daar wekt de schrijver de indruk als zouden messiaanse voorstellingen en heilsverwachtingen product zijn van de geloofservaring in de context van een bepaalde tijd. Ik denk aan wat er staat op blz. 130 waar m.i. de openbaringskwaliteit van de oudtestamentische geschriften geminimaliseerd wordt.
Het zal de lezer duidelijk zijn, dat ik al lezend nogal wat vraagtekens gezet heb bij dit overigens helder en boeiend geschreven boek. In ieder geval heeft de lezing mij wel doen afvragen: wat zullen de beide volgende delen ons brengen en waar zal de schrijver uiteindelijk uitkomen? Maar dat is nog afwachten.
A. N.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's