Het geding om de kerk tussen Kuyper en Hoedemaker (5)
Hoedemaker stond nu theologisch geheel aan de zijde van de gereformeerden. Maar hij verzette zich steeds meer tegen hun kerkpolitieke activiteiten.
Hoedemaker stond nu theologisch geheel aan de zijde van de gereformeerden. Maar hij verzette zich steeds meer tegen hun kerkpolitieke activiteiten. Toen bijv. in 1879 een reglementswijziging bepaalde dat ouderlingen niet meer hun oordeel mochten doen gelden bij de aanneming van lidmaten, besloot de meerderheid van de Amsterdamse kerkeraad, op advies van de 'Gereformeerde Commissie' om geen zitting meer te nemen bij de vrijzinnige predikanten én hun catechisanten niet als lid in te schrijven. Deze 'Gereformeerde Commissie' was een landelijk onderdeel van de gereformeerde partij om algemene richtlijnen voor de kerkelijke praktijk uit te stippelen. Hoedemaker was van oordeel dat hier een beweging was ontstaan die belijdende gemeenten, delen van gemeenten en belijdende personen bijeenbracht met behulp van een willekeurige ondertekeningsformule. Hij schreef in De Heraut: 'Wij vertrouwen de geestelijke draagkracht van deze beweging niet. Zij moet op niets uitlopen, want haar beginsel is niet zuiver'. Hoedemaker vond dat de ouderlingen juist niet moesten weigeren om dienst te doen, maar dat zij getrouw moesten zijn en bij de aanneming voor hun rechten moesten opkomen. 'Langs dien weg komt men tenminste tot het inzicht, dat men den strijd heeft aan te binden, niet tegen één enkele bepaling van het Reglement, maar tegen het Reglement in zijn geheel en de organisatie waarbij het past.' Van de lijn van georganiseerd verzet raakte Hoedemaker hoe langer hoe meer af. Daar zat hem te weinig gehoorzaamheid aan het Woord en te veel berekening in.
Terwijl Hoedemaker zich in zijn kerkbeschouwing steeds meer van Kuyper verwijderde, kwam hij in deze jaren geheel op Kuypers lijn wat betreft het Hoger Onderwijs. Toen hij gekweld werd door de nood van de kerk en nog niet duidelijk zag, welke richting men daarin had te gaan, zag hij het christelijk Hoger Onderwijs als een weg, die op een andere wijze tot het doel zou kunnen leiden en waardoor de kerkelijke kwestie meer in de ruimte gesteld zou worden.
Hoger Onderwijs op Geref. grondslag
In 1878 kwam het tot de oprichting van de 'Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag', in eerste aanleg dus bedoeld om het Hervormd kerkelijk leven te dienen. De eerste hoogleraren waren Kuyper en Rutgers. Maar ook Hoedemaker werd gevraagd. Tweemaal bedankte hij. Eerst na sterke aandrang van Kuyper stemde hij toe. Tegelijk voelde hij behoefte om in de Heraut van 1880 nog eens uitvoerig uiteen te zetten, wat op kerkelijk gebied de verschillen waren, die er tussen hem en Kuyper bestonden. 'Waarom', schreef hij, 'sluit ik mij van ganscher harte aan bij de Vrije Universiteit? Niet omdat ik hen, die in dezen aan mijne zijde staan, "Gereformeerd" stempel... maar omdat het beginsel zuiver is en dat beginsel zelf zijne dragers weert of corrigeert.'
In 1883 houdt Hoedemaker en rede bij de overdracht van het rectoraat: 'De herleving der Gereformeerde beginselen in haar betekenis voor de kerk, de prediking, de katechese, het diakonaat en de zending'. Hij onderstreept daarin dat de V.U. het herleefde Gereformeerde beginsel zal hebben uit te dragen, dwars tegen de heersende theologie in. Onder ons wordt immers belijdenis gedaan van een Kerk, die niét uit de mens is, maar van Boven. De practische theologie heeft niet anders te doen dan haar gestalte, wasdom en werkzaamheid te beschrijven. 'De Kerk is niet gemaakt, - geen menschelijk genootschap; niet geboren - uit den drang van het godsdienstig en zedelijk leven van de discipelen des Heeren. Zij is zelfs niet geworden... op één bepaald tijdstip, hetzij te Cesarea Filippi, hetzij te Jeruzalem, op den Goeden Vrijdag of op den Pinksterdag uit het Joodsche volkswezen te voorschijn gekomen... De kerk is gegeven, - een goddelijke instelling. De Kerk is ... het lichaam van Christus, die haar door alle eeuwen heen door Zijn Woord en Geest vergadert, beschermt, onderhoudt en regeert.' Hij eindigt met de bede, dat God in Zijn barmhartigheid, de levende gemeenschap tussen de Kerk, als lichaam van Christus, en haar Hoofd herstelle, 'want zonder dit zal de nieuwe ontwikkeling, waarvan wij spreken, waarop wij hopen, niet in de praktijk worden gezien. De bloei der Theologie is ten slotte niet alleen afhankelijk van haar uitgangspunt, zij wordt ook door den bloei der Kerke bepaald'.
En in dit laatste punt bleef Hoedemaker het oneens met Kuyper. Hij zocht de bloei der kerk langs een andere weg. Die weg bepleitte hij in het nieuwe tijdschrift dat hij had opgericht: 'Op het Fondament der Apostelen en Profeten. Bijdragen voor Kerk en Theologie'. Men mocht niet op een breuk aansturen. De kerk in haar gehéél moest van de synodale organisatie worden verlost. Kuyper daarentegen ging uit van de plaatselijke gemeente. In 1879 kwam hij met een plan tot stichting van een bond van kerkeraden. Hoedemaker meende evenwel dat zoiets niet meer zou kunnen zijn dan een soort vereniging buiten de kerk en de ambtelijke vergaderingen om.
Tractaat
In 1883 verschenen een aantal bundelde lezingen van Kuyper onder de titel 'Tractaat van de Reformatie der Kerken'. Daarin werd o.a. uitvoerig uiteengezet de manier waarop men heeft te breken met bestaande kerken, die tegen Gods Woord en het Koningschap van Jezus ingaan. Kuyper noemde dit 'kerkelijke gehoorzaamheid', een plicht die rust op ieder persoonlijk. Zijn medestander Rutgers sprak van een confederatief kerkverband, door vrijwillig toetreden van leden ontstaan dus, waarin de belijdenis functioneerde als 'akkoord van kerkelijke gemeenschap'. Op deze lijn voortgaande had de Amsterdamse kerkeraad niet alleen besloten om van zijn leden, ook van de nieuw te beroepen predikanten, de ondertekening der Drie formulieren van Eenigheid te vragen, maar was hij ook besloten om met die negen gemeenten in de Classis, die zich hadden laten vinden om instemming te betuigen met de genoemde formulieren, 'als accoord van kerkelijke gemeenschap', in nadere correspondentie te treden. Hoedemaker moest daar niets van hebben. Hij zei: 'Langs deze lijn komen wij, op zijn best genomen, tot de afscheiding van zeker deel der Hervormde Kerk, dat de Gereformeerde belijdenis niet bewustheid aanvaardt, met achterlating van een ander deel, dat niet prijs moest worden gegeven. Wenscht men dit? Ik wensch het niet. Wij beamen de drie formulieren van harte, maar wij erkennen ook het recht van een beroep op Gods Woord. Welnu, zoolang onze Kerk geene gestalte heeft, waarbij eene Nationale Synode mogelijk is, en hiermede de stilzwijgende voorwaarde van onderteekening niet wordt vervuld, verzetten wij ons ter wille van de broeders en kerken, die gravamina (d.i. bezwaarschriften) meenen te hebben, tegen iedere anticipatie (d.i. vooruitgrijpen) van een ideaal, dat langs den rechten weg niet onbereikbaar is',
In 1885 spitsen de dingen zich toe. 24 Maart doet Kootwijk aan de eerste candidaat van de V.U., Houtzagers, toezegging van beroep. Deze wordt buiten de kerkelijke organen om geëxamineerd en straks ook bevestigd. 30 Juni houdt Kuyper in Den Haag hij de bidstond voor de V.U. een opmerkelijke rede: 'IJzer en leem'. Daarmee bedoelt hij: voor of tegen Koning Jezus betekent óók voor of tegen de V.U. Je kunt niet bidden voor de Rijks-Universiteit of voor de Synode in de naam van de Heere Jezus. Hoedemaker houdt in deze dagen een preek in de Oudezijdskapel over de woorden van Bileam aangaande Israël: 'Dit volk zal alleen wonen en onder de Heidenen niet gerekend worden'. De strekking ervan is: niet noodzakelijke scheiding moet door ons worden gemeden!
Amsterdams conflict
En dan komt het Amsterdams conflict. De kerkeraad weigert attesten van geen bezwaar af te geven aan leerlingen van moderne predikanten die in de Zaanstreek belijdenis wilden doen. Kuyper zag aankomen, dat de Synode niet zou toegeven en leidde het daarheen dat de kerkeraad ook het beheer over de kerkelijke goederen, waaronder de kerkgebouwen aan zich trok en uitsprak dat in een geval van conflict de kerkmeesters alleen die kerkeraad als wettig zou erkennen, die 'de gemeente bij het Woord Gods wilde houden'.
Zoals men weet, zette dr. G. J. Vos Az. hier Kuyper de voet dwars. Hij vond deze handelswijze 'niet anders dan de gereglementeerde ongerechtigheid en ongereformeerdheid' en streepte in zijn kerkeraadsboekje op die 14e dec. 1885 de namen aan van die kerkeraadsleden die het voorstel over het beheer ondersteunden. Dat waren er 80, waaronder vijf predikanten. Deze tachtig kerkeraadsleden werden nu snel door het Classicaal Bestuur en in hoogste instantie ook door de Synode geschorst, aangezien het duidelijk was, dat zij de bedoeling hadden de gemeente van Amsterdam los te maken uit het kerkverband. Kuyper legde zich evenwel niet bij de schorsing neer, maar ging met zijn geschorste collega's zogenaamde bijbellezingen houden in gehuurde lokalen, onder een enorme toeloop.
Dan schrijft Hoedemaker een "Open Brief aan dr. A. Kuyper', gedateerd 18 jan. 1886. Daarin trekt hij de lijn door, die hij eerder had aangegeven in zijn 'Advies inzake de Amsterdamse Lidmatenkwestie'. Daar had hij geschreven: 'Deze zaak is niet uit te maken door Artikel zooveel van een reglement, in verband met Artikel zooveel van een ander Reglement... Het is de grote vraag: Belijders en bestrijders in dezelfde Kerk? Welnu, die vraag moet voor de Synode gebracht. Dan komt er weer gang in de kwestie, die nu in een put belandde. Dit vragen wij niet slechts van de Kerkeraden in de steden, maar van iedere Kerk, ook de allerkleinste in ons vaderland'.
Hoedemaker betuigde ook zijn sympathie met de geschorsten en zijn verbondenheid met Kuyper, ondanks alles. Toch verdoezelt hij het verschil niet, maar maakt het in de Open Brief bijzonder duidelijk: 'Laat de individuen uitgaan, of zóó "getrouw" zijn, dat men hen uitwerpt, zeggen de Afgescheidenen. Laat de plaatselijke Kerken zich van haar losmaken, door het recht der belijdenis tegenover haar te handhaven!, zègt gij. Laat de verlossing van héél de Kerk, als uitgangspunt... eener gewenschte Reformatie worden gezocht, - spreekt ik. Het verschil tusschen u en mij komt derhalve in hoofdzaak hierop neder. Gij laat de Reformatie aan de Reorganisatie voorafgaan, ik volg den omgekeerden weg'. Hij stelt dan Kuyper voor dat de geschorste broeders in overleg zullen treden met het Classicaal Bestuur om de schorsing opgeheven te krijgen, om dan gezamenlijk aan te sturen, niet op breken, maar op reorganisatie.
Afwerping synodaal juk
Kuyper heeft evenwel andere plannen. In 1886 scharen steeds meer kerkeraden zich aan zijn kant, door te verklaren, dat zij 'het Synodale juk afwerpen'. Hoedemaker kan zich daarmee verenigen alleen op deze voorwaarde, dat zij niet alleen maar zichzelf, maar de kerk-als-geheel van de besturen willen bevrijden. Als een gemeente zou willen besluiten om te breken, moest ze wel in haar geheel achter dat besluit staan. Anders zouden de besturen kunnen gaan optreden als kerkeraad in naam van de minderheid die niet meeging. Ook moest men de niet-dolerende gemeenten blijven erkennen en door hen erkend willen worden als deel uitmakend van het éne onverbrekelijke kerkverband. In die geest adviseerde Hoedemaker in juni 1886 de Classicale Vergaderingen in zijn geschrift: 'In één genootschap, doch kerkelijk gescheiden'. Toen in dec. 1886 de schorsing van de Amsterdammers in afzetting werd omgezet, besloot de kerkeraad, dat men zich zou handhaven als 'Dolerende Nederduits Gereformeerde Kerk te Amsterdam". Hoedemaker veroordeelde het afzettingsbesluit van de Synode in een brochure: 'Machtsvertoon of Wettig Gezag?' Hij kon bijna geen woorden vinden om zijn afschuw uit te drukken over de afzetting. Maar hij schreef ook: 'Uittreden! Uit de Kerk treden! Dat mag niet. Dat duldt de Koning niet. De Kerk verlaten wij eerst, als zij heeft opgehouden Kerk te zijn, waarvan Jezus het Hoofd is'. Overigens meende hij dat Kuyper en de zijnen nu eindelijk zijn lijn waren overgegaan: 'na de pertinente verklaring (in De Heraut), dat zij "de verlossing niet van een deel van de gemeente, maar van de gehele gemeente" beogen, acht ik mij ten zeerste verplicht hartelijke instemming met hen, in dezen, te betuigen. Het zou ontrouw zijn, de warme uitlating van het broederhart terug te houden, en de gereserveerde houding te blijven aannemen, waarvan zelfs dit vlugschrift nog blijken gaf. Helaas het zou anders uitkomen! Wel werd hem nog gevraagd om mee te werken aan het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat door de Dolerenden werd belegd tegen 11 jan. 1887 te Amsterdam. Maar toen hij als voorwaarde stelde, op het congres zijn beginselen aangaande de kerk te mogen bepleiten, werd hem dat geweigerd. Zodoende ontwierp hij thuis zijn brochure ('Waarom ik geen deel neem aan het Kerkelijk Congres'. Eén uur vóór de opening ontving hij evenwel een briefje van Kuyper, met de vraag, of hij nog zijn mening wilde komen geven over enkele voorstellen, die ter tafel zouden komen. Zo werd hij toch naar het Congres gelokt. Bij de ingang gekomen, bleek echter, dat hij niet naar binnen mocht, zonder eerst een verklaring getekend te hebben van de volgende inhoud: 'Ondergetekende, lid der N.H. Kerk te X., verklaart, dat hij de afwerping van het juk der synodale hiërarchie voor plichtmatig houdt voor ieder die het Koningschap van Jezus in Zijne Kerk wil eren'. Zonder enige mogelijkheid van bezinning of gedachtenwisseling werd dus van iedere particulier gevraagd om iets te verklaren, wat alleen de Kerk als gehéél kon uitspreken. Tekenen stond dus gelijk met uittreden! Na nog een korte woordenwisseling te hebben gehad, o.a. met Rutgers, verliet Hoedemaker de zaal onder het uitspreken van de woorden* 'God ontferme zich over dit arme volk!' Hij ging heen - en nu voorgoed. Tot enige broeders, met wie hij een maand later samenkwam, zei hij: 'Er is maar één weg tot reformatie, en dat is Gods weg'.
Leiding van Hoedemaker
Niet alle Gereformeerden verlieten de Hervormde Kerk en Hoedemaker ging nu aan hun bezinning leiding geven. Al op 10 febr. 1887 vinden we hem in Utrecht op een vergadering, waar hij voorstellen deed, die hij later uitgaf onder de titel 'De Congresbeweging, beoordeeld uit het oogpunt der Gereformeerde belijdenis'. Hoedemaker vergelijkt de stemming onder de achtergebleven gereformeerden met die van een verslagen leger. Maar, zegt hij dan: 'De banier staat nog!' Die banier is de Gereformeerde belijdenis. Hoever Hoedemaker ook van Kuyper is af komen te staan, het Gereformeerde beginsel, waarop Kuyper hem indertijd gewezen had, houdt hij vast. De roeping van het ogenblik is: duidelijk te maken, wat dat Gereformeerde beginsel is en wat het eist voor de praktijk van het kerkelijke leven. 'Het Gereformeerde beginsel', zegt Hoedemaker, 'eischt eene Gereformeerde Kerk met eene Gereformeerde belijdenis en eene Gereformeerde Kerkregeering. Dit was, is en blijft ons streven, evenzeer als dat van het Gereformeerde Congres. Maar het is ons niet onverschillig, hoe men tot die Kerk komt, waar zij staat, naar welk model zij wordt gebouwd, uit welke materialen zij is samengesteld, welke afmetingen zij vertoont en wie haar bouwmeester is. Bij dit alles is de leer van het verbond, van den doop, van de Kerk, van de overheid, niet het minst van de tucht en van de kerkelijke ambten gemoeid'. In deze enkele zinnen kunnen we dus Hoedemakers' verdere levenswerk samenvatten: het Gereformeerde beginsel tegenover de dolerende theorieën en praktijken. En het Gereformeerde beginsel is: dat alles dient - te gaan overeenkomstig Gods Woord.
Dit geluid vond aanvankelijk in de kring van de achtergebleven gereformeerden weinig weerklank. Zeer velen bleken alleen om bijzaken en uiterlijke omstandigheden Hervormd te zijn gebleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's