De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

11 minuten leestijd

Er is niets nieuws onder de zon. Dat valt te constateren uit een passage van de hand van de wijsgeer Aristoteles, drie en twintig eeuwen geleden geschreven in zijn Rhetorica. Het gaat over 'de jeugd van tegenwoordig'.

'Jonge mensen zijn vol lusten en doen waar zij zin in hebben. En onder de begeerten die tot het lichaam behoren, zijn het de liefdeslusten, die zij het meest volgen en waarin zij zich niet kunnen beheersen. Ze zijn wispelturig. Ze verlangen plotseling hevig, maar houden even plotseling weer op. Hun verlangens zijn actuur, maar zonder kracht. Ze zijn tot toorn geneigd, snel kwaad en volgen hun impulsen. Ze kunnen hun boosheid niet bedwingen. Door hun eerzucht verdragen ze niet dat men hen geringschat, en ze zijn gebelgd wanneer ze al menen onrechtvaardig behandeld te worden.

Ze zijn eerzuchtig, erop gebrand te winnen en begeren superioriteit. Aan eer en overwinningen hechten ze meer waarde dan aan geld, want ze weten nog niet wat het is gebrek te lijden. Ze zijn niet altijd bepaald boosaardig, maar argeloos, omdat ze nog weinig verdorvenheden hebben aanschouwd. Ze zijn goed van vertrouwen, omdat ze nog niet dikwijls zijn bedrogen. Ze zijn - zoals lieden die een goed glas wijn hebben gedronken - van hoop vervuld, ook al, omdat ze nog weinig tegenslagen hebben ondervonden. Ze leven in de hoop, want hoop heeft betrekking op de toekomst en herinneringen op het verleden. Voor jonge mensen is de toekomst nog lang en het verleden kort. Er is voor jonge mensen nog weinig om te herinneren en alles om te hopen. Om die reden kan men hen ook gemakkelijk bedriegen... ze hopen te licht.

Ze zijn moedig en opvliegend van aard. Ze zijn ook vaak nog edel van gemoed, want het leven heeft hen nog niet vernederd. Ze denken tot grote dingen in staat te zijn; een wissel op de hoop. Ze verkiezen in hun handelingen het schone, het verhevene boven hun eigenbelang, want hun levenshouding is meer idealistisch dan verstandelijk. Ze maken zich in alles schuldig aan overdrijving en een te grote heftigheid. Ze zijn mateloos. Ze beminnen mateloos, ze haten mateloos. Ze zijn mateloos in alles.

Wanneer zij slechte daden plegen, is dat meestal meer uit baldadigheid dan uit boosaardigheid. Ze zijn ook snel tot medelijden geneigd, omdat ze in ieder slechts het goede zien en de mensen voor beter houden dan ze in werkelijkheid zijn. Ze leggen namelijk aan anderen de maatstaf van hun eigen argeloosheid aan. Het leed van hun medemensen komt hun daardoor vaak onverdiend voor

Ze houden van lachen en zijn gevat. Maar hun gevatheid is in haar beste vorm niet meer dan een - door een goede opvoeding getemperde - onbeschaamdheid... '

***

Een lezer liet ons nog eens (her)lezen wat ds. M. Jongebreur schreef over 'ons kerkelijk standpunt' In het boek dat uitgegeven werd bij het 25-jarig bestaan van de Gereformeerde Bond in 1931, woorden die ook vandaag niets aan betekenis hebben ingeboet.

'Het kerkelijk bewustzijn is mede ten gevolge van onze droeve kerkelijke toestanden zo veelszins verloren geraakt. Men wil in vele onzer gemeenten nog wel een gereformeerde prediking: als men die mist, dan worden vaak alle geoorloofde en soms ook ongeoorloofde middelen aangewend om haar te verkrijgen, maar als men die eenmaal heeft, dan blijkt er over anderen, die hetzelfde missen en met wie men door de kerkelijke band verbonden is, o zo weinig bekommernis te zijn.

Dat de Kerk van Christus zich in haar institutaire vorm weer als Kerk zal openbaren, blijkt - laten wij het maar eerlijk bekennen - niet het minst onder onze gereformeerde mensen zo bitter weinig gevoeld te worden. Vandaar dat er over de breuk der Kerk ook zo weinig schuldgevoel en dus ook zo weinig verootmoediging voor Gods aangezicht is. Men voelt niet, dat de oorzaak van de diepe ellende, waarin onze Kerk verzonken ligt, mede hierin moet gezocht worden, dat men zelf zo individualistisch geleefd heeft en dat men zelf, doordat een ieder loopt voor zijn eigen huis, het Huis des Heeren verwaarloosd heeft. Wij geloven, als dat ook in onze kringen meer verstaan en doorzien werd, dat er dan minder een op de voorgrond stellen van allerlei kleine en vaak persoonlijke geschillen zou wezen en dat er dan meer een zich verootmoedigen voor het aangezicht des Heeren zou zijn. Zal het echter ooit tot reformatie onzer Kerk komen, dan menen we dat belijdenis óók van onze kerkelijke zonden noodzakelijk is en dat het ook door ons erkend zal moeten worden, niet: de Modernen en de Ethischen zijn zo slecht, maar; wij en onze Vaderen hebben gezondigd en hebben, wat kwaad is in Uw ogen, gedaan. Alléén in die weg dat er ook in onze Gereformeerde kringen schuldbesef en schuldbelijdenis ook over het bewandelen van allerlei onkerkelijke wegen geboren zal worden, geloven we dat er ook schuldvergiffenis en alzo ook een oprichten van onze Kerk uit haar diepe val mogelijk zal zijn.

Welnu, daartoe wensen we voort te gaan om Gods Waarheid in het midden onzer Kerk uit te dragen, overtuigd als we zijn dat Gods Woord alléén de Waarheid is en dat we ook kerkelijk alléén door de Waarheid kunnen vrijgemaakt worden. En daarbij wensen we onze ogen biddend te richten op Hem, in Wiens machtige Koninklijke hand ook 't lot onzer Kerk besloten ligt. De geschiedenis heeft het bewezen, dat waarachtige reformatie der Kerk nooit gemaakt, veel minder geforceerd kan worden, maar altoos een vrijmachtige daad is van Hem, die als de Koning Zijner duurgekochte Gemeente op Zijn tijd mannen verwerkt en wegen baant en middelen aanwijst, waardoor de reformatie geboren wordt.

Moge in dat besef de arbeid van onze Bond, door de Heere gezegend, door allen die Gods Waarheid in onze Kerk liefhebben, krachtig worden gesteund, opdat als het 's Heeren tijd zal blijken om ons de reformatie te geven, wij als Gereformeerde belijders dan gereed zuilen zijn om haar te ontvangen.'

***

Op 12 september 1964, dus volgende week dertig jaar geleden, hield dr. K. H. E. Gravemeyer, in de oorlogsjaren secretaris van de synode, later algemeen secretaris, een korte preek op de conferentie van de 'Vrienden van Kohlbrugge'. Dr. Gravemeyer, die een werkzaam aandeel had gehad in het tot stand komen van de nieuwe kerkorde, ging zich op het eind van zijn leven meer en meer verontrust tonen over de koers van de kerk. Hij was tenslotte één van de 24 theologen (w.o. dr. W. Aalders en ds. G. Boer), die in een Open Brief in 1968 van hun verontrusting over de theologische ontwikkelingen blijk gaven.

Uit genoemde meditatie, 'Tot de wet en tot de getuigenis', opgenomen in het Kerkblaadje, nemen we de volgende kernachtige passage over.

'Dit is een woord voor nu, voor ons land, voor ons volk en voor onze kerk. Wij zijn ontspoord: van het spoor af. Het volk van Nederland is op dwaalwegen gekomen en is ook door de ontzettende dingen die we in de oorlog hebben doorgemaakt, niet tot bekering gekomen. Het volk heeft de weg naar God niet teruggevonden. Ik ga niet alle symptomen van de afval bespreken; ik zeg ook niet, dat het erger is dan vroeger, maar het is erg en het is altijd erg geweest.

Maar de kerk dan? Er zijn toch in de oorlog en na de oorlog bijzondere dingen in de kerk gebeurd? Ik denk bijzonderlijk aan de Hervormde Kerk.

Maar nu stel ik er prijs op, broeders en zusters, misschien tot uw verwondering ook in deze kring te zeggen hoe zwaar het mij drukt, dat ik aan de nieuwe kerkorde heb meegewerkt. Ik ben nu overtuigd geworden, dat wij aan de verkeerde kant zijn begonnen. Van jongsaf heb ik gedacht, mede door dr. Hoedemaker geleerd: Maak de wanorde van 1816 kapot, dan zult ge wonderen zien. Ja, indien naar het woord van Kohlbrugge was geluisterd, wanneer hij niet naliet om te getuigen: "Werp het Woord erin, dan zult gij wonderen zien!"

Helaas is dit niet gebeurd. En nu is het tweede erger dan het eerste. Men denkt dat men uit de nood gekomen is, maar men raakt er hoe langer hoe dieper in. Uit allerlei publicaties en getuigenissen van de synode blijkt, hoe men alles heeft betrokken op de verhouding van mens tot mens. Alles ligt op het menselijke vlak. Er klinkt geen oproep, zoals in ons tekstwoord staat. We hadden na de oorlog de boer moeten opgaan en overal dit woord moeten brengen, tot ons volk en tot de kerk. We hebben het niet gedaan en ons blind gestaard op de nieuwe kerkorde.

En de kerk verloopt zich in raden en commissies en allerlei verordeningen, waardoor hoe langer hoe meer alles pasklaar gemaakt wordt aan de situatie, de deformatie, waarin wij leven. De reorganisatie is niet gepaard gegaan met reformatie. Ik denk dikwijls met schrik aan het woord van de Heere Jezus: als het huis met bezemen is gekeerd (en we hebben inderdaad het huis met bezemen gekeerd) en er komt niet een andere bewoner, dan onstaat er een vacuum, een leegte, en dan vult deze zich met boze geesten, zeven maal erger dan de eerste keer.

Daarom meen ik, dat we een diepe indruk moeten hebben van de situatie, waarin onze Hervormde Kerk onder veel uiterlijk lawaai leeft of sterft, hoe wilt ge het zeggen. Een tijdlang ben ik zó ver geweest, dat ik mij los voelde van de Hervormde Kerk. Ik heb erover gedacht om ervoor te bedanken, omdat de schrikkelijkste dwalingen openlijk van de preekstoel worden verkondigd. En de leiding der kerk doet daartegen niets. Toch ben ik er niet uitgegaan, want dat zou hoogmoed zijn. Wij moeten erin blijven en getuigen. Bij het totstandkomen van de nieuwe kerkorde heb ik dikwijls gezegd: "Ik mis er veel in. Ik mis de mandaten van de classicale vergaderingen voor de synodeleden. Maar ik heb vertrouwen in de regeling van de waarlijk christelijke tuchtoefening, ook over de leer. Daar verwacht ik grote zegeningen van". En nu is juist één van de nieuwste voorstellen om

het typisch kerkelijke •van de kerkelijke tucht te veranderen en haar van haar geheel eigen karakter te beroven, door haar de juridische kant op te schuiven. Neen, we hadden moeten bidden om een hervorming, zoals uit de tijd van koning Josia. Ge weet, toen werd het wetboek gevonden en het werd de koning en het volk voorgelezen. De koning werd er , door ontroerd en het volk erdoor aangegrepen. En dan wordt de tempel gereinigd van al de ongerechtigheid, die erin was gebracht. Als het Woord Gods weer heerschappij heeft in de kerk, dan moet veel eigenwilligs, dat valse vroomheid erin gebracht heeft, er uit. Zó zal het ook in onze kerk moeten gebeuren. Wij moeten bidden om reformatie, terug naar het Woord en dan met het Woord vooruit. Er zal veel moeten worden uitgeworpen aan dwaalleer, aan allerlei vals idealisme. De kerk moet weer leren te leven bij het Woord. Zó alleen zal onze kerk haar opdracht vervuilen te midden van ons volk en van de wereld. Zij zal de overheid het Woord Gods moeten voorhouden en tegen allerlei verheerlijking van democratie en andere "cratieën" moeten getuigen, dat er maar één juiste vorm van bestaan is voor de staat, het volk en de kerk, gelijk het uitgedrukt is in artikel 36 van onze belijdenis: de Theocratie, de Godsregering, die over alle dingen gaat en waarvan niets kan worden uitgezonderd. Maar al belijden we het niet, nochtans is Jezus Christus de Koning der koningen en de Heere der heren. Maar dan zal de tweede Psalm telkens op ontzettende wijze tot geldigheid komen. Ja, terug tot het Woord, tot de wet en tot de getuigenis! Dit is niet een vals conservatisme: komt terug naar het oude, neen, komt terug naar het Woord. Ik zeg met opzet niet: keert terug tot de belijdenisgeschriften, al zullen deze in de nieuwe reformatie ook een grote plaats bekleden. Maar het Woord Gods gaat er altijd boven uit. En als de kerk naar het Woord terugkeert, dan zal de kerk mét het Woord verder komen en ook het Woord spreken voor vandaag!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's