Overwegingen vanuit een groeigemeente (3)
In een nieuwe wijk maak je zo het een en ander mee.
'U zult daar in zo'n nieuwe wijk wel het een en ander meemaken, dominee'. Zo'n opmerking van een bezorgd gemeentelid uit een oudere wijk komt nog al eens voor. Achter zo'n opmerking gaat een beeldvorming schuil, die mijns inziens ten dele juist is, ten dele op een misverstand berust. Om met het laatste te beginnen: wie denkt dat het geestelijk klimaat in zo'n nieuw gedeelte even schraal en dor is als een wijk in aanbouw zonder groen, zonder sfeer, vergist zich menigmaal. Wie vermoedt dat er weinig kader gevonden wordt om aan een gemeente leiding te geven, moet wel beseffen dat het vaak de problematiek van een verouderende wijk is dat het 'jonge kader' naar een nieuwe wijk verhuist. Voeg daar nog bij dat, wat we in een vorig artikel naar voren brachten: de groeiende bewustheid in geloofszaken, het enthousiasme om iets op te bouwen en gezamenlijk de schouders er onder te zetten, de gemeenschapsbeleving. Toch is het waar: in een nieuwe wijk maak je zo het een en ander mee. Zou het veel verschillen van wat zich in het oudere gedeelte afspeelt? We moeten bepaald geen wereld van verschilpunten verwachten. Mensen kunnen verschillende achtergronden bezitten, aan mensen is niets menselijks vreemd. Voor de geesten van de eeuw zijn geen barricaden op te werpen. Zij komen overal waar mensen zijn. Gelukkig geldt dit laatste op onvergelijkelijke wijze van de Heilige Geest.
Wat maak je dan mee? In het kader van de gemeentevorming zal binnen een nieuwe wijkgemeente grote activiteit ontplooid worden om de mensen op te zoeken, om tot ontmoeting te komen met al degenen, die zich als behorend tot de Ned. Herv. Kerk hebben opgegeven. Dat geeft een verwachtingspatroon, waardoor in eerste instantie, naast velen, die direct van enig contact afzien, toch een betrekkelijk groot aantal bereid is om een gesprek te voeren. De behoefte aan contact is groot. Met name ook, omdat in menig leven verschijnselen van vervreemding, van onvrede en onbehagen aanwezig zijn. In een eerste gesprek komen die gevoelens nogal eens naar voren. Daarbij spelen de teleurstellingen over de kerk en haar inbreng vaak een grote rol. Soms terecht, menigmaal als middel om eigen falen te vergoeilijken. Daar steekt achter menige beschuldiging een brok levensleed, omdat allerlei relaties ontwricht zijn, verwachtingen de bodem ingeslagen, en het leven, met name het eigen leven, weinig perspectief meer biedt. Nu kan je je afvragen of je als ambtsdrager van de gemeente van Jezus Christus de eerste aangewezene bent om in allerlei menselijke problematiek te worden betrokken. Je komt tenslotte om de boodschap van het heil in Jezus Christus te verkondigen. Je wilt mensen leiden, begeleiden, opdat zij tot geloof in de Heere Jezus Christus zouden komen en vanuit de kracht van de verzoening in Christus zouden leven. Is het geen 'branchevervuiling', wanneer je als dienaar van het Woord, als ouderling en diaken, ambtsdragers, die hoge opdracht hebben om getuigen te zijn van het nieuwe leven dat in Jezus Christus geschonken wordt, je begeeft en je verdiept in allerlei omstandigheden van mensen, die op vaak grote afstand staan van een nieuw en godzalig leven, in gehoorzaamheid aan en afhankelijkheid van de grote Meester Jezus Christus. Laat toch volle ruimte voor de maatschappelijk werker, de welzijnswerker! Zij kunnen professioneel ingaan op de noden van deze tijd.
Het ambt
Zonder iets af te doen van de grote betekenis van de dienstverlening, pleit ik voor de eigen taak van het ambt. Wat is die taak? Om in een wereld, in een mensenleven, van God vervreemd, en daarom aan allerlei ellende en aan de verdoemenis, het oordeel onderworpen, de waarheid van Gods getuigenis gestalte te geven. Dat is primair ontdekkend. Wie ellende wil duiden moet eerst ellende horen! Dat kan soms enige gesprekken kosten. Niet dat hierin een vrijbrief voor ongenuanceerd humaan contact gevonden mag worden. Dan ben je slechts begeleidend, raadgevend, inlevend bezig, al zou dat alleen al een bevrijdende kracht bezitten. De geur van het evangelie, de reuke des doods ten dode, de reuke des levens ten leven, moet aan ieder contact van ambtsdrager met gemeentelid in meerdere of mindere mate verbonden zijn. Het gaat om dood of leven, in het bestaan van ieder mens. Daarom zal, waar de inwerking van de zonde, de ontwrichting, de vervreemding van de bestemming wordt gesignaleerd, de bewogenheid om het totale welzijn in het licht van het Koninkrijk Gods, aanwezig zijn. Dat houdt in: het persoonlijk heil, het zich geborgen weten in de verzoenende kracht van Christus bloed. Dat houdt ook in: persoonlijk heil, in de zin van vernieuwing, heiliging van ons leven in het hier en nu, zodat ik alle dingen mag geloven in de hand van mijn hemelse Vader, die van alle goed verzorgt, en Gods Geest in mij laat werken, richtinggevend, toerustend, bekerend. Wij mogen die twee niet loskoppelen, maar ten nauwste aan elkaar verbonden zien.
Gevaren
Wij ervaren de gevaren, die hier schuilen. De vermenselijking van het evangelie heeft in onze tijd zulke vormen aangenomen dat zonde en schuld niet meer als persoonlijke factoren, maar veel meer als structurele factoren van het menselijk leven worden aangemerkt. Toch is daar ook een ander gevaar. Wie niet wil ingaan op de nood van de naaste, wie afstandelijk huivert over zoveel 'vreemd gedrag', die zal misschien met een beroep op de opdracht om tot bekering op te roepen, vergeten dat de Heere Jezus Christus at met de tollenaars, een vriend werd genoemd van zondaren. Wij moeten niet vrezen om vuile handen te maken, mits wij maar weten dat we die maken. Dat kan slechts vanuit de barmhartigheid, die roemt tegen het oordeeel, opdat mensen worden behouden en tot een zinvol leven komen. Daar dient tegenover te staan, een nauwgezet, persoonlijk geloofsleven, in diepe verbondenheid aan de geboden van de Heere Christus. Des te meer geestelijk de gemeente is, des te meer zij gehoorzaam is, des te meer zij biddend, volhardend is, des te meer kan zij uitgaan in heggen en steggen, tot welzijn van diegenen, die dreigen om te komen. Het heiligingskarakter van de gemeente, niet in farizeistischezin, maar in profetische en priesterlijke zin, zou wel eens doorslaggevend kunnen zijn voor de betekenis van de kerk van de toekomst. Wij hebben een woord voor de wereld, wij hebben een dienst aan de wereld. En nu de directe omgeving wereld is, eerste, tweede, derde wereld. Wie kan van nabij of op afstand hier wijs uit worden - zal de gemeente Gods Kerk moeten zijn. Zij zal haar Heere belijden en de vrede die daarin gelegen is voorlezen in woord en daad aan die wereld, die dreigt in angst en noden te stikken. In dit perspectief verdwijnen verschillen van oud en nieuw. Wat zijn ze vaak eng, wat worden ze door ons vaak benepen gehanteerd. In een tijdsbestek waarin polarisatie, individualisering, existentiële spanningen rond de zin van het bestaan en samenhang met vernietiging, demonisering, vervuiling in letterlijke en figuurlijke betekenis, de overhand schijnen te hebben, hebben wij die schijn te ontmaskeren dooreen opstelling in liefde, volharding, in enigheid des Geestes door de band van de vrede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's