De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

13 minuten leestijd

In Kerknieuws van Scheps schrijft Niek Scheps een rubriek 'Uniek'. In de laatste aflevering schrijft hij over de zendingsdag van de GZB, onder de titel 'De kinderen van Kenya zijn belangrijker dan de klapstoelen'. Hier volgt zijn stuk.

'Nog nooit is er tijdens een zendingsdag van de Gereformeerde Zendingsbond die ik bijwoonde, zoveel regen gevallen als deze keer.

's Morgens was het nog droog, maar 's middags moesten de duizenden bezoekers permanent hun paraplu op hebben. Maar dat maakt niets uit. Er verandert niets. Er lopen geen massa 's mensen weg. Men blijft zitten en luistert verder. Dat is een bewijs van trouw, belangstelling, toewijding.

Maar, daarom gaat het me nu niet. Wat over die aspecten van de zendingsdag geschreven wordt, vind ik al te veel. We kennen die verhalen al lang. Uit zulke dingen moet dan blijken hoe trouw de mensen van de G.Z.B, zijn: ze trekken er een dag voor uit om naar Driebergen te gaan, ze nemen broodjes en klapstoelen mee, ze luisteren uren naar een aantal preken en ze verduren de zwaarste regenbui. Vaak hebben ze hun kinderen bij zich, die vermaken zich met hun boeken en hun poppen. En hoeveel geld hebben ze er niet voor over. Denkt u eens aan de reiskosten en de collecte, leder jaar wordt er een respectabel bedrag ingezameld. Bovendien wordt er nog heel veel verkocht ten bate van de zending.

Is het niet merkwaardig dat er juist altijd zoveel aandacht wordt geschonken aan deze dingen? Alsof er niet wat belangrijkers te vermelden is. Het valt me op dat vooral over toogdagen in de orthodox reformatorische hoek zo wordt geschreven. Als er tienduizenden gaan demonstreren tegen allerlei zaken die ze verkeerd vonden, levert dat ook een stereotiep beeld op. Soms is het wat anders dan dat van de zendingsdag, omdat de omstandigheden anders zijn.

Betogers lopen en staan meer dan ze zitten en dragen dus geen klapstoeltjes mee. Maar ze hebben hun spandoeken. Er zijn trouwens ook overeenkomsten tussen zo'n demonstratie en een zendingsdag. Zo gaan er veel kinderen mee. Ze begrijpen nauwelijks waar het over gaat en ze luisteren niet naar de spreker, maar ze zijn erbij. Ze horen erbij, vinden hun ouders.

Ik zal de laatste zijn om daar enig kwaad van te zeggen. In beide gevallen wil de oudere generatie haar overtuiging overdragen aan de volgende. Onze kinderen begrijpen het misschien nog wel niet, zegt men dan, maar het zal later toch wat voor hen betekenen, als ze zich herinneren dat ze als kleuters met vader en moeder naar de zendingsdag gingen of in de optocht meeliepen. Er wordt tegenwoordig wel veel gepraat over de eigen keuze van dé jeugd: je moet geen invloed op je kinderen uitoefenen, ze moeten zelf beslissen, ze mogen hun vaderen moeder niet napraten, maar overal zie je weer het verschijnsel dat ouderen wat zij zelf als van wezenlijke waarde beschouwen, willen doorgeven aan hun kinderen. Dat spreekt vanzelf.

Maar ik moet de televisieverslaggever nog zien en horen die bij een politieke betoging van honderdduizenden alleen of vooral daarover staat te praten. Terecht zou je tegen hem kunnen zeggen: vertel nu ook eens waarover het gaat. Wat doen die mensen nog meer dan met spandoeken naar Den Haag trekken? Welke boodschap willen zij uitdragen? Wie daar geen oog voor heeft, kan beter zijn mond houden.

Maar als het om bijeenkomsten van allerlei soorten gereformeerden gaat, moet er vooral de indruk gewekt worden dat men te doen heeft met een soort folklore, een oude gewoonte, die vroeger misschien wel zin had, maar nu haar betekenis heeft verloren.

Nu wil ik niet ontkennen dat het gevaar van een zekere folklore niet denkbeeldig is. Waar dreigen geen gevaren ? Organisatoren vaneen andere kerkelijke hoogtijdag hebben me wel toegestemd dat men daar zelfs soms een beetje aanleiding toe gaf. Maar ook de demonstraties van allerlei actiegroepen krijgen wel eens folkloristische trekjes. Maar die doen aan de motieven en het doel van de demonstranten niets af. Wat willen ze en wat doen ze?

Wat doet de G.Z.B. ? Tijdens de laatste zendingsdag werd het woord gevoerd door een hoogleraar in de kindergeneeskunde die naar Kenya gaat om daar in één van de ziekenhuizen van de G.Z.B, te gaan werken. Zo draagt deze organisatie bij aan de leniging van de nood van de kinderen in dat gebied. De zwakken, de kwetsbaren, de ellendigen, vooral in die delen van de wereld, die niet zo bevoorrecht zijn als West-Europa, worden gelukkig steeds meer geholpen. Zending en missie hebben altijd een open oog gehad voor het lijden van de mensen in de streken waar ze werkten. Ik krijg soms de indruk dat men dat vergeet. Men doet wel eens alsof met onze instellingen voor de ontwikkelingssamenwerking de zorg voor de lijdende mensheid eigenlijk pas is begonnen. Maar zendings- en missiehospitalen zijn er al vele jaren geweest.

Die traditie zet de G.Z.B, voort en op de zendingsdag kwam dat weer treffend naar voren. Dat is belangrijker dan de paraplu 's, de broodjes in de mand en de stoelen. De kinderen van Kenya, die hebben onze aandacht nodig.'

***

Op vrijdag 5 oktober hoopt aan de Vrije Universiteit te Amsterdam te promoveren tot doctor in de godgeleerdheid drs. J. G. Schaap, wetenschappelijk medewerker aan de Rijksuniversiteit te Leiden. De heer Schaap, geboren te Huizen en voorheen o.a. leraar godsdienst aan de Paedagogische Academie Felua te Ede, promoveert op een onderwerp getiteld 'Samen leren leven en geloven', een godsdienstpaedagogisch onderzoek naar het omgaan met kernwoorden van geloven in situaties van dialogisch leren en begeleiden.

Promotor is prof. dr. J. Firet. Hoewel de heer Schaap op dit moment nog niet met zijn doctorsgraad gefeliciteerd kan worden mag hij al wel geluk gewenst worden met de voltooiing van zijn studie en de vastlegging daarvan in een fraai bij Boekencentrum in Den Haag uitgegeven proefschrift.

We hopen van harte dat deze studie van nut mag blijken te zijn voor het godsdienstig onderricht in welke sector van het onderwijs dan ook. Van de bij het proefschrift gevoegde stellingen noemen we de volgende.

• Terwijl men in de kerken vanuit het besef van de pluraliteit van geloven gaandeweg leert spreken over zaken van geloof en leven in niet-absolute bewoordingen, is het des te opmerkelijker te constateren, dat men in de samenleving vanuit de kerken in zaken zoals van milieu, energie, democratisering, emancipatie, bewapening en vrede, in toenemende mate met absolute uitspraken wordt geconfronteerd.

• Wanneer het huisbezoek gereduceerd wordt tot het leggen en onderhouden van contacten tussen mensen, waarbij 'de zaak van de gemeente' niet aan de orde komt vanwege interne 'conflicten', dan wordt daarin geen bijdrage geleverd tot de opbouw van de concrete geloofsgemeenschap.

• Verschillen tussen het godsdienstonderwijs op school en de kerkelijke catechese dienen te worden teruggevoerd op het verschil in leeromgeving, en niet op kwalitatieve verschillen in het proces van leren en begeleiden.

• Politieke informatie en vorming dienen plaats te vinden in een periode, waarin de druk van het gericht zijn op het verkrijgen van stemmen minimaal is, d.i. in de periode na de verkiezingen.

• In een multi-raciale, multi-culturele, pluriforme samenleving dient de oriëntatie op geestelijk leven deel uit te maken van het kernprogramma van alle instellingen van onderwijs en vorming, vanaf de basisschool tot en met het hoger onderwijs.

In de concretisering van de filosofische, de maatschappelijke en de godsdienstige thema's binnen dit leerveld, profileert zich de identiteit van de betreffende instelling.

• Bij het samenstellen van radio-en t. v.-programma 's die bedoeld zijn om kinderen in aanraking te brengen met de werkelijkheid, zou meer bedacht moeten worden dat 'caricaturen' van de werkelijkheid alleen bij diegenen inzicht kunnen verdiepen, die deze werkelijkheid reeds enigermate kennen en die reeds tot een bepaald niveau van persoonlijke ontwikkeling zijn gekomen.

• De leerling strekt zijn leermeester tot eer, niet wanneer hij hem herhaalt, maar wanneer hij op hem voortbouwt.

***

De diepe kloof tussen Christendom en Jodendom is ten diepste terug te brengen op de Messiasverwachting. Christenen mogen geloven dat de Messias in de persoon van Jezus al gekomen is. Joden verwachten Hem nog steeds.

Onbekend is vaak wat de Messiasverwachting voor de Joden inhoudt. Het Interkerkelijk-Contact-lsraël (Postbus 202, 3830 AE Leusden) geeft regelmatig vouwbladen uit onder de titel 'Wat ieder van het Jodendom moet weten'. Eén van deze recent uitgegeven bladen is gewijd aan de Joodse Messiasverwachting. Ter informatie geven we het volgende door.

'In de officiële Joodse liturgie, m.n. in orthodoxe kring, wordt de Messias gewoonlijk als een bepaald persoon gezien. Zo heet het in het Joodse gebedenboek: "De Barmhartige verblijde ons met de dagen van de Messias, en met het leven in de toekomende eeuw". Ook de Middeleeuwse Joodse geleerde Maimonides spreekt zich in het twaalfde van zijn dertien geloofsartikelen aldus uit: "Ik geloof met volle overtuiging, dat eenmaal de Messias komen zal". En in het beroemde Achttiengebed (Sjemoné Esré) luidt het begin van de 15de bede aldus: "De spruit van David, uw dienaar, doe die snel ontspruiten". Ook in het Lecha Dodi ("Kom, mijn vriend"), de hymne waarmee iedere vrijdagavond in de synagoge Koningin Sabbat wordt verwelkomd, wordt de Messias aangeduid als de man uit de stam van Perez, en even verder als de zoon van Isaï de Bethlehemiet.

Wanneer dan ook in Matt. 22:42 de Farizeeën antwoord moeten geven op de vraag van Jezus: "Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij?", aarzelen ze geen moment: "Davids zoon". Daarom wordt in het Nieuwe Testament ook zoveel nadruk gelegd op de davidische afstamming van Jezus (Matt. 1, Luc. 1-3, Hand. 13:23, Rom. 1 : 3, 2 Tim. 2:8, Openb. 22:16).

Zo zijn binnen het Jodendom ook Salomo of Hizkia wel als de beloofde zoon van David beschouwd. In het begin van de tweede eeuw heeft de beroemde rabbi Aqiba de Messias gezien in de verzetsstrijder Bar Kochba, die in 135 tegen de Romeinen sneuvelde. Ook andere verzetsstrijders hebben zichzelf in de loop der eeuwen wel tot Messias uitgeroepen. De bekendste van hen is Sabbatai Zwi uit Smyrna, die in 1666 veel aanhang kreeg, en later, in Turkse gevangenschap, tot de Islam overging.

Rabbi Gamaliel noemt in Hand. 5 de namen van Theudas en Judas de Galileeër.

Het valt dan ook niet te verwonderen dat de Joodse Messiasverwachting vooral opbloeide in tijden van vervolging en verdrukking, zoals bijv. tijdens de Babylonische Ballingschap) (vgl. Jes. 61:1-3 en Dan. 9:25-26). De meeste zinspelingen op de komst van de Messias zijn dan ook te vinden in de apocriefe en apocalyptische literatuur (de boeken Jezus Sirach, Henoch, Psalmen van Salomo, Jubileeën, Baruch en 4 Ezra). (...)

Overigens wordt óók over de Messias binnen het Jodendom beslist niet eensluidend gedacht. Eén van de opvattingen is dat met de Messias niet één bepaalde persoon is bedoeld, maar verschillende, ieder die een leidende en zegenrijke functie in en voor Israël heeft bekleed, kan een Messias, een Gezalfde worden genoemd: van David af tot David ben Goerion toe. In dat kader zijn sommigen zelfs bereid om óók in Jezus van Nazaret een Messiaanse gestalte te zien (bijv. Marin Buber en Henri van Praag, zie de brochure "Jezus de Jood" ).

Het andere uiterste is dat er evenzeer Joden zijn die alle Messiaanse toekomstverwachting hebben prijsgegeven. Tussen deze beide uitersten in heerst bij velen de opvatting dat de functie van de Messias belangrijker is dan zijn persoon. Tenslotte is alleen God de Verlosser, en de uiteindelijke verlossing die Hij bewerkt is belangrijker dan de persoon, waarvan Hij zich bij die verlossing bedient.'

***

Toen ik enkele weken geleden terug kwam van de GOS conferentie in Chicago botste mijn bagagekar bij de uitgang van de vertrekhal op Schiphol letterlijk op die van ds. Huysman, hervormd predikant te Purmerend, niet te verwarren - zoals met hun foto's eens gebeurde in Kerknieuws van Scheps - met ds. L. Huisman van de Gereformeerde Gemeenten.

Ds. Huysman was enkele jaren lid van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk en verdedigde daar met vuur en verve zijn (oude) vrijzinnige beginselen, beginselen zoals die vandaag verwoord worden door het blad Zwingli, 'principieel-vrijzinnig en unitarisch maandblad'. Deze vrijzinnigheid - zoals het oude modernisme van de vorige eeuw was - is in de Hervormde Kerk een smalle rand geworden. Ds. Huysman was dan ook een zeldzame vertegenwoordiger ervan op de hervormde synode. Hij had daar om zo te zeggen niemands hart, maar wèl ieders oor. En goedsmoeds verdedigde hij wat officieel in de kerk spaarzamelijk is geworden. Ds. Huysman straalde altijd optimisme uit.

Kort en goed, onze karren botsten, ds. Huysman keek op en zei bij de herkenning heel spontaan: 'ik heb een slechte mededeling voor je'. Wat die mededeling dan wel was? Wel, 'de vrijzinnigheid in de wereld is springlevend'. Hij zei dat terugkerend van een wereldwijd congres in Tokio van de lARF (in het Nederlands: Internationaal Verbond voor Geloofsvrijheid). In Nederland las ik er niets over in de pers. Maar het laatste nummer van Zwingli helpt me uit de droom. Want daarin geeft ds. Huysman een relaas over zijn ervaringen. Hier volgt de kern.

'Op 27 juli vond de plechtige opening van het congres plaats in het hoofdkwartier van onze gastheer, de vrijzinnige Boeddhistische Rissho Kosei Kaj. Behalve de 800 deelnemers aan het congres woonden ruim 4000 aanhangers van deze Boeddhistische organisatie (met 5 miljoen leden) de opening bij. Als voorzitter trad Nikkyo Niwano op, sedert het vorige congres te Noordwijkerhout in 1981 voorzitter van de lARF (tevens president van de mede door hem in 1938 opgerichte Rissho Kosei Kaj).

Woorden van welkom werden ook gesproken door een vertegenwoordiger van de Japanse regering en door de burgemeester van Tokio. Van het Vaticaan en van de Verenigde Naties waren waarnemers aanwezig.

Tot mijn vreugde ontdekte ik in de massa dr L. Kovacs, Roemeens Unitarisch bisschop, dr. J. Ferencz, Hongaars Unitarisch bisschop, en dr. Kafka uit Praag, die ik bij eerdere reizen door Oost-Europa had leren kennen. In Noordwijkerhout had ik deze trouwe congres-bezoekers ook ontmoet.

Tijdens de openingsplechtigheid werden wervelende folkloristische dansen uitgevoerd (begeleid door een groot Japans orkest) die de 5000 aanwezigen in de enorme zaal fascineerden.

Het congres-thema luidde: De religieuze weg tot vrede-Oosters initiatief en Westers antwoord. Voor het eerst sedert de oprichting van de lARF in het jaar 1900 traden Oosters land als gastheer op en speel­de bij vergaderingen en groepsbijeenkomsten het Oosten een belangrijke rol. Dit bleek ook uit de lijst van deelnemers: Japan 281; Verenigde Staten 228; Canada 41; India 16; Philippijnen 10; BRD 24; Nederland 23; Engeland en Noord-lerland 19. Verder kleine groepjes uit Oost-Europa, Zwitserland en Nigeria.

Op zondagmorgen 29 juli vond een interreligieuze dienst plaats, waar Boeddhisten, Shintoïsten, Christenen, Hindoes, Sikhs en vertegenwoordigers van kleinere groepen aan deelnamen.

Een bloemen-ceremonie, kaarsen-processies, zangkoren en gebeden wisselden elkaar af. Nikkyo Niwano hield een preek van 20 minuten. Een gevoel van religieuze verbondenheid maakte zich van ons meester. Wij bewandelden "een religieuze weg naar de vrede". (...) Ik ben ervan overtuigd, dat voor de lARF een grote toekomst is weggelegd bij de hoogst noodzakelijke toenadering tussen de grote religies van deze aardbol in een geest van vrijzinnigheid en verdraagzaamheid. '

Bij het lezen van het bovenstaande vraagt men zich af - maar het is eigenlijk geen vraag - wat het unieke van Jezus is. Is Hij Jezus de Christus, Zaligmaker, Verlosser of iemand die voorgaat in de verbroedering van volkeren en godsdiensten? Dan mag de vrijzinnigheid 'springlevend' zijn maar hét Leven is eruit. Eigenlijk zou ds. Huysman een vervolgartikeltje moeten schrijven over de betekenis van Jezus Christus voor het christelijke geloof.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's