Het geding om de Kerk tussen Kuyper en Hoedenmaker (7)
De liberale overwinning bij de verkiezingen in 1897 zag Hoedemaker als een oordeel Gods over het ongeloof der christenen.
De liberale overwinning bij de verkiezingen in 1897 zag Hoedemaker als een oordeel Gods over het ongeloof der christenen. Wat hij overigens in de liberalen waardeerde, was dat zij tenminste vasthielden aan de eenheid van de natie.
Nog in hetzelfde jaar ontwaakt in Friesland de behoefte aan organisatie van de op zichzelf staande kiesverenigingen op chr. historische grondslag, die zich in 1898 aaneensluiten tot een Friese Bond, het program van beginselen werd opgesteld in Hoedemakers geest. Zelf hield hij zich buiten de oprichting, maar hij was wel bereid, dat program in te zien en te amenderen. Blijkbaar was er toch behoefte aan echt principieel verweer tegen de A.R. En men voelde, dat Lohmans Vrij-antirevolutionairen teveel teerden op anti-Kuyper gevoelens en dat de Utrechtse Christelijk-Historische Kiesbond van dr. Bronsveld teveel speculeerde op Hervormd-kerkistische en anti-papistische neigingen. De Friese Bond kwam nu met Hoedemakers visie als een echt alternatief: verwerping van de neutraliteit der Overheid inzake de Religie en de eis tot reformatie der staatsinstellingen in Chr. historische zin. Lohman schreef in De Nederlander dat hij het tijdverlies vond om stellingen te verkondigen aan wier toepassing niemand meer geloofde. Maar de Friezen, geneigd tot beginselstudie, zagen in, dat het enige zinvolle alternatief voor doleantie, V.U., vrije kerken en chr. politiek was: de christelijke staat met de Bijbel, waarvan de volkskerk het hart zou zijn. Zo ontwikkelde Hoedemaker het in zijn lezingen uit de jaren 1901 en 1902. Later zijn ze uitgegeven in het tijdschrift 'Bijeengebracht', onder de titel 'Vragen van den dag in het licht van Gods Woord'. Reorganisatie van de Kerk noemde Hoedemaker 'de sleutel tot de positie'. De landskerk moest weer kunnen belijden - dan zou er geestelijke leiding van haar kunnen uitgaan.
In hetzelfde tijdschrift begon Hoedemaker in 1900 aan een principiële uiteenzetting van Artikel 36 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Dit groeide uit tot een zelfstandig boek. Daarin bestreed Hoedemaker de gemenegratieleer van Kuyper, volgens welke de Bijbel voor de Overheid als zodanig een gesloten boek is. Uitgaande van het reformatorische principe van de verstaanbaarheid van de Schrift, ook voor hen, die tot regeren geroepen zijn, zodat men geen geestelijkheid of theologie nodig heeft om haar uit te leggen, maakt Hoedemaker de weg vrij tot het inzicht, dat grondwetsherziening in Chr. nationale zin geen onmogelijkheid is, zoals Kuyper dacht, die de staat daarom maar liever uit het natuurrecht deed opkomen, maar dat zó de Overheid aanspreekbaar zou worden op haar verantwoordelijkheid tegenover God. Bij de stembus van 1901 houdt Hoedemaker zich stil. De coalitie van A.R., R.K. en Chr. Hist, wint en Kuyper wordt minister-president. In 1902 richt Hoedemaker dan op de 'Vereeniging tot Handhaving van het Christelijk-historisch Karakter der Natie', om zo het beginsel zuiver te stellen, juist nu er een christelijk ministerie aan de macht is. Als orgaan van deze vereniging neemt hij een blad over, de 'Amsterdamsche Volksbode', en gaat daar in schrijven.
Proef op de som
In 1903 komt voor de coalitie de proef op de som, bij de indiening van een nieuwe wet op het Hoger Beroepsonderwijs. Fel valt Hoedemaker deze wet aan. Wat blijkt immers? De openbare school mag niet christelijk zijn. Het leugenachtige van de geliefkoosde uitdrukking 'een christelijke regering' komt zonneklaar uit. Het gaat het kabinet louter om de bevordering van de bijzondere hogeschool! Hoedemaker eist daarentegen het herstel van de theologie aan de openbare universiteiten. 'De Overheid behoort van de chr. religie professie (d.i. belijdenis) te doen door de instandhouding van een faculteit der godgeleerdheid aan de staatsuniversiteit. De theologie ontsteke het licht, waarbij de andere wetenschappen wandelen. Er bestaat geen indifferente (d.i. waardenvrije) wetenschap, want zij gaat uit van de ontkenning der theologie. Het gaat om de vraag of de universiteit aan het ongeloof wordt prijsgegeven dan wel of de theologie weer haar licht zal kunnen uitstralen over het hele terrein van wetenschap.' Het Amsterdamse ministerie van predikanten neemt dit protest van Hoedemaker over, gevolgd door Rotterdam en andere steden en zij richten een petitie aan de Tweede Kamer om herstel van de Theologische Faculteit. Later wordt door de Confessionele Vereniging een leerstoelenfonds ingesteld om tenminste te komen tot series gastcolleges in verschillende faculteiten van de openbare universiteiten - oorspronkelijk een idee van Hoedemaker.
In 1904 was er een vergadering te Amsterdam van enige Fries-Chr. Hist, vrienden. Hoedemaker was in hun midden. Lang en breed werd gedelibereerd over de juiste houding tegenover de coalitie. Eindelijk nam Hoedemaker het woord. Hij schold de vrienden voor ongelovigen en lafhartigen. Het was nu de tijd om de samenwerking met de partij der separatie op te zeggen. Kuypers stelsel was de verloochening van het Chr. Hist, beginsel. 'De hele sfeer is: wij redden 't wel buiten God'. Men kwam in verlegenheid bij deze uitbarsting van de meester. Eén verzuchtte: 'Wij moeten thans berusten in wat christelijke mannen ten goede voor ons land beproeven. Wijzelf spreken in te algemene bewoordingen om door mannen van de praktijk te worden verstaan'.
'Werpt Jona buiten boord', riep Hoedemaker, 'dan gaat de storm vanzelf liggen!' Maar neen, de vrienden wilden Jona niet missen. Ze eerden in hem de politieke profeet.
Schoolkwestie
In 1905 publiceerde Hoedemaker een brochure over de schoolkwestie: 'Het eerstgeboorterecht voor een schotel moes?' Daarin schreef hij: 'De christelijke school is de afgod van ons christenvolk geworden. Indien men niet spoedig voor het recht Gods opkomt, zal dat eigen christelijk onderwijs, waarvan ons volk zozeer de zegen heeft ervaren, het gewicht zijn, dat naar de diepte trekt. De grote vergissing van ons christenvolk ligt in de mening, dat de christelijke school als zoodanig redding kan brengen - terwijl het gehalte van ons volk verwaterd is. De subsidies uit de staatskas vormen de schotel moes waarvoor men zijn eerstgeboorterecht verkoopt'.
Uiteindelijk werd het geschil tussen Antirevolutionairen en Fries-Chr.-historischen over het karakter der openbare instellingen één der naaste oorzaken geworden van de val van het ministerie. Toch adviseerde Hoedemaker bij de verkiezingen van 1905 in zijn brochure 'Noch rechts, noch links, maar den koninklijken weg' om niet uit wrok tegen Kuyper of de A.R. de opkomende linkse partijen te steunen. Tegelijk gaat hij echter tekeer tegen de antithese als een valse tegenstelling: 'De leer dat de levende God geen zeggenschap heeft in Nederland en dat de godsdienst in de binnenkamer, niet in het parlement thuishoort, heeft Kuyper in de gelegenheid gesteld een nieuw staatsrechtstelsel te introduceren, en aan dit stelsel het prestige te verschaffen van een geloofsdaad te zijn. De antithese brengt nl. het stelsel van het parallellisme, waarbij de Overheid voor zichzelf in haar onzijdigheid inzake de religie volhardt en anderzijds aan beide levensbeschouwingen, geloof en ongeloof, gelijke steun biedt. De stembus van 1905 heeft echter bewezen, dat het stelsel hetwelk de natie in een christelijk en een niet christelijk volksdeel splitst, niet alleen zijn verleidelijke, maar ook zijn gevaarlijke zijde heeft'. Het roept nl. een enorme vijandschap op: eerst bestempelt men allen die niet mee willen als heidenen - om ze daarna als vijanden in het andere kamp te vinden...
Emeritaat
Bij de ingang van zijn emeritaat, 1 okt. 1909, hield Hoedemaker een afscheidspreek, uitgegeven onder de titel: 'De Sabbath om den mensch'. In de inleiding zegt hij: 'Ik heb 30 jaren gewandeld op een weg, waar niet één mijner vrienden één enkelen voetstap heeft gezet'. In de laatste woorden van de preek wint het vertrouwen het echter van de verbittering: 'En nu, ik sta aan het einde. Niet meer kan ik met Simson zeggen: Nu zal ik heengaan en mij schudden als andere malen. God legt mij terzijde. Het valt mij zwaar, mij bij Zijn niet begrepen leiding neder te leggen. Maar Hij geeft mij het woord van Manoachs vrouw op onze kerk toe te passen: dat de Heere nog geen lust heeft ons te doden. Hij geeft het mij, vast te houden dat Hij het doet, dat Hij zorgt voor Zijn eer, dat Hij het ongeloof zal beschamen'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's