Uit de pers
Meer en meer blijken algemeen christelijke normen weg te vallen. Alleen, laat men niet menen dat wat er voor in de plaats komt neutraal zou zijn!
Ontkerstend land
In de Leeuwarder Courant schreef Jacob Noordmans onlangs een artikel over de voortgaande ontkerkelijking. Uit Nipo-onderzoeken zou blijken, dat een minderheid van het Nederlandse volk, ongeveer 20 procent, 's zondags regelmatig naar de kerk gaat. Deze terugval blijft niet zonder gevolgen, zoals Noordmans terecht constateert.
'Zij krijgt onafwendbaar diep ingrijpende gevolgen, niet alleen voor het kerkelijk en zedelijk, maar ook voor het politiek en sociaal leven in dit land. Als de kerken leeg blijven lopen, zal dat bijvoorbeeld onvermijdelijk het CDA aanhang kosten. Het zal bij allerlei christelijke sociale en culturele instellingen tot ledenverlies en verzwakking leiden, zoals bij het CNV, de NCRV en niet te vergeten bij het bijzonder onderwijs.
De invloed van de kerken in het volksleven zal ook gestadig tanen. Als de kerken zich uitspreken over politieke en sociale vraagstukken, gebeurt dat namens een kleiner wordende minderheid. Dat zal de kerkelijke leiders en lichamen tot nog meer behoedzaamheid en bescheidenheid moeten stemmen. Als het Interkerkelijk Vredesberaad zich bijvoorbeeld richt tot regering en volk, moet het er zich wel terdege van bewust zijn, dat het namens kerken spreekt, die 's zondags zienderogen minder mensen trekken. Verreweg het grootste kerkgenootschap in Nederland wordt dat van de on- en buitenkerkelijken.
Het leger worden van de kerken op zondag krijgt uiteraard ook materiële en personele gevolgen. Het tekort aan priesters en predikanten daalt, nu de schare die ze moeten dienen slinkt. In de Hervormde Kerk ontstaat al een overschot aan dominees. Het zal steeds bezwaarlijker worden, oude, grote kerkgebouwen in stand te houden. Dit wordt des te moeilijker doordat steeds minder trouwe kerkleden steeds meer geld voor de kerk moeten opbrengen.
Als er 's zondags steeds minder mensen naar de kerk gaan, zal dat ongetwijfeld ook konsekwenties krijgen voor de zondagsheiliging en de nog bestaande, steeds meer achterhaalde zondagswetten. De zondag wordt meer en meer een dag voor sport en ontspanning, voor werelds vermaak en vertier, als onderdeel van een vrij weekeinde, dat vrijdag al begint. De druk om de zondag ook wettelijk tot een gewone dag te maken zal toenemen. Het wordt zo steeds minder zichtbaar dat Nederland eens een christelijke natie was. Alleen in enkele oorden, die als achterlijk of zwart worden bestempeld, zal nog sprake zijn van een zichtbare zondagsheiliging.
De zondagse kerkdiensten weten de mensen kennelijk te weinig te binden en te boeien. De kerkgang lijkt te weinig een belevenis te zijn, te weinig houvast te bieden voor leven en sterven. Opmerkelijk is, dat evangelisten zoals Billy Graham wel grote scharen weten te trekken. In Amerika maakt de zogeheten 'elektronische kerk' geweldige opgang: televisie-kerkdiensten met meeslepende predikers. Misschien waait daar wat van over naar Nederland. Het aangekondigde optreden van de olympisch-evangelische held Carl Lewis voor de EO is wellicht een voorteken van zo'n ontwikkeling.
Nederland kan in elk geval geen gedoopte natie meer heten. Ook kerkelijk gezien keren de oude tijden in dit domineesland nimmer terug. De kerk staat nog wel midden in het dorp, doch leeg, als monument en als toeristisch object van NCRV's 'Kerkepad'. Maar het Nederlandse volk lijkt het kerkepad voorgoed bijster te zijn. Ons land wordt meer en mer een na-christelijk land, een buiten-en onkerkelijke natie. Het wordt weer wendings- en missiegebied, waar de kerkklokken 's zondags goeddeels vergeefs en folkloristisch luiden.'
Het is niet de eerste en het zal ook wel niet de laatste ontboezeming zijn over de krisis waarin het kerkelijk leven verkeert. Het is ook belangrijk, dat we de situatie waarin we verkeren analyseren. Dat kan ons behoeden voor dromerijen en werkelijkheidsvreemde beelden. Toch roept dit artikel ook wel vragen op. Is de invloed van de kerk op de samenleving een getalsmatige zaak? D.w.z. tanend bij afnemend kerkbezoek? Of moeten we de zaak niet anders stellen en meer vragen naar de kwaliteit van ons kerk-zijn, anders gezegd: Leeft bij gemeente bij en uit het Woord? Het Nieuwe Testament laat zien, hoe een getalsmatig kleine gemeente toch invloed uitoefent en aantrekkingskracht heeft. De minderheidspositie van de kerk in Nederland heeft stellig gevolgen voor de relatie kerk-samenleving. Maar dat te onderkennen, mag niet leiden tot verlamming en evenmin tot reclamestunts om weer wat populariteit te krijgen. Meer dan ooit zal de gemeente van Christus zich af moeten vragen: Waar staan wij? Meer dan ooit zullen we persoonlijk en gemeentelijk hebben te zoeken naar vernieuwing. De nood, zoals die in dit artikel geschetst wordt, moet ons dringen tot een bezig-zijn met de werkelijk belangrijke vragen zoals de Schrift die stelt. Helaas zien we zo vaak een bezig-zijn met de randvragen. Meer en meer zullen we ons moeten oriënteren op het beeld van de nieuwtestamentische gemeente. Wat in hun situatie gold, geldt onder veranderde omstandigheden ook ons: Om in de verbondenheid met Christus waakzaam en werkzaam te zijn, levend voor de gerechtigheid, getuigend en dienend. Juist de inkrimping in getal, invloed en man/vrouw-kracht móet ons er toe leiden ons op de wezenlijke zaken te concentreren: de volharding in het geloof, de spankracht van de hoop, de arbeid der liefde. Zo betrokken op het wezenlijke, is er geen reden tot triomfalisme, maar zijn we als weerlozen en zwakken volstrekt aangewezen op de genade van Christus. Maar zo juist zouden we weleens zout en licht in de samenleving kunnen zijn.
***
Aanval op het huwelijk
In Opbouw gaat prof. dr. mr. J. J. Oostenbrink in op het voorstel van een drietal juristen het huwelijk als door de overheid geregelde rechtsverhouding af te schaffen, d.w.z. het te laten afsterven, doordat de overheid geen huwelijken meer voltrekt met ingang van een bepaalde datum. Wat is de grief van deze auteurs tegenover de huidige rechtsverhouding?
'Nu zal niemand ontkennen, dat het Nederlandse huwelijksrecht in belangrijke mate door een christelijke geloofsovertuiging is beïnvloed. Het is juist dat aspect, waar de auteurs nu hun bezwaren tegen richten. De staat, zo betogen zij, trad bij de huwelijkswetgeving "zelf feitelijk op als het morele gezag".
En dat de wet het huwelijk alleen in zijn "burgerlijke betrekkingen" zou beschouwen, zoals in het Burgerlijk Wetboek staat, achten de auteurs, "een grote leugen". Hun kritiek richt zich er o.a. op, dat die wetgever dat huwelijk niet zou hebben opgezet als een open organisatie die door de leden zelf kan worden ingevuld. "Polygynie, polyandrie, groepshuwelijk of homo-huwelijk, ze bestaan in het huwelijksrecht niet, er is slechts het ene, door de wetgever gewilde huwelijk."
En wanneer zij verwijzen naar een dit jaar verschenen pre-advies van L. G. M. Stevens "Huwelijk en gezin in de fiscale wetgeving" wordt daar over aldus geschreven: "Van reformatorische zijde werd kort geleden nog onomwonden gesteld, dat god de huwenden bij elkaar brengt en dat god de overheid als instrument gebruikt die geroepen is de regels daarvoor te stellen en toe te zien op de naleving daarvan". Dat God hier beide keren met een kleine letter is geschreven komt in het geheel van dit artikel bepaald niet over als een zetfout.
De schrijvers zien dat huwelijk "als een opgedrongen leefwijze'', die aan de individuele vrijheid van de mens tekort doet. Dat is dan misschien in de parlementaire stukken niet zo uitdrukkelijk gezégd, maar, aldus de schrijvers, wel impliciet als zodanig beoogd.
Het huwelijk zien zij dan ook als een relatie, waar mensen door de wetgever toe gedrongen worden. En dat zou niet de taak van de staat zijn. Die heeft primair te maken met burgers, met individuen, die hun eigen keuzen moeten kunnen maken. Het aldus geregelde huwelijk zou daardoor te kort doen aan de rechten van het individu, zelfs te kort doen aan de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing, privacy en non-discriminatie. En die vrijheid moet er zijn, aldus de schrijvers, of de mens nu kiest voor een "commune, een relationeel netwerk, voor een lat-vorm (living apart together, J.J.O), voor polyfiele relatievormen, groepshuwelijken, concubinaat" etc, welke mogelijkheden dan nog weer gesplitst zou kunnen worden al naar gelang die relaties "een hetero-, homo-, bi- of non-seksuele grondslag hebben".
De mens is hier kennelijk geheel zich zelf tot norm geworden en op dit terrein (zie hieronder) zou de overheid zich volgens de schrijvers daar buiten hebben te houden.
Opvallend is dan ook - of misschien toch ook weer niet - dat in het hele artikel het woord kind nauwelijks voorkomt. Alsof het in het leven alleen gaat om mensen, die, naar hun believen, als individuen (samen)-leven.
De vermelding van een - internationaal - grondrecht "to found a family", om een gezin te stichten, wordt in het artikel dan ook alleen vermeld in het kader van enkele problemen, belemmeringen voor dat "ideaal" zoals de schrijvers voor ogen staat. "Het jaar van het kind" lijkt al weer lang te zijn vergeten.'
De schrijver in Opbouw wijst er op dat de wetgever in de verwarrende verhoudingen in onze tijd en gezien allerlei maatschappelijke ontwikkelingen inderdaad voor vragen komt te staan. Burgers gaan mogelijkheden en grenzen van de wetgeving zien, de neiging tot wetsontduiking neemt eer af dan toe. Maar hoe zit het nu met de wetgeving ten aanzien van het huwelijk?
'Is nu, zoals de schrijvers van dat artikel, zij het terloops, betogen, het hedendaagse huwelijksrecht metterdaad in strijd met o.a. de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging?
Wanneer ik me hierbij tot enkele van de meest essentiële aspecten beperk, valt er toch zeker o.m. op het volgende te wijzen:
a. Allereerst wel dit, dat geen enkel grondrecht onbeperkt is. Zo bepaalt artikel 6, lid 1, van de huidige, in 1983 in werking getreden grondwet, dat een ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet.
De wet kan dus beperkingen aanbrengen. Trouwens, het reeds geciteerde artikel van prof. Van Maarseveen uit 1982 maakt wel duidelijk, dat deze auteur daar met beperkingen van de vrijheid van godsdienst geen enkele moeite had. Integendeel.
b. In het artikel van 18 augustus 1984 wordt nu de vrijheid van godsdienst - en niet alleen dit grondrecht - gebruikt in een pleidooi, dat de wetgever zich in zeer sterke mate op het terrein van de huidige huwelijkswetgeving moet terugtrekken en wel om aan de burger de door de schrijvers gewenste vrijheid te geven. Maar vrijheid van godsdienst wil echter allerminst zeggen, dat de wetgever zich a-religieus, laat staan antireligieus, zou moeten opstellen. Zoals ook de zgn. scheiding van kerk en staat bepaald niet wil zeggen, dat de wetgever zich op terreinen, die tot de wetgevende taak van de overheid moeten worden gerekend - waar die grenzen precies zullen liggen, daarover zullen de meningen wel uiteen blijven lopen - normloos zal moeten opstellen. Het beroep op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging - en voor het recht op privacy en het beginsel van non-discriminatie geldt het zelfde - zoals ons dat hier wordt voorgeschoteld, kan in ieder geval de door deze schrijvers getrokken conclusie niet "dragen". Een dergelijke redenering lijkt me om meerdere redenen volstrekt ondeugdelijk,
c. Natuurlijk is het wel zo, dat door de komst van o.a. grote moslemgroepen de aandrang tot het aanbrengen van wijzigingen in de (huwelijks)wetgeving zal (kunnen) toenemen. En laten we blij zijn, dat in Nederland voor gerechtvaardigde verlangens, voortkomend uit godsdienstige overtuigingen, altijd een open oog heeft bestaan.
Zoals er ook uit andere opzichten best eens wijzigingen van deze en andere wetgeving te verdedigen en te overwegen valt. Maar dat is wel een andere zaak.
Centraal staat hier echter de vraag, of op grond van de huidige grondrechten een dergelijke terugtred van de wetgever als door de schrijvers wordt bepleit wordt voorgeschreven. En die vraag moet zonder meer ontkennend worden beantwoord. Het huwelijk is, gelukkig, metterdaad geen gevelornament van onze rechtsorde maar hoeksteen. Wie hoekstenen weghakt bewerkt maar één ding: verval.'
We zien uit dit alles duidelijk hoe wetgeving en overheidshandelen alles te maken hebben met ethische beslissingen. Het is toch duidelijk, dat de visie van de drie juristen bepaald wordt door hun visie op relaties. Een overheid kan maar niet neutraal handelen en zich onthouden van normen. Dat heeft niets te maken met zedenmeester spelen, maar alles met de rechtsbescherming. Uit het stuk van de drie juristen blijkt m.i. ook waar men terecht komt, als de overheid er alleen nog maar is om bepaalde economische aspecten te regelen en de rechtsstaat ver op de achtergrond geschoven wordt ten gunste van een verzorgingsstaat. Het voorstel van de Rotterdamse juristen ligt in het verlengde van het eerste artikel, over de ontkerstening. Meer en meer blijken algemeen christelijke normen weg te vallen. Alleen, laat men niet menen dat wat er voor in de plaats komt neutraal zou zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's