De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vos en Kuyper over de kerk (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vos en Kuyper over de kerk (2)

10 minuten leestijd

De volkskerk bij Vos moet dus niet verstaan worden als een samenraapsel en samenstroming van alles wat het volk voortbrengt, maar als een missionair doel.

Ingelijfd

Ik wil nog even doorgaan over de doop. De doop is een inlijving in de openbare gemeenschap van God met zondaren. Ten bewijze daarvan spreekt de predikant de woorden uit van het doopbevel van Christus uit Matt. 28 : 19: In de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De besprenging betekent en verzegelt, dat God de dopeling voor een reine houdt. Zonder vergeving zou hij niet in Gods gemeenschap worden opgenomen. Daardoor wordt hij afgezonderd van de wereld en gebracht in een lichaam dat Christus toebehoort. Vos bedoelt met dat lichaam de kerk. En dan komt hij weer terug op de kinderdoop. Hij wijst er op dat onze kerk vasthoudt aan het verband tussen geloof en doop. Zijn gedachtengang is dan als volgt. Wie gedoopt zal worden behoeft vergeving. Dat betreft zowel wie 'belijdenis des geloofs' heeft afgelegd, als wie dat nog niet kan doen. Beiden behoeven vergeving omdat ze in Adam verdoemd zijn, onder de toorn van God zijn. Beiden worden gedoopt in de veronderstelling dat ze de hebbelijkheid van het geloof bezitten. Bedoeld is een vermogen tot geloof en wel door de invloed van de Heilige Geest. De toeëigening van Christus en Zijn weldaden door het geloof is niet onmogelijk meer. De dopeling bezit, niet van zichzelf, het beginsel van zedelijke reinheid en persoonlijke zelftoewijding. Zo probeert Vos uit te leggen dat er niet zomaar een mensenkind gedoopt wordt, maar een mogelijk kind van God, niet alleen in de zin van misschien, misschien is het een kind van God, het is meer. Het is de gave van God waardoor het kind een kind van God kan worden. Wellicht kan een beeld ons helpen het nog beter te verstaan. God wordt wel met een pottenbakker vergeleken. Welnu God vormt de vaten voor Zijn genade, de onmisbare genade kan worden ingestort. Maar het vat is niet die genade zelf. Het beeld is niet van Vos, maar van mij, maar ik hoop zo duidelijk te maken wat hij bedoelt. Wat hij hebbelijkheid noemt, is in mijn beeldspraak dus het vat. En dan past daarbij nog te zeggen dat een mens die hebbelijkheid ook niet van zichzelf heeft bij zijn geboorte, maar ook van God ontvangt.

Vos maakt wel duidelijk dat hebbelijkheid niet hetzelfde is als hebben, want hij zegt: De doop verzegelt geen onderwerpelijke genade en brengt zelfs geen beginsel van geestelijk goed in het hart. De doop verzekert voorwerpelijke genade, maar in veronderstelling en met de bede, dat zij onderwerpelijk eigendom zal worden' (cursieven van Vos). Even later verklaart hij dat onze kinderen niet gedoopt worden om kinderen Gods te worden, maar omdat ze het reeds zijn. 'Door dit plechtig teken worden zij veeleer daarom in de Kerk opgenomen, omdat ze reeds tevoren uit kracht van de belofte tot het lichaam van Christus behoorden.' Vanuit het voorgaande kan Vos dus zo stellig het laatste zeggen. Hij houdt de kleine kinderen niet voor ongelovigen. In deze gedachtengang speelt Jezus' woord in Marcus 16 : 16 een belangrijke rol. Zonder geloof geen doop. Blijkbaar denkt Vos dan hier niet aan het geloof van de gemeente, of aan het geloof van ouders, maar aan het kind zelf. Hij wil er evenals Kuyper voor waken dat de doop van kinderen vervalt tot een leeg gebaar uit gewoonte of bijgelovigheid. Hij wil in zijn beschouwing aansluiting bewaren hij oudere gereformeerde theologen als Voetius, en zeker ook Calvijn naar wie hij hier verwijst. Dat doet hij niet vaak uitdrukkelijk, hier wel. En inderdaad men leze Institutie IV, 16 er eens op na.

Daar staan de zaken zoals ik ze weinig gehoord heb en wellicht ook te weinig heb laten horen. Want, o we zijn zo bang voor te veel, intussen geven we de gemeente dikwijls te weinig. De rekening wordt in het pastoraat dan wel gepresenteerd. Maar hoe zal dat zijn als we in de prediking zo mager zijn. Laten we van deze dingen niet schrikachtig zijn, omdat anderen op grond van een bepaalde verbondsbeschouwing de bekering niet zo serieus hebben genomen en in een zeker automatisme zijn vervallen. Wij vervallen steeds weer in een ander automatisme van het niet echt serieus nemen van de kinderdoop. Calvijn sluit IV hoofdstuk 16 af met de waarschuwing: 'En daaruit zou niet alleen een goddeloze ondankbaarheid tegen Gods barmhartigheid ontstaan, maar ook een zekere traagheid om de kinderen tot vroomheid te onderwijzen. Immers wij worden door deze prikkel er niet weinig toe opgewekt om hen in de ernstige vreze Gods en in de onderhouding van de wet op te voeden, wanneer wij overdenken, dat ze terstond van hun geboorte af door Hem als Zijn kinderen beschouwd en erkend worden. Laat ons daarom, wanneer we niet boosaardig Gods weldadigheid willen verduisteren Hem onze kinderen aanbieden, aan wie Hij een plaats toegekend heeft onder zijn vrienden en huisgenoten, dat is onder de leden van de kerk'.

De kerk: gemeenschap en lichaam

Al schrijvende over verbond en doop ben ik me opnieuw bewust geworden hoe bepalend deze zijn voor je visie op de kerk. En dat zal weer de prediking en het pastoraat bepalen. De kerk komt bij Vos ook na het verbond en de doop, en daarmee is uitgedrukt dat de kerk niet het initiatief van mensen is, maar Gods zaak. Dat blijkt bij de eerste zin over de kerk reeds. Hij spreekt eerst over de kerk in het algemeen, dan over de kerk in Nederland. Hij noemt de kerk een gemeenschap van mensen die God met Zichzelf, heeft gesticht. Gods vaderlijke gemeenschap komt naar de mensen toe en is onder hen werkzaam. Vóór de val uit liefde, na de val uit genade. De weldaden van de beloofde Verlosser worden toegepast, ofwel van het verbond in Hem. De kerk van het Nieuwe Testament is het lichaam van hen die Hem toebehoren, die Zijn naam dragen, omdat zij in Hem Gode gewijd zijn (Zijn volk).

De kerk zichtbaar en onzichtbaar

De wederkerige gemeenschapsoefening van God en Zijn kerk is uiteraard onzichtbaar. Wie door een oprecht geloof innerlijk des Heeren zijn, is de Heere bekend. Zij vormen het geestelijk lichaam, de wezenlijke substantie van de kerk, de ene heilige, algemene, christelijke kerk, de onzichtbare kerk. Maar als gemeenschap van mensen is ze altijd zichtbaar, en dat dan binnen de grenzen van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, tengevolge van werkzaamheid, ordening enz. God werkt in haar tot redding van zondaren. Haar leden zijn door een reeks van bijzondere daden van God afgezonderd van en uitverkoren uit het geheel van de overige mensheid. In de Heilige Geest oefenen zij gemeenschap met de Vader en Zijn Zoon. Zij zijn zo tot redding gekomen en aanvankelijk behouden.

Het gaat bij onzichtbaar en zichtbaar bij Vos niet om twee kerken, maar om twee aspecten aan de ene kerk des Heeren. Dat blijkt ook als hij zegt dat daar waar de naam Gods weerklinkt en de sacramenten worden bediend de vergadering van de uitverkorenen ten eeuwigen leven is. Dus waar de zichtbare kerk is.

Koninkrijk Gods

De nieuwtestamentische aanduiding Koninkrijk der hemelen of Koninkrijk Gods betrekt Vos uitsluitend op de kerk naar haar onzichtbare en zichtbare zijden. Het fundament van de kerk is naar het Woord Jezus zelf. De gelovig aangenomen prediking van Hem is het verbindingsmiddel met Hem. Elk lid heeft zijn eigen plaats en bestemming. De banden die samenbinden zijn levenswerkingen, ambtsbedieningen, betrekkingen van geestelijke liefde, maar ook natuurlijke banden als die van huwelijk, gezin en volk hebben hier betekenis. God zoekt Zijn eer ook niet alleen in het hart waarover Hij regeert, maar in heel het leven van de Zijnen. Daarom is er een strijdende en triumferende kerk. De verheerlijking van God de Vader in de naam van de Zoon door de Heilige Geest is het hoogste doel, dat bedoelde Jezus met de aanbidding van de Vader in geest en waarheid. Vos wijst er op dat deze dienst waarneembare vormen niet uitsluit, maar juist insluit. Dat kan niet anders, daar we toch mensen zij n. Vos gaat niet voorbij aan het verschijnsel naam-christen. Hij onderscheidt ze van wedergeborenen. Ze zijn gedoopt, maar niet tot geloof gekomen, toch is Christus voor hen niet zonder betekenis.

Vos ziet twee instituten die het leven vorm geven en er zorg voor moeten dragen dat onderhouden wordt al wat Christus geboden heeft, de kerk en de staat. We kunnen hier denken aan de functie van de Wet voor het burgerlijke leven. Welnu, zo zegt Vos, ook de naam-christenen zijn verplicht God te gehoorzamen. Alle gedoopte volken, die de 'uitwendige' kerk uitmaken moeten door de dienst van de Kerk onderwezen worden en door de bevelende macht van de Overheid onderhouden alles wat Christus heeft bevolen. Hij stelt dit in het eschatologische perspectief van Filippenzen 2 dat alle knie zich buigen zal en alle tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid van de Vader.

Vos was een theocratisch denker en onderscheidt zich daarin zeer van Kuyper. De laatste sprak als het over kerk en staat ging liever over de kerk als organisme en zag voor de Overheid geen taak als het ging over de kerstening van het leven. Kuyper hield alle theocraten voor late middeleeuwers. Intussen is uitgemaakt dat Kuyper met zijn organisme-denken een echte negentiende eeuwer is. Dat is wel dichter bij ons, daarom voor ons levensgevoel duidelijker. Of het dichter bij de waarheid is, is een vraag. Wel ben ik me bewust dat je bij een theocratie niet kan uitgaan van wat voor ogen is. Waar hebben we dat meer gehoord?

De Christelijke kerk in Nederland

Na over de kerk in het algemeen te hebben gesproken, gaat Vos verder over de christelijke kerk in Nederland. Hij onderscheidt de kerken van de verschillende naties en acht de gescheidenheid wettig. Ze is menigmaal vruchtbaar gebleken. Het gaat meer om onderscheidenheid dan om gescheidenheid. Hij gaat niet in op het oecumenische probleem. Hij ziet de kerk als moeder van de natie. Het burgerlijke volk bestaat uit minstens drie naties, maar de kerk is de in het verbond opgenomen Nederlandse natie. Vos denkt in dit opzicht dus in geen enkel opzicht individualistisch, hij denkt in volken. Jezus beval volken te dopen. Dat is er de achtergrond van. Daarom is Vos ook voorstander voor de volkskerk. Hij zegt met zoveel woorden: Zelfs Christus heeft de volkskerken der heidenen gewild, Matt. 28 : 19. De volkskerk bij Vos moet dus niet verstaan worden als een samenraapsel en samenstroming van alles wat het volk voortbrengt, maar als een missionair doel. Het doel van Christus is niet minder dan de heiliging van de volken der wereld door de bediening van Woord en sacrament en vandaaruit is zeker de voorliefde van velen voor een volkskerk te verklaren. In volkskerk zijn kerk en natie met elkaar verbonden. Het Woord brengt ook de eenheid van het lichaam der kerk tot uitdrukking. Je kunt in een land geen twee volkskerken hebben. Het meervoud van volkskerk bestaat niet binnen de grenzen van een land. Wel kunnen volken, naties, zeg bij ons Friezen, Franken, Saksen een volk worden, een natie geboren uit het geloof in de ene Heere Jezus Christus. Dat hebben mensen als Vos gezien en uitgedragen. Hij zag het gebeuren in de zevende eeuw toen de volken hier bekeerd werden, hij zag de vernieuwing zich voltrekken door de hervorming in ons land en uit die strijd zag hij de republiek ontstaan, zeg geboren worden. Het was voor hem een onloochenbaar feit dat hier de kerk de moeder van de natie is. En daarom zegt hij: in het Koninkrijk der Nederlanden, is de Nederlandse Hervormde Kerk de Kerk.

Hij is om die uitspraak gesmaad. In een recensie over mijn proefschrift werd door een gereformeerd schrijver dit als een van de grootste dwaasheden voorgesteld. Het lijkt ook een dwaasheid in een eeuw met zoveel gescheiden kerken. Toch was het geen hoogmoed van Vos om het zo te zeggen, maar een grote liefde voor de kerk, haar roeping en haar historie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vos en Kuyper over de kerk (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's