De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit vrije goedheid...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit vrije goedheid...

6 minuten leestijd

Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Klaagliederen 3 : 22a

Onze tekst is een flonkerende ster aan een donkere hemel in een donkere nacht. Een donkere nacht van smart komt ons tegen uit de Klaagliederen van Jeremia. Het is één diepe, lange rouwklacht. Een klacht om de zonde van Juda. Een klacht om de val van Jeruzalem. Liederen van smart vloeien uit de mond en uit het hart van Gods profeet. Want onder de stormen Gods over land en volk boog óók de levensboom van Jeremia diep door. Hij lijdt mee met zijn volk. Hoofdstuk 3 is één en al een belijdenis van Jeremia die zich één weet met zijn volk. Ook hij klaagt dat de hemel gesloten is. Zijn gebed komt er niet door (vs. 8). De hemel is zwart en donker vanwege de oordelen Gods, en ze zijn rechtvaardig (h. 1 : 18).

En wanneer ons oog nu langs deze donkere hemel glijdt die ons in deze liederen wordt bezongen dan verschijnt daar ineens die heldere ster. En midden in smart en klacht klinkt de heerlijke belijdenis: 'Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn'.

Het is donker en duister. De oordelen van God gingen over land en volk en stad, en ze waren rechtvaardig. En toch, en toch, niet vernield. Toch zijn we nog niet omgekomen. De Heere heeft nog gespaard. Niet vernield, o ja het was wel verdiend. Het Woord in de wind geslagen. Naar de Heere niet gehoord. De afgoden werden gediend. De Heere had het ook laten verkondigen dat Hij Zijn straffen en Zijn oordelen zou uitvoeren. En Hij maakt Zijn woord waar! En toch, staande bij de ruïnes van de stad gloort door de donkere nacht een straal van verwondering: 'niet vernield'. Gespaard! Toch gedragen en verdragen! Voor Jeremia een wondere genade. Niet vernield, hoe kan het? Vele slagen, hevige stormen over stad en land, enorme ruïnes. En toch... niet vernield. Verwonderde u zich daar ook wel eens over? Niet vernield. U had het verdiend. Gods woorden in de wind geslagen. Naar Zijn stem niet gehoord. Eigen wegen gekozen. En de Heere kwam u tegen. Hij zette u stil. Of u werd ziek. U kwam te staan bij de ruïnes in uw leven. Uw levenshuis stortte in. Alles waar u uw vertrouwen op zette raakte u kwijt. Klacht op klacht.

En ineens drong het tot u door: 'niet vernield'. Niet omgekomen. Wat een wonder! U had het verdiend. Het was recht geweest. Uw levensboom boog diep door. De nacht was duister, maar niet vernield. Uw zonden vele, maar niet vernield. U kon de Heere niet de schuld geven. Het was uw eigen schuld dat het zover kwam. En evenals Jeremia was het u alsof de Heere Zich tegen u keerde. Hij zette u in duistere plaatsen. En toch: 'niet vernield'.

En dat doet Jeremia bijna juichen. Dat doet hem belijden: 'het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn'. Nee zelf geen enkele verdienste. Het is anders. Het zijn de goedertierenheden des Heeren. De Heere bewaarde ons voor vernieling. De Heere droeg in Zijn goedertierenheden.

'Goedertierenheden' dat woord staat nadrukkelijk voorop. Dat is de lichtende ster aan de donkere hemel van Gods oordelen. Daar valt alle nadruk op. Daar ligt de énige reden. De Heere is een goedertieren God. De Heere heeft niet naar recht gehandeld. O wónder nee. In de toorn gedacht Hij aan Zijn ontfermen. De barmhartigheid, de goedertierenheid roemt tegen het oordeel! En in plaats van bittere klacht belijdt Jeremia Gods goedertierenheid.

Goedertierenheid, dat is de trouw Gods aan Zijn verbond met Israël gesloten. Israël had dat verbond willen ontbinden. Van haar kant heeft ze dat ook gedaan. Maar Gods verbondstrouw was het dat Hij ze niet vernielde. In Zijn verbondswraak trof Hij ze zwaar. In Zijn verbondstrouw. Zijn goedertierenheid vernielde Hij ze niet. Want Gods goedertierenheid is het dat Hij Israël opzocht, dat Hij begon. Gods goedertierenheid is het dat Hij doorgaat. Daarom: 'Het zijn de goedertierenheden des Heeren!'

Dat staat hoog. Daar spreekt Jeremia van. Van goedertierenheid, de grond van al Gods deugden. Het is liefde, onverstaanbaar diep. Daar moet u psalm 103 nog eens op nalezen. Telkens klinkt de lofzang op Gods goedertierenheid. Ook in psalm 136 vindt u dat.

U verwonderde zich met Jeremia: 'niet vernield'. Weet u waarom niet? De Heere is goedertieren! Hij maakte geen einde met u. Hij is goedertieren! Bewogen in liefde voor schuldige zondaren. Daarom droeg de Heere u nog. Niet omdat u het verdiende.

Maar uit vrije goedheid. Uit souvereine liefde. Ook al keerde Hij Zich tegen u. Ook al verbergt Hij Zijn gezicht. Ook al leidt Hij u in 'duistere plaatsen'. Achter Zijn toorn, zit de spits van Zijn liefde. Zijn goedertierenheid. Daar mag u op pleiten. Als u u zelf ontdekt als een verbondsbreker. Als de puinhopen van uw zondebestaan openbaar komen. Als u staart langs de donkere hemel waaraan de zware wolken van Gods toorn dreigend verschijnen. Gods goedertierenheid die ten diepste openbaar kwam in het schenken van Zijn enigst, van Zijn geliefde Kind. Want de Heere gedacht Zijn verbond gestadig. Voor verbondsbrekers. O ziet, in Gods Zoon is Gods goedertierenheid vlees en bloed geworden. Zelf moest Hij onder de donkere wolken van Gods oordeel door. Voor Hem was er geen goedertierenheid. Hij werd 'vernield'. En toen Hij Zijn klaaglied tot God ophief, was er geen lichtende ster aan de donkere hemel. Opdat u die Jeremia verstaat bij God goedertierenheid zou vinden. Daarop met Jeremia zou hopen. Daarop zou pleiten. Want buiten Gods goedertierenheid is eeuwige vernieling.

Let u in al uw klachten eens met me op dat meervoud. Er staat niet Gods goedertierenheid, maar Gods goedertierenheden! Bij de Heere is overvloed. De Heere is niet karig. De goedertierenheden des Heeren zijn vele. Ze zijn groot. Die goedertierenheden zijn een bron die nooit uitput. Hoe heerlijk uit deze bron te mogen leven. Uit deze bron te mogen putten. Tot deze bron te worden geleid, om er dan telkens naar terug geleid te worden.

Vernield te worden, ja dat was terecht! En nu door Gods goedertierenheid, en op Gods goedertierenheid te mogen leven. Van Zijn liefdetrouw en trouwe liefde. Dan ga ik met Jeremia dat woord het eerst gebruiken. Want daar ligt de grond van mijn behoud. Gods goedertierenheden. Zie eens op naar de hemel? Is ze donker? Laat uw oog er eens langs glijden. Want de Mor­genster staat nog te schijnen. Het is de ster van Gods goedertierenheden. Sla eens acht op het Woord. Het is als een licht schijnende in een duistere plaats. Totdat de Morgenster, de ster van Gods goedertierenheid, opga in uw hart.

En u niet vernield, maar voor eeuwig behouden, eeuwig zou mogen zingen van Gods goedertierenheên.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit vrije goedheid...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's