De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Prediking en taalgebruik (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Prediking en taalgebruik (2)

13 minuten leestijd

Wie instemt met de regel: prediken is vertalen, die zal er alles aan gelegen zijn taal te gebruiken die verstaan wordt.

Toch kan het nooit kwaad je je feilen te laten tonen door een ander. En ik ben van mening dat er in het geschrift van prof. Bolkestein, dat we vorige keer noemden, genoeg te lezen valt wat we ons kunnen aantrekken. Wie instemt met de regel: prediken is vertalen, die zal er alles aan gelegen zijn taal te gebruiken die verstaan wordt. Vertalen bergt altijd risico's in zich. Dat je al vertalende het wezen kwijt raakt. Ons wordt verweten uit angst daarom aan dat vertalen niet te beginnen. We spreken onveranderd na wat eeuwen te voren ook al is uitgesproken. Het is veelmeer glossolalie die een mens van deze tijd niet meer kan verstaan, dan prediking. Een niet gering oordeel. Nu viel het me op dat ds. Bartlema in 1955 ook al sprak van 'preken die smaken naar een verdund aftreksel van geurige kruiden uit "oude schrijvers". Hij wilde daarmee niets onvriendelijks schrijven aan het adres van genoemde oude schrijvers en wij willen dat evenmin. Wie veel van iemand geleerd heeft, kan dat ook moeilijk. 'Maar', aldus ds. Bartlema, 'ik weiger een preek bevindelijk te noemen, die niet anders is dan een extract uit Smytegelt of de zoveelste verdunning van Rutherford of Boston. Men kan daarmede eer inleggen bij gemeenten, die tevreden zijn als ze de bekende klanken en uitdrukkingen horen, de waarachtige aangeslagen zielen zullen hun zieledorst er niet mee laven kunnen, noch hun honger naar het Woord er mede stillen; en de fijnproevers weten wel heel snel dit "snode" van het "kostelijke" te onderkennen. Bovenal, Gods eer wordt er niet mede bevorderd. En die moet ons bovenal teer zijn, vooral als gereformeerden' (einde citaat ds. Bartlema, Waarheidsvriend, 1955, pg. 276).

Wat ds. Bartlema noemt 'eer inleggen met het doen horen van de bekende klanken', dat betitelt dr. Bolkestein als het vasthouden aan onbegrepen en onbegrijpelijke uitdrukkingen van een stervende taal die tot kenmerk van rechtzinnigheid is geworden en daarom voor onmisbaar is verklaard in de prediking (a.w. pg. 105). Het gebruik van de zogenaamde 'tale Kanaäns' wordt naast andere één van de Schibboleths van al dan niet genoezame orthodoxie. Bovendien kan het gebruik van de 'tale Kanaäns' gaan functioneren als een middel dat kerkeraden en gemeenteleden het gevoel geeft van betrouwbaarheid, terwijl een candidaat of predikant die zich inspant de Schriften te laten spreken in de taal van deze tijd zonder daarbij de boodschap geweld aan te doen of tekort te doen aan de inhoud veel eerder buiten genoemde en bedoelde identificatie met betrouwbaarheid valt.

Zulks mag onder ons toch niet geschieden. Al was het alleen maar uit oorzaak van eerlijkheid en oprechtheid. Als wij al prekend, dat wil zeggen bezig met één van de verhevenste opdrachten die God een mens kan toevertrouwen, intussen bezig zijn onszelf te verkopen en te dingen naar de gunst van mensen kan daar onmogelijk Gods zegen op rusten.

Gettotaal

Welnu, dr. Bolkestein en zijn werkgroep geven dan een lange reeks voorbeelden van het door hen bestreden 'jargon der vroomheid' . Ik ga ze hier niet noemen, bespreken en bestrijden. Verschillende voorbeelden komen inderdaad voort uit een misverstaan van het 'Anliegen' van de prediking onder ons. Maar in zijn algemeenheid mogen we ons aantrekken de kritiek dat we al te gemakkelijk vervallen in 'gettotaal', waarin men geen poging doet om te vertalen (a.w. pg. 113). Ook al zouden we ons dat verwijt niet hoeven aan te trekken omdat we van onszelf weten hoe de vertaling van het Woord ons wekelijks op het hart gebonden ligt, dan nog dient de vertolking ons een blijvende zorg te zijn.

En dan nu nog iets over het gevaar van de zogeheten stichtelijkheid. Want stichtelijk heeft in letterlijke zin een positieve betekenis. Het betekent: opbouwend. Een stichtelijk woord spreken is een woord spreken dat de hoorders opbouwt in het geloof. Maar het heeft veelal een negatieve gevoelswaarde gekregen. En als zodanig is het nauw verwant aan het negatieve gebruik van de uitdrukking 'tale Kanaäns'. Wie kent niet het lekedichtje van De Genestet: 'Wat zich als stichtelijk aan komt melden. Sticht ons maar zelden'.

Niet zo lang voor zijn dood sprak dr. C. Rijnsdorp voor de NCRV-televisie een tiental keer als dagsluiter. De teksten van deze toespraken verschenen in een dun boekje onder de titel 'Lage zön, lange schaduwen', gedachten van een hoogbejaarde. Eén van de dagsluitingen kreeg als opschrift: Stichtelijkheid: pijnstiller of echte troost? Zo vaak krijgt stichtelijkheid de functie van een soort pijnstiller, een verdovend middel. Taal als verdover. Wil taal juist iets zinnigs aan iemand mededelen. Stichtelijke taal kan een eigen leven gaan leiden waarbij niet de zin van wat gezegd wordt maar de klank de hoofdrol gaat vervullen. Rijnsdorp noemde dit het gevaar van het verbalisme waarbij woorden niets meer betekenen, maar alleen een klankfunctie hebben waaronder je je prettig voelt en je in een roes gebracht wordt. Ik citeer nu een fragment uit zijn toespraak, waarin hij verduidelijkt wat hij bedoelt. 'Stel u een tamelijk groot park voor. Daarin komen enkele belangrijke lanen voor, maar ook zijwegen, binnenpaadjes, omloopjes en dit alles in kaart gebracht. De parkwachter zal zo'n kaart in zijn bezit hebben, maar hij kent de hele plattegrond uit zijn hoofd. Zo bestaat er een park, stichtelijke taal genaamd. Wie in een bepaalde godsdienstige groepering is opgegroeid, wordt met die taal vertrouwd. ledere groep heeft zo zijn eigen stichtelijke idioom. Door de vele herhalingen in preken en meditaties zijn die paden en paadjes platgetrapt. Verkeerde stichtelijkheid komt dus neer op wandelingen in het overbekende, op woorden, zinswendingen, gedachtengangen die van over lang gemeengoed zijn. Het zijn de vertrouwde klanken, waarbij men niet meer hoeft na te denken. Men kan zich op de stroom van vrome woorden laten meevoeren, zich passief overgeven aan de verdovende werking die ervan uitgaat' (a.w. pg. 17).

Allergisch

Rijnsdorp zegt dan heel eerlijk dat hij, oud geworden en vele preken gehoord en gelezen hebbend, een beetje allergisch is geraakt voor veel stichtelijkheid. Vooral, zegt hij, omdat veel verdriet en leed je niet bespaard is gebleven. 'Dicht bij de dood leven betekent dat je je geen stichtelijke knollen voor citroenen laat verkopen. Je hebt behoefte aan zinnige taal, niet drijvend op routine. Vóór alles is grote soberheid nodig' (a.w. pg. 17).

Als afsluiting van dit deel tenslotte wijzen we ook af het dierbare toontje. We noemden 'De Genestets lekedichtje al: 'Verlos ons van de preektoon, Heer; geef ons natuur en waarheid weer'. Is het nu echt nodig wat ik een gemeentelid pas hoorde zeggen over een jonge collega. De inhoud van de preek was naar mijn hart, maar jammer dat het allemaal zo verschrikkelijk ouderwets en gemaakt werd gebracht. Ik heb me weleens afgevraagd: hoe komt het toch dat mensen die thuis of in een gewone conversatie normaal praten, boven op die preekstoel ineens beginnen te zalven en te huilen en te kermen of hoe zal ik het omschrijven? Is dat een stukje intussen vervlogen roomse zuurdesem waar men ook het Gregoriaans heeft gekend als kenmerkend voor de plechtigheid van de eredienst? Het lijkt me een aanwensel wat niet nodig, wat zeer ongewenst is. Vroom verbalisme waar we van bekeerd dienen te worden. En ook van deze bekering geldt dat ze voor ieder, zeker voor iedere dominee nodig is en om dagelijkse voortzetting vraagt. Hebben wij niet bijzondere genade nodig om gewoon te blijven? We worden zo vaak geroepen te spreken. En wat morsen we licht met zaken waar we veel mee omgaan. De witte bef van onze toga mag nooit de gedachte oproepen aan de verklaring die een pientere jongen er aan gaf: die man heeft zondags een slabbetje voor, omdat hij dan zoveel met woorden morst (gelezen bij: Okke Jager, Eigentijdse verkondiging, pg. 128).

Vorm en norm

Ik heb al aangekondigd nog iets te zeggen over het gegeven dat de Schrift en dus ook de prediking haar eigen taal met zich meebrengt. Als ik zo sterk bepleit heb een verstaanbare taal te spreken, ons te houden voor een onverantwoorde gettotaal en voor een zalvende stichtelijkheid en een dierbare preektoon, heb ik daarmee niet willen aankweken een vorm los van de inhoud of nog erger: ten koste van de inhoud. Nimmer mogen we de vorm koesteren ten koste van de inhoud. Dan wordt een preek een klinkend metaal en een luidende schel. Paulus schrijft dat 'zijn rede en zijn prediking niet was in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid' (1 Kor. 2, 4). Zo'n uitspraak hoeft niet in tegenspraak te zijn met het vorige waarin zoveel aandacht werd gegeven aan de vorm. Wie zegt dat preken het mooiste werk is dat er op aarde te doen valt (en ik mag toch aannemen in een gezelschap van predikanten en a.s. predikanten dat deze uitspraak hartgrondig wordt beaamd) die moet het er ook mee eens zijn dat dit mooiste werk gedaan wordt met het uitnemendste materiaal, óók als het om de vorm en de voordracht gaat. Om nog weer terug te komen op de apostel Paulus. Hoe heeft hij zich ingezet voor de verkondiging. 'Ik bedwing mijn lichaam', schrijft hij in 1 Kor. 9 : 27, 'en breng het tot dienstbaarheid'. Uit het verband blijkt dat hij met deze regel bedoelt de inzet van zichzelf 'om des Evangelies wil', opdat hij 'allen alles zij en zelf niet verwerpelijk bevonden worde'.

Het taalgebruik is een kwestie van vorm maar niet minder van norm. De norm is tevens de bron waaruit wij putten voor de preek. Die norm kleurt de vorm. We hoeven niet als een marktkramer op zo origineel mogelijke trant onze waar te slijten. We hebben niet iets in de aanbieding waar we zo gauw mogelijk van af moeten, zonder ons te interesseren bij wie het terecht komt en hoe het werkt. Prediking is verklaring en toepassing van het Woord Gods. En die prediking geschiedt 'in de vergadering van de gemeente des Heeren' (aldus T. Hoekstra in zijn Geref. Homiletiek). In ons taalgebruik klinkt de heiligheid en verhevenheid van het Woord Gods mede door. En het Woord waarvan wij dienaar heten te zijn, is gegeven voor het volk van God, Zijn gemeente op aarde. Petrus schrijft dat dat volk erdoor verwerkt wordt ten leven. Het komt er door tot geloof en tot bekering. Het dient er toe om haar te laten leven van het heil in Christus. Het is gegeven tot vertroosting en bemoediging. Het wil het volk Gods erdoor doen leven, ook midden in de wereld van vandaag. Die norm bepaalt de vorm. En dan moge elke prediker zichzelf zijn. Ieder moet preken gelijk God het hem geleerd heeft, zei iemand eens. ledere prediker zij een theoloog, een door God geleerde. Daartoe hebben we nodig de Geest van Pinksteren. Gaven van een dominee leiden niet vanzelfsprekend tot bekering van zijn hoorders. Van Apollos lezen we dat hij 'een welsprekend man' was. Waarschijnlijk een redenaar gevormd in de scholen van Alexandrië. Hij leerde zijn gaven in dienst stellen van Christus. Aquila en Priscilla gaven hem nader onderricht in 'de weg des Heeren'. Niet zijn gaven brachten er velen toe. Dat deed wel Gods genade die zijn gaven in dienst nam. Door die genade was ook Paulus tot zegen. Van hem lezen we niet wat we van Apollos wel lezen. Toch goot ook Paulus zijn woord in vormen ontleend aan de rhetoren van zijn dagen. Hij wist op de Areopagus voorbijgangers te boeien. Apollos en Paulus. In Corinthe hadden ze het er maar moeilijk mee. Beide dienaren waren groot, niet in zichzelf, maar door Christus die ze mochten verkondigen.

Ik ben een gezant van Christuswege, alsof God door ons bad. Wie dat roepingsbesef met zich meedraagt, die zal zich beijveren om alle gaven die hij heeft gekregen in te zetten voor het grote werk dat hem op handen is gelegd. Die weet steeds weer die zilveren geheelde schalen te vinden om er de gouden appelen op te presenteren aan het verzamelde volk Gods.

Enkele praktische richtlijnen

Laat ik mogen afsluiten met enkele praktische richtlijnen terzake het taalgebruik in de prediking. Nooit kunnen we te eenvoudig zijn in woordkeus en taalgebruik. De grote predikers in Gods Kerk boeiden het meest door hun eenvoudigheid en duidelijkheid.

Verder zou ik willen pleiten voor een grote mate van soberheid. In een interview met een eigentijdse schrijver las ik hoe hij werkte bij het componeren van een boek. Veel schrappen en gummen. Ieder overtollig woord weglaten. We moeten bedenken dat dit het klimaat is waarin de gemeente ademt. Soberheid. Dat wil ook zeggen: geen dikke woorden. Als Paulus het over de verborgenheid der godzaligheid heeft, dan zegt hij niet: ze is kolossaal of fenomenaal. Dat had toch gekund want daarmee zou niets miszegd zijn. Maar hij schrijft: de verborgenheid der godzaligheid is groot. Gewoon alleen maar: groot (O, Jager). Iemand zei eens: grote lege woorden gaan breed en schaamteloos vóór grote dingen staan. Soberheid. De mensen horen al zoveel loze kreten en reclameachtige clichés. Laten we daar niet aan mee doen. Kort en duidelijk zeggen wat het Woord bedoelt. De mens van de 20e eeuw is een ander dan die van de 19e eeuw als het gaat om het taalgebruik. U zou geen preken van de vorige eeuw letterlijk kunnen houden in onze tijd. Het voortrollende proza van die tijd loopt zich vast in de ingetogenheid van onze tijd. We mogen gerust onze woorden met gebaren accentueren. Maar laten we ook daar sober in zijn. Niet dat vermoeiende 'molenwieken' waartegen, naar ik las. Beets al waarschuwde.

Laten we steeds bedenken dat de stijl het kleed van het woord is. De eerbied voor het Woord van God en de heiligheid van de Heere God voor Wiens aangezicht wij staan, zal van directe invloed zijn op het kleed dat we aan het Woord geven. De bediening van het Woord doet ons steeds staan in een heilig beven.

Maar ook zullen we, als het goed is, gedreven worden door een verlangen dat het Woord van de prediking iets doen mag, iets mag uitwerken. Een kerkganger zei eens: Als ik na de kerkdienst naar huis ga, hoor ik heel zelden spreken over de inhoud van de preek. Maar als ik tussen mensen verzeild raak die uit de bioscoop komen, hoor ik altijd praten over wat ze gezien hebben. Ze zijn er altijd vol van. En toen kwam de toepassing: De dominees moeten zó prediken, dat het de mensen raakt, dat ze er over spreken! (Gelezen bij ds. Bartlema in Waarheidsvriend 1956, pg. 294.)

Welaan, geen moeite en inspanning zij ons teveel ervoor te zorgen dat ons taalgebruik het kleed van het Woord zij. Komt niet Christus, naar een veelgebruikt gezegde luidt, tot ons in het gewaad van Zijn Woord? Dat kleed, ons taalgebruik zij er dienstbaar aan, dient zo fraai getoond te worden aan de Bruid dat ze haar hart eens voor het eerst maar ook steeds weer opnieuw aan Hem leert geven die naar haar hand dingt in de bediening van het Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Prediking en taalgebruik (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's