Mijn deel, mijn eeuwig goed
De Heere is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Klaagliederen 3 : 24
In de donkere nacht van zielestrijd was voor Jeremia de morgenster van Gods goedertierenheid verschenen. Hij kreeg er oog en hart voor dat de Heere in Zijn goedertierenheid hem had bewaard en gespaard. En behalve van Gods goedertierenheden gaat Jeremia dan ook spreken van Gods barmhartigheden die geen einde genomen hebben. Gods hart was nog steeds vol erbarmen. Het vuur van Zijn liefde is nog niet uitgeblust. En over de trouw van God gaat Jeremia spreken: 'Uw trouw is groot'. Na diepe klachten, na duistere nachten, in zijn leven, gaat voor hem leven de heerlijkheid des Heeren. En hij gaat midden in deze liederen van klacht de deugden, de heerlijke eigenschappen van de Heere zijn God noemen en roemen. Midden in de klacht klinkt de lof des Heeren. Want door de tranen heen kreeg Jeremia de Heere weer in het oog. Alles was Jeremia ontvallen. Als een armoedzaaier was hij met nog enkelen achtergebleven op de puinhopen van de oude Godsstad. Maar waar nu alles, alles wegvalt daar wordt Jeremia weer op de Heere geworpen. En geleid door de Heilige Geest gaat het stap voor stap verder: Gods goedertierenheden, Gods barmhartigheden, Gods trouw. En dan kan het niet uitblijven of de persoonlijke belijdenis moet volgen: 'De Heere is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen'. De Heere Zelf gaat Zijn knecht, Zijn kind boven de klacht uittillen. Hij gaat het gebogen hoofd opheffen. En het neergebogen hart gaat zich in hoop uitstrekken naar de Heere en Zijn trouw.
'De Heere is mijn Deel.' Dat staat er zeer opmerkelijk. Er staat niet: 'De Heere geeft mij een Deel'. Er staat ook niet: 'Voor een deel is de Heere mijn Heere'. Nee: 'De Heere is mijn Deel'. Hij Zelf is mijn Deel. Alles wat Jeremia is ontvallen. Maar... hij heeft toch een deel, een heerlijk Deel. De Heere is mijn Deel. Hij heeft niet alleen deel aan de gaven en de weldaden van de Heere. Nee de belijdenis reikt verder en hoger: De Heere Zelf is zijn Deel.
Wat Jeremia hier gebruikt is een beeld. Dat beeld doet ons herinneren aan de intocht van het volk Israël in het beloofde land, in Kanaan. Elke stam kreeg een bepaald gedeelte van het land als haar deel. Elke Israëliet kreeg binnen het gedeelte van zijn stam weer een bepaald gedeelte. Dat was zijn deel, zijn erfdeel. Dat werd je niet meer afgenomen. Dat was je deel. Daar kon je van leven. Daar kon je wonen. Er was echter één uitzondering. Dat was de stam van Levi. Zij kregen geen deel, geen grond. Hoe moesten zij dan leven? Wel de Heere sprak tot de Levieten: Ik ben uw Deel en uw Erfenis in het midden der kinderen Israels' (Num 18 : 29). Zij mochten leven van de dienst des Heeren. De Heere Zelf zou voor hen zorgdragen. Dat woord neemt Jeremia, als priesterzoon over. Dit woord tot Zijn voorgeslacht gesproken gaat nu ook voor Hem leven. Op de puinhopen van de stad, van de tempel, gaat het oude Godswoord nieuw worden voor deze priesterzoon: 'De Heere is mijn Deel'. In de Heere ligt Zijn leven. De Heere onderhoudt Zijn lot. De Heere draagt zorg. In dit leven viel elk deel hem weg, maar Mijn Deel is de Heere, Hij Zelf. De God Die trouw houdt. De God van het Verbond. Op Wie je aankunt. Dat is midden in de klacht de rijke troost, de vaste grond. Niet, ik heb iets van Hem. Nee, de Heere Zelf mag ik hebben. Hij is mijn Toevlucht. Daarin ligt ook nu mijn leven vast. Daarom zal het mij aan niets ontbreken. Dit 'Deel' raakt nooit uitgeput, nooit leeg. De Heere is immers een rijke en een milde Heere. Daarbij verbleekt en vervaagt alles.
Ja, dat moet u goed weten als de Heere uw Deel niet is. Als u: 'geen deel, dan in dit leven, wacht'. Als u daar uw leven blijft zoeken. Als daar uw hoop op staat gericht. Dat alles verbleekt en vervaagt.
Maar bent u het soms die moet belijden alles te zijn kwijt geraakt? U hebt alles verspeeld? Nergens deel aan? Door uw zonde alles kwijt geraakt? Wel hoor hoe de Zoon van God Zijn Deel, Zijn Kinderdeel heeft opgegeven. De Heere, Zijn Vader, was Zijn Deel, heel Zijn leven lang. Maar... in de donkere nacht van het kruis werd Hem dat Deel ontnomen. Zijn Vader trok Zich terug. Ontnam Zijn Kind Zijn Deel. Deze Priester had toen Hij Zich offerde geen Deel meer. Niet op de aarde, en niet in de hemel. Hij riep het uit: 'Mijn God, Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten?' Hoor: Opdat u, die belijden moet nergens in te delen, een deel zou vinden bij de Heere. En dat niet alleen, opdat de Heere Zelf uw deel zou worden. Opdat u, die straatarm bent, schatrijk zou worden in de Heere. Hoor Zijn Naam: Immanuël - God met ons. In Hem ligt het leven. Door Hem wordt de Heere mijn Deel. Door Zijn Heilige Geest leidt de Heere tot Zijn Zoon en door Zijn Zoon tot Hem.
Wat is dat leven in Hem rijk. De Heere mijn Deel, dan zal het mij aan geen ding ontbreken. Ook al gaat het over de puinhopen van mijn bestaan. Wat geeft dat een onnoemelijke troost, ook voor u die dat weet. De Heere onderhoudt uw lot. In Hem, de Heere, de Getrouwe ligt het vast. Dat Deel wordt u nooit ontroofd. Daar staat de Heere Zelf voor in. Dat geeft kracht en moed. Jeremia kwam zo door de zielestrijd en door de gebedsworsteling tot de geloofszekerheid. Heel persoonlijk gaat hij het belijden: Mijn Deel.
Door al die diepten heen weer die belijdenis, want de Heere houdt vast. De Zijnen worden in de Schrift Zijn Deel genoemd. Hij blijft Zijn Deel vasthouden. Zijn Deel blijft altijd het Zijne. En daarom blijft Hij altijd de hunne.
'De Heere is mijn Deel' dan zelfs, als éénmaal alles wegvalt. Als alles gaat bezwijken. Hij is mijn Deel, en dat wordt nooit meer weggenomen.
Is Hij uw Deel? Wiens deel hier ligt, zal dat moeten verhezen met de dood. Want dan zal het zijn: 'Gaat weg van Mij, gij hebt geen deel met Mij'.
Wat wordt Jeremia uitgetild door de Heere boven de klachten. De Heere Zijn Deel. Dat geeft nieuwe hoop. Jeremia gaat dan ook verder: 'De Heere is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik hopen. Daarom kan, daarom mag, daarom zal Jeremia hopen. Dat is gegronde hoop. Hoop op zijn Heere. Klaagde hij in vs. 18 nog: Mijn hoop is vergaan! Begon het in vs. 21 te gloren: 'Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen'. Nu breekt de hoop in haar volle kracht door. 'De Heere is mijn Deel, daarom zal ik hopen'. Ja dat geeft reden tot hopen. Dat is een vaste hoop, een vurige hoop, een gegronde hoop. Een hoop op de Heere die nooit beschaamd uitkomt. Hier gaat juist onder de moeilijkste omstandigheden de hoop gloren. De hoop die zich uitstrekt naar de Heere. De hoop die het hoofd weer opricht. De hoop die vleugels geeft aan het geloof. Jeremia zit bij een verloren stad. Maar de hoop heft hem er boven uit.
Daarom: hoop op God, u die vreest onder te gaan in uw schuld en zonden. Hoop op God, u die door vele diepten moet als Jeremia. Wat ontbreekt juist vele keren, deze schone dochter van het geloof. We zinken weg in duisternissen en liggen geboeid in het ijskoude kasteel van reus wanhoop. Weet u niet welke sleutel past op deze deuren ? D. i. de sleutel van de beloften Gods.
Is de Heere uw Deel, o hoop op God. Hij is getrouw. Weet u: het geheim van de hoop is God Zelf. Hij onderhoudt haar. Hij versterkt haar. Hij beschaamt haar nooit. En de Zoon van God wordt genoemd: 'De Hoop der heerlijkheid'.
Is uw hoop op Hem? Andere hoop is ijdele hoop. Deze hoop beschaamt niet, omdat God niet beschaamt. Zo mag de 'Kruiskerk' met Jeremia leven van de Heere. Ze mag leven, het leven der hoop. Ze mag zingen het lied der hoop, soms in de duisterste nacht:
Bezwijkt dan ooit, in bitt're smart, of bange nood, mijn vlees en hart, zo zult gij zijn voor mijn gemoed mijn rots, mijn Deel, mijn eeuwig goed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's