De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vos en Kuyper over de kerk (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vos en Kuyper over de kerk (3)

10 minuten leestijd

Een individualistische verbondsbeschouwing leidt gemakkelijk tot kerkscheiding, althans tot een gebrekkig kerkbesef.

Wat is scheiden?

Vorige keer spraken we over de ene kerk van Nederland, de Nederlands Hervormde Kerk. Als je het zo ziet, hoe kijkje dan aan tegen het scheiden van die kerk? Dat komen we duidelijk aan de weet. Wie zich van haar afscheidt, overtreedt het vijfde gebod. Daar komt het kort en duidelijk op neer: het is oneer aan vader en moeder, oneer aan de vaderen. Voor Vos was scheiden van deze kerk daarom een onmogelijkheid. Je kunt volgens hem niet zeggen dat je, los van haar gekomen, de kerk of weer de oude kerk bent. Want kun je ooit zeggen dat het verbond der genade in haar een einde gevonden heeft? Als ik het goed zie, is het de visie op het verbond die Vos zo scherp deed spreken. Het is niet het zweren bij het bestaande instituut, al kon hij daar mee leven, het was ook niet het drijven met een zaligmakende kerk, dat hem blijvend aan deze kerk bond en hem tot actie aanzette voor haar welzijn. Neen, het was het geloof in God die zijn verbond met haar en in haar met de natie heeft gesloten.

Daardoor doet hij uitspraken die ons nu bijna een eeuw later vreemd voorkomen. Wij zijn zo gewend om alle kerken voor ware kerken te houden en we hebben er vrede mee dat de kerkorde zegt dat de Hervormde Kerk een openbaring is van het lichaam van Christus, maar zover was Vos nog niet. Hij zegt: In het Koninkrijk der Nederlanden is de Nederlandse Hervormde Kerk de Kerk. Niet een kerk, maar de Kerk. Scheiden is daarom in strijd met alle vermaningen van Christus en Zijn apostelen om de gemeenschap met de kerk te bewaren. Wie met haar breekt doet zichzelf schade en haar. O zeker, hij wil hen die buiten de kerk gaan, wel zien als gelovigen die persoonlijk in Christus zijn, maar het hervormde volk is vanouds het volk des verbonds in dit land en dat draagt de verbondsbeloften. Deze overtuiging heeft Vos doen spreken zoals hij gedaan heeft. Hij zag voor de kerkgenootschappen van de gescheidenen geen vruchtbare toekomst, en de kerkgeschiedenis bewijst het, voegt hij er over­tuigd aan toe. Houdt dit eens naast de optimistische visie van Kuyper die juist voor zijn kerk en zijn leer van het neocalvinisme een grootse wereldwijde toekomst zag weggelegd, wat hij meeslepend in zijn redevoeringen over het Calvinisme wist te verwoorden.

Vos had er geen vertrouwen in.

Zit hier voor onze dagen niet een boodschap in voor allen die van de Hervormde Kerk zijn, maar ook voor allen die ooit die kerk hebben verlaten? Zou het kunnen komen tot de erkentenis van het verbond van God met haar? Dat legt uiteraard de Hervormde Kerk de verplichting op ook waarlijk als volk van God te leven, maar ben je vrij van haar als je buiten haar bent? En kun je buiten haar wel zijn die als kerk voor het volk moet zijn en mag zijn? Of is het volslagen onwaar als Vos schrijft: 'Reeds het lid zijn is zegenrijk voor dit leven, al erkent men het zelf niet; en in haar gemeenschap, hetzij door de prediking van een ambtsdrager, hetzij door het ouderlijk onderricht komt men tot Christus?'

Dit is wel toe te stemmen, maar wat dan volgt? 'Afscheiden van haar is afscheiding van de levende stam, van het Verbond dat God met haar maakte, van het voorgeslacht, van het nationale leven. Wie zich niét bij haar voegt, miskent het werk en het Woord Gods. De Kerk is, in dien zin, de moeder der Natie, 'Wie de Kerk niet tot moeder heeft, heeft God niet tot Vader', dat woord van Tertullianus, aldus opgevat, is volstrekt waarachtig (Rom. 10 : 14 en 15, 2 Tim 1 : 5).

Actuele betekenis?

Ik denk dat er weinig hervormden zijn die het ook zo willen zeggen, laat staan dat anderen dit zo willen zien. Ik kan me voorstellen dat het sommigen voorkomt als een soort geweldpleging met het verbond als Vos verbond en kerk zo onlosmakelijk aan elkaar verbindt. Toch vraag ik me af wat je doet als je buiten het verband gaat staan dat God gelegd heeft, ook al word je er toe geprest door velerlei ongerechtigheid van mensen die tot het tegengestelde zijn geroepen.

In ieder geval houdt Vos ons als dienaar van het Woord aan het verbond dat God met de Hervormde Kerk heeft gesloten. En wie hervormd is, is middels die kerk in dat verbond opgenomen. De volgorde is van belang. Dat mag nog wel eens onderstreept worden. God vergadert geen losse individuen als droge zandkorrels maar een kerk, een volk dat leeft en groeit. Een individualistische verbondsbeschouwing leidt gemakkelijk tot kerkscheiding, althans tot een gebrekkig kerkbesef. Hoe leven deze dingen onder ons als hervormd-gereformeerden? Ik heb de indruk dat ook bij ons het individu voorop staat en de kerk op de tweede plaats. Het bovenstaande kan ons aanleiding geven hierover nog eens na te denken, het kan corrigerend werken. Het is ook van betekenis voor het richtingenvraagstuk in onze kerk. Het verbond Gods, de beloften en verplichtingen, gelden de gehele kerk. Ook wat betreft Samen op Weg valt op te merken dat de visie van Vos op de scheiding, andersom natuurlijk de nodiging inhoudt terug te keren tot de Hervormde Kerk om daar samen gelijk het behoort, als kinderen van het verbond te leven van Christus en Zijn weldaden. Daarom ben ik huiverig als er gesproken wordt over een nieuwe kerk. Dat kan helemaal niet. Je kan wel een nieuwe vereniging oprichten, een nieuwe stichting in het leven roepen, maar geen nieuwe kerk. Het gaat in de kerk juist om de continuïteit, die voortvloeit uit het eeuwig verbond der genade.

Begrijp me goed, het gaat me niet om een knieval van welke gereformeerden ook voor de Hervormde Kerk, knielen moeten we alleen voor God die een verbond met ons heeft gesloten. Allen moeten we leren beseffen, zeker ook de hervormden, dat we op het verbond geen acht geslagen hebben. Het is immers onuitwisbaar waar dat de bediening van het verbond der genade in onze kerk menigmaal en op vele plaatsen van dien aard was dat noch het verbond, noch de genade gehouden en gesmaakt werd. En niets anders heeft ons in de kerkelijke ellende gestort. Vos wist veel van kerkelijke ellende af en hij leed er onder. Maar het geloof dat God Zijn verbond niet verbreekt, sterkte hem en gaf hem richting in zijn kerkelijke bediening en beleid.

Alle gelovigen gelijk

Het christelijk karakter van de kerk ziet Vos ook daarin uitkomen, dat alle gelovigen in haar gemeenschap gelijk zijn. Hij bedoelt daarmee dat we geen geestelijke stand kennen, er zijn in de kerk geen geestelijken en leken, zoals bij Rome. Alle broeders, hij bedoelt beslist geen zusters, kunnen geroepen worden tot deelneming aan het bestuur en de leiding van de kerk. De gaven van de Geest zijn niet aan een stand voorbehouden. Dat komt nergens beter uit dan aan de tafel van het Heilig Avondmaal, een heilige oefening en verplichting tot onderling dienstbetoon. Het Avondmaal is ook de uitdrukking ervan dat we maar één Heere en Heiland erkennen. Daarom is het in de kerk ook een goede instelling dat men niet treedt 'in de innigste gemeenschap met de broederschap zonder verklaring dat men in Christus gelooft, d.i. door zijn aanneming van Hem tot Heer'. Dit is niet een daad van de kerk, maar ge­heel van de persoon die aan het Avondmaal wil deelnemen. Daarin wordt Christus erkend als het enig Hoofd van de Kerk en de bereidheid uitgesproken om in Zijn kerk te dienen. Wie dit oprecht doet, heeft dit te danken aan de hemelse Vader door de toepassing van Christus en Zijn heil door de Heilige Geest.

Vos heeft op reformatorische wijze doop, belijdenis des geloofs, en avondmaal met elkaar in verband gezien. Belijdenis heeft hij nimmer gezien als een formeel lid worden van de kerk. Dat paste niet in zijn kerkbegrip.

De kerkvorm

Over de organisatie van de kerk is zeer veel te doen geweest. Wat is er al niet te doen geweest rond de Reglementenbundel van 1816 en rond de Kerkorde van 1951. Waarom die spanningen die tot scheuringen hebben geleid?

Dat is enerzijds een gevolg van de vrijheid die ons is gegeven, anderzijds van het gebrek dat we die vrijheid niet goed aankunnen. De Bijbel geeft ons geen vaste kerkorde, die moeten we zelf maken. Vos zegt in dit verband dat Christus ons, behalve onveranderlijke beginselen, niets van dien aard gegeven heeft wat wij kerk-inrichting noemen. Christus wist dat het lichaam zijn vorm verkrijgt door inwendige groeikracht. Dat houdt in dat de vorm het leven dienen moet. Doorslaggevend is of de kerkvorm en regering dienstbaar is aan het ware kerkzijn, d.w.z. aan de van God gewilde gemeenschapsoefening door de enige Middelaar van God en mensen. Daarom verwerpt hij het clericalisme van Rome en verkiest hij de presbyteriale kerkvorm. Een twistpunt van zijn dagen was of de Reglementen de kerk van een presbyteriale kerk tot een genootschap-met-bestuur had gedegradeerd. Vos zei hierop niet volmondig ja, Kuyper wel. Hoedemaker was het in dit opzicht ook helemaal niet met Vos eens. In ieder geval zag Vos wel in dat de kerk principieel geroepen is tot heiligmaking, tucht (curs. Vos) of de sleutelmacht. Hij wijst op Zondag 31 van de Heidelberger. Daarom streefde hij ook naar reorganisatie van de kerk, maar binnen in het lichaam van de kerk. We weten waarom.

Het Woord van God

Na over de kerk te hebben gesproken, komt het Woord van God aan de orde. Daarbij komt de kerk natuurlijk ook ter sprake. Ter bewaring en verbreiding van de kennis des heils, heeft God de bediening der verzoening gegeven. Daarvoor heeft Hij onderscheidene ambten gegeven. Die bediening is onmisbaar voor het welwezen van de kerk. Thans wordt die alleen door Herders en Leraars verricht. Vos merkt er wel bij op dat alleen de gemeente het recht heeft om hen te beroepen, omdat zij haar werk doen. De Herder doet wat de kudde, de leraar wat der gemeente is. Vos heeft de gemeente zeer hoog. Met haar heeft God Zijn verbond gesloten, haar heeft Hij geroepen tot dienst, en de dienaren zijn slechts bijzondere gemeenteleden. Daarom vindt hij dat ambtsdragers of een vergadering van ambtsdragers zoals een synode geen uitspraken mag doen die de gewetens bindt. Anderzijds is het dienstwerk van de ambtsdragers niet onderworpen aan de beslissing van gemeenteleden. Bij rechterlijke beoordeling zijn de dienaren aan de dienaren onderworpen. De grondslag van de wederzijdse verhouding van herder en gemeente is de over en weer uitgesproken belijdenis.

Alle ingrijpende verschillen en geschillen moeten naar het voorbeeld van het apostelconvent van Handelingen 15 behandeld worden, geheel de kerk moet daarbij tegenwoordig zijn. 'Zo is de belijdenis der 37 Artikelen niet maar een werk van predikanten en ouderlingen, maar van geheel onze Kerk geweest.' Vos is blijkbaar geen voorstander van een domineeskerk geweest. Dat een en ander gevolgen moet hebben voor de toerusting van de gemeente, moge duidelijk zijn. En we kunnen ons ook indenken dat Vos toch principiële bezwaren had tegen de uitwerking van deze beginselen in de Reglementen. Maar hij ervoer ook dat de bediening van de verzoening niet was weggenomen en dat het goed mogelijk was zijn roeping in de hervormde Kerk te vervullen. En waar Woord en Sacrament zijn, daar is de Kerk des Heeren. Met die Kerk mocht men niet breken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Vos en Kuyper over de kerk (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's