De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

"Ik verwijt de belijders van Barmen, dat zij twijfelden aan de trouw van God tegenover het volk, dat Hij tot zijn verbondsvolk bestemd had, om het doorgeven van zijn boodschap aan de mensheid daaraan toe te vertrouwen."

De eerste zondag van oktober is traditiegetrouw de Israël-zondag. Jaarlijks reiken kerkelijke organen predikanten materiaal aan, in de vorm van overwegingen en aanwijzingen voor prediking en voorbede. Daarnaast is het goed om rondom deze eerste oktober-zondag zich te bezinnen op de weg van Israël, en dan met narhe de weg van het huidige Israël. In deze aflevering van 'Uit de Pers' geef ik fragmenten door uit een drietal artikelen die me onder ogen kwamen. Niet alleen theologische aspecten komen daarin aan de orde, ook de eigentijdse geschiedenis komt daarin aan het woord.

Een joods auteur over Barmen

De joodse geleerde Pinchas Lapide is de laatste jaren door publicaties en lezingen bij velen bekend geworden. In Evangelisch Commentaar van 31 aug. - een nummer gewijd aan de bekende verklaring van Barmen - schrijft hij een artikel over de verwaarlozing van het joodse vraagstuk in deze verklaring, en de afwezigheid van Israël in de thesen. En dat ondanks de dreigende maatregelen van de Nazi's, die al in 1933 de weg insloegen die uiteindelijk zou uitlopen op Auschwitz. Barmen ging volgens Lapide voorbij aan de theologische grondvragen zoals de verkiezing van Israël, de vraag naar de waarde van het Oude Testament, de geboorte van Jezus in Israël enz. Zes bezwaren komen naar voren:

'Ik wil de belijders van Barman niet aanklagen, omdat de Talmoed me verbiedt "je naaste te veroordelen, voor je op zijn plaats gestaan hebt". En aangezien ik niet kan weten, hoe ik anno 1934 in Barmen als protestant gehandeld zou hebben, wil ik, als overlevende en pleitbezorger van Jezus' geschonden broeders, met verwijten achteraf volstaan. Verwijten die niet in toorn terugblikken, maar hoopvol naar de toekomst kijken.

I. Ik verwijt de belijders van Barmen, dat zij twijfelden aan de trouw van God tegenover het volk, dat Hij tot zijn verbondsvolk bestemd had, om het doorgeven van zijn boodschap aan de mensheid daaraan toe te vertrouwen. Als Jezus "het ja op alle beloften van God is" (II Kor. 1 vers 20), en de verkiezing van Israël "onberouwelijk" blijft (Rom. 11 vers 29), dan kan immers het christelijk geloof niet op de breuk van het goddelijk verbond gegrond zijn! Het moet, juist tegenovergesteld, als gevolg van deze verbondstrouw begrepen worden, die sinds Abraham "alle geslachten van de aarde" (Gen. 12 vers 3) in het gebied van Gods zegen betrekt. "Trouw echter is God!", dit Pauluswoord (II Kor. 1 vers 18) kan slechts voor beide testamenten gelden - des te meer wanneer Paulus "heel Israël" het heil van de eindtijd belooft (Rom. 11 vers 25v), wat hij aan de kerk van de heidenen niet beloofd of geschreven heeft.

II. Ik verwijt de synodeleden van Barmen, dat ze terughoudend waren op een moment dat "de stenen naar de hemel schreeuwden". "Wij hebben gesproken en geroepen", zegt oudbisschop Kurt Scharf 35 jaar later, "we hadden echter moeten schreeuwen".

In Deuteronomium gaat het om de verzoening van een moord door een onbekende. Een jong kalf wordt geofferd en de oudsten van de stad, die het dichtste bij het misdrijf ligt, moeten hun handen wassen en verklaren: "Onze handen hebben dit bloed niet vergoten; en onze ogen hebben het niet gezien" (Dt. 21 vers 7). In de Talmoed (Sota 46b) wordt gevraagd: Hoe kon iemand op het idee komen, dat de waardige oudsten onschuldig bloed zouden hebben vergoten? Waarop verklaard wordt, dat het niet om de eigenlijke daad van de moord gaat, maar om een officieel getuigenis, dat ze het slachtoffer niet zonder levensmiddelen weggestuurd, hem geen onderdak geweigerd, noch hem uitgestoten of verdreven hadden, en zo direkte schuld op zich gebracht hadden. Het gaat dus niet om bloedvergieten, maar wel om medeplichtigheid door het weigeren van hulpverlening, een niet-willen-zien, dat uiteindelijk is uitgelopen op een bloedige liefdeloosheid.

Barmen heeft weliswaar niet uitdrukkelijk antisemitisch gesproken noch gehandeld, maar heeft evenmin ten gunste van de Joden gehandeld of gesproken. Volgens de Talmoed kunnen ze daarom vandaag niet zeggen: "Onze handen hebben dit bloed niet vergoten; onze ogen hebben het niet gezien".

III. Ik verwijt de belijders van Barmen, de onbegrensde liefde van God en zijn vrije genade tot hun geloofsgenoten beperkt te hebben zodat de genade aan diegenen onthouden werd, die haar het hardste nodig hadden. Uit joods gezichtspunt was Barmen zonder erbarmen - een woord dat 116 keer in de bijbel voorkomt, maar in deze zes thesen ontbreekt.

IV. Ik verwijt Barmen laksheid, lauwheid en liefdeloze passiviteit, drie nalatigheidszonden, die de bijbel nadrukkelijk verbiedt. Toen Mozes na 40 dagen van de berg Sinaï in het kamp terugkeerde, trof hij een volk aan dat een gouden kalf gemaakt had en dit als god vereerde. In woede ontbrand verwoestte hij het afgodsbeeld, trad in de ingang van het kamp en riep uit: "Kom bij me, wie de Heere toebehoort!" Toen verzamelden zich bij hem zijn stambroeders, de Levieten, die hij zonder meer de opdracht gaf om allen die het kalf vereerd hadden te doden. Nadat 3000 mannen gevallen waren, keerde het volk tot God terug (Ex. 32 vers 26vv). Waarom moesten de Levieten zo velen van hun broeders, vrienden en verwanten doden - waar de bijbeltekst immers aangeeft, dat slechts weinigen zich aan de cultus van het kalf overgegeven hadden? Het antwoord van de Talmoed: de meesten van die 3000 waren slechts toeschouwers, die zich uit de verte aan het nieuwe schouwspel verlustigden, zonder zich vooraf tegen God uit te spreken. Zo'n passieve neutraliteit, die zich in zwijgen hult, is in geloofsvragen onverdraaglijk. Een onverschilligheid, waarvoor alles hetzelfde is, moet met harde maatregelen gewroken worden. In het Nieuwe Testament geldt dezelfde moraal: "Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet". Zo schrijft de engel van de gemeente de Laodicéa en voegt eraan toe: "Waart gij maar koud of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt... zal Ik u uit mijn mond spuwen" (Openb. 3 vers 1 - 16).

V. Ik verwijt Barmen, de eerste ontwikkelingen niet gekeerd te hebben, toen het nog mogelijk was, "niet alleen de slachtoffers te verbinden, maar de oorzaak zelf uit te bannen", waarvoor Bonhoeffer reeds in april 1933 vergeefs gewaarschuwd had. Want na Barmen, toen het grote moorden begon, was het te laat voor openlijk protest.

VI. Niet op de laatste plaats echter verwijt ik Barmen, dat ze, met prijzenswaardige uitzonderingen, woorden van Jezus in de wind geslagen hebben: "Ik was hongerig en jullie hebben Me niet te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en jullie hebben Me niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en jullie hebben Mij niet gehuisvest, naakt en jullie hebben Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en jullie hebben Mij niet bezocht... Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre jullie dit aan één van deze minsten niet gedaan hebben, hebben jullie het ook niet aan Mij gedaan!" (Mt. 25 vers 41-45).'

Lapide eindigt dit felle artikel in de toon van de verzoening. Hij wijst op ontwikkelingen in de Duitse kerk na Barmen. Toch is zijn verhaal onthullend en onthutsend. Het is natuurlijk achteraf gemakkelijk te zeggen: zo en zo had men moeten spreken. Hoe zal de geschiedenis over ons oordelen? In ieder geval bescheidenheid en ootmoed past ons in de ontmoeting met het levende Jodendom.

De uitroeiing van Hongaarse Joden

Hervormd Nederland van 22 september gaf het woord aan de Hongaarse historicus Laslo Sütö. Deze beschrijft de gebeurtenissen van 1944 in Hongarije, de laatste poging van de Nazi's de Hongaarse Joden uit te roeien. Sütö spreekt van de laatste dodelijke steken die het nazisme nog kon uitdelen. In maart 1944 werd door Hitler besloten Hongarije onder rechtstreekse controle van Wehrmacht en SS te bezetten. De gevolgen waren voorde Joden katastrofaal.

'Het vervoeren van de Joden naar verzamelkampen begon op 15 april. Hongarije werd opgedeeld in vijf zones en het verzamelen van de Joden begon in het noord-oosten, gevolgd door het oosten, zuiden en westen. De laatste zone, Boedapest, werd voorlopig "gespaard".

Spoedig na het verzamelen van de joodse bevolking in de kampen van de eerste vier zones, begon hun deportatie, in overvolle treinen, naar Auschwitz. De Hongaarse "Quisling"-regering verleende hiervoor alle medewerking: politie en gendarmerie voerden alle bevelen van de Duitsers uit. In twee maanden tijds, mei-juni 1944, werden 437.402 mensen gedeporteerd, van wie slechts ongeveer honderdduizend het overleefd hebben.

Weesenmayer, Eichmann en Winkelmann eisten, dat alle Joden uit Hongarije zouden worden gedeporteerd. In juni was de deportatie van de joodse bevolking, uitgezonderd die van Boedapest, praktisch voltooid. Het lot van de ongeveer tweehonderdduizend Joden in de hoofdstad werd zeer onzeker, toen op 13 juni werd besloten tot concentratie van de Joden in met sterren gemarkeerde huizen. De Gestapo was van plan in samenwerking met de Hongaarse gendarmerie begin juli de hoofdstad te bezetten, het verkeer stil te leggen en de Joden op te pakken. Ze hebben de stad omsingeld en begonnen haar vanuit de buitenwijken te infiltreren. De Hongaarse gendarmerie had namelijk geen bevoegdheden in de hoofdstad en het was haar ook niet toegestaan (volgens de reglementen) in de vorm van georganiseerde eenheden binnen het gebied van Boedapest aanwezig te zijn.

Hun plan mislukte. Nadat Horthy door de joodse leiders, in een verzoek om hulp, van dit plan op de hoogte was gesteld, gaf hij aan Vörös, de stafchef van het Hongaarse leger, op 5 juli het bevel onmiddellijk maatregelen te treffen tegen de gendarmerie. Horthy deelde Vörös mee, dat hij de deportatie van de Joden van Boedapest wilde verhinderen.

Dit bevel werd door de militaire leiders opgevolgd, zodat de gendarmerie zich moest terugtrekken. Horthy had Vörös echter tevens de vraag gesteld, of het leger eveneens zou kunnen optreden tegen de Gestapo en tegen de SS-eenheden om de soevereiniteit van het land te herstellen. Het antwoord hierop was, dat de in de hoofdstad beschikbare Hongaarse legereenheden niet sterk genoeg waren om het tegen de Duitsers op te nemen.

Weesenmayer, Eichmann en Winkelmann bleven er op aandringen, dat ook de joden uit de hoofdstad zouden worden gedeporteerd. Horty hield echter voet bij stuk en na 8 juli kon Eichmann geen verdere deportaties uitvoeren, omdat de Hongaarse gendarmerie geen medewerking verleende.

De Duitse autoriteiten deden alles om de deportatie van de joden geheim te houden. In de Hongaarse kranten en op de radio werd met geen woord over deze zaak gerept. Officieel had er geen deportatie plaats, maar vervoer van voor het derde rijk benodigde arbeiders. Toch begonnen half mei 1944 de eerste protesten en hulpacties openbaar te worden. De pauselijke nuntius, Roatta, overhandigde op 15 mei een officiële brief van het Vatikaan aan het ministerie van buitenlandse zaken. Dit was de eerste keer tijdens de tweede wereldoorlog dat er officieel door een vertegenwoordiger van het Vatikaan tegen deportaties werd geprotesteerd.'

Protesten van kerkelijke en politieke leiders namen toe. Eind juni - begin juli 1944 werd besloten de deportaties stop te zetten. Na oktober nam echter de chaos toe. Velen Joden kwamen ook in de laatste maanden na de oorlog nog om. Het is een schokkend relaas dat nog eens te meer de demonische planmatigheid van de Nazi's laat zien in hun poging de Joden uit te roeien. Het is nodig het verleden, ook wanneer dit een locale kleur heeft, niet te vergeten.

Yigael Yadin, krijgsman en geleerde

Tenslotte geef ik het woord aan Abraham Rabinovich die in het maandblad Israël een artikel wijdde aan de soldaat-archeoloog Yadin. Het gaat met name over zijn bijzondere archeologische carrière. Israël-reizigers zullen ongetwijfeld Masada bezocht hebben. Aan de opgravingen aldaar is de naam van deze geleerde verbonden. Ook over de merkwaardige Bar Kochba heeft Yadin veel aan het licht weten te brengen.

'Een grote archeologische reddingsoperatie werd in 1960 uitgerust met behulp van het Israëlische leger. Vier afzonderlijke expedities werden naar de aangrenzende wadi's (droge waterlopen) gezonden om de grotten te onderzoeken. Yadin was aanvankelijk onwillig om de expedities te vergezellen en moest gedwongen worden. Hij had geluk. In een van de grotten vond hij brieven van Bar Kochba en in het volgende seizoen nog een andere schat van documenten, een omvangrijk familiearchief dat een bijzonder licht op het dagelijkse leven in Judea 1800 jaar geleden wierp.

Het was pas in 1964 dat Yadin zich op Masada richtte en in een grote logistieke operatie het leger en vele vrijwilligers daarbij betrok.

Behalve zijn wetenschappelijke talenten had Yadin de gave om in het buitenland fondsen te verkrijgen die voor de opgravingen bij Masada, die twee seizoenen duurden, nodig waren. Yadin vestigde zijn kamp op de legerplaats van de Romeinse generaal Silva. Hij leidde elke ochtend zijn team zelf naar de helling, waar de Romeinen hun kamp hadden op de westelijke zijde van het plateau. Hier hadden de Zeloten, geleid door Eleazar Ben Yair, negentienhonderd jaar geleden hun hopeloze strijd om de vrijheid gevoerd.

De opgraving was in archeologisch opzicht minder gecompliceerd dan het bergen van de resten van Hazor met de vele lagen, maar de moeilijke omstandigheden vereisten een hoge mate van organisatie. Meer duidelijkheid brachten elf kleine potscherven aan het licht, die in de as lagen. In elke scherf was een andere naam gekrabbeld. Yadin veronderstelde, dat dit de loten waren van de laatste mannen, die overgebleven waren nadat de anderen zelfmoord gepleegd hadden, om gevangenschap van de Romeinen te ontgaan. Flavius Josephus heeft beschreven, dat met loten besloten werd wie van de overle­venden de anderen zou doden, voordat hij zichzelf doodde. Zodoende konden allen als vrije mannen sterven.

Van alle archeologische opgravingen, die in het land uitgevoerd werden, heeft Masada in Israël en elders de grootste invloed uitgeoefend. Veel van de wijd verbreide identificatie met de geesten van het verleden was te danken aan Yadin's buitengewone gave als verteller.

"Hij was de meest gezochte spreker van het land", zei de archeoloog Magen Broshi". "Hij had de grote gave om zelfs de saaiste onderwerpen levendig te maken." Zijn collega's gaven hem nooit de naam van iemand die steeds popularizerend schrijft. "Hij was een mengeling van een theoreticus en van veldarcheoloog" zei Ehud Netzer die met hem in Masada en elders samenwerkte. "Het was verbazend om getuige te zijn van zijn intuïtie en de snelheid waarmee hij zich een oordeel vormde."

De archeologische gemeenschap zuchtte toen Yadin in 1977 het politieke leven in ging. "Ik denk, dat in 1976 na de dood van zijn vrouw Carmela hij de behoefte had om zich met andere dingen bezig te houden" zegt een collega. Gedurende de vier jaar, die hij als vice-Minister President diende, bleef hij op de hoogte van de ar­cheologische ontwikkelingen. Hij ontmoette collega's en hield de vaktijdschriften bij. Yadin ging in 1981 terug naar de archeologie. Het voornaamste doel dat hij zich gesteld had, was het completeren van de Engelse vertaling van zijn werk over de Tempelrol, de langste van de Dode Zeerollen, negen meter en de meest uitzonderlijke.'

Het artikel geeft een goed beeld van deze boeiende persoonlijkheid die zelfs als militair adviseur tijdens de zesdaagse oorlog niet naliet zijn archeologische onderzoekingen voort te zetten. De bijbelse archeologie heeft veel aan hem te danken. Het Qumranonderzoek is niet zonder hem te denken. Tot kort voor zijn overlijden heeft Yadin zich daarmee bezig gehouden. Met dankbaarheid en eerbied gedenken we deze eminente geleerde die zo'n grote bijdrage gaf aan de wetenschappelijke bestudering van het Israël in de bijbelse tijd en het Jodendom in de tijd tussen Oud en Nieuw Testament.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's